banner
mei 4, 2025
119 Views
Reacties uitgeschakeld voor Plukkevort

Plukkevort

Written by
banner

Ik leer een nieuwe term kennen. ‘De Drie Banken’. Op 5 juli 1440 vertrekken de leden van de Veurnse magistratuur naar Sint-Winoxbergen om er te vergaderen met hun collega’s van Bergen-Ambacht en die van Broekburg-Ambacht.

Samen vormen ze zowat een officieus overkoepelend rechtsorgaan dat in die dagen ‘De Drije Banken’ wordt genoemd, waarbij uiteraard rechtbanken zal bedoeld worden. Er valt heel wat te bespreken, want de conventie duurt een hele week, ‘midts de groote menichte van saecken dieder te wijsen waren, ter oorsaecke dat in langen tijdt ’t geseyde gedingh niet gehouden en was geweest, uut reden der voorgaende oorlogen ende beroerten.’ Terwijl de focus van de magistraten zich toespitst op ernstige zaken, is er eindelijk ook plaats voor vertier.

De gildeleden van Sint-Joris hebben zich ingeschreven voor een kruisboogtornooi in Gent en zijn er tijdens de julimaand van 1440 in de prijzen gevallen. Nochtans is het deelnemersveld niet min. ‘Over de veertigh gilden hebben op die uutnodigingh sich te Gent laten vinden, ende onder andere de broeders van die van St. Joris, binnen Veurne. Sy trocken er naer toe met groote pracht en seer costelick gecleet; ende naer dat sy aldaer eenighen tijdt geweest ende geschoten hadden (volgens hunlieder lot) jegens verscheyde gilden, hebben sy den eersten prys, zijnde vier groote silveren cannen, gewonnen.’

Op 18 juli komen ze triomfantelijk terug naar Veurne. De blijde inkomst doet me denken aan de Rode Duivels die ontvangen worden na een knappe prestatie op de wereldbeker. Het magistraat van ‘der stede’ trekt de winnende ploeg naar de stadspoorten tegemoet, waar ze ‘mildelick wijn’ aanbieden ‘ende bovendies noch hondert sestich ponden paresys, tot hulpe der groote oncosten, die sy van theer costen als der costelicke cleedingh die sy cochten, geleden hadden.’ Daarna vertrekt de stoet richting het gildehuis om het team nogmaals geluk te wensen en er een ‘sester’ wijn aan te bieden.

Op 8 december 1440 krijgt Veurne het bezoek van de nieuwe kanselier van de hertog. Mijnheer Nicolaas Raoulin is zijn naam. Hij wordt er met de nodige egards ontvangen en krijgt van de stad een zilveren kan als geschenk. De kasselrij laat zich niet kennen en biedt de kanselier zes zilveren drinkschalen aan. De jaarboeken laten het ietwat afweten in vredestijd en zo komt het dat ik zondermeer in 1445 aanbeland. De hertog stoort zich aan het feit dat het vernieuwen van de magistraten in Vlaanderen meer een meer beïnvloed wordt door de centen. De commissarissen die moeten instaan voor de vernieuwing van de schepencolleges ’trocken vele geldt vande gonde die sy in functie stelden.’

Er komt een expliciet verbod om overheidsfuncties te kopen bij de commissarissen en als dat in de toekomst nog gebeurt, zullen de betrokkenen automatisch ongeschikt worden verklaard om ook maar enig ambt te kunnen uitoefenen. Er zullen trouwens straffen worden uitgedeeld voor wie zich niet houdt aan deze regels. ‘Verders verclaerde hy noch daer by, dat alvoren de schepenen den gewoonlicken eedt over hun schependom afleyden, sy moesten sweeren aen niemant het minste gegeven te hebben, direcktelick noch indirecktelick, om in de wet te geraecken.’ De commissarissen krijgen de opdracht om uit te kijken naar de meest eerlijke en meest capabele mensen als kandidaten voor de schepenfuncties.

De rotte appelen moeten er uit bij het stadsbestuur en ook het schepenhuis zelf is op zijn West-Vlaams gezegd ‘plukkevort’. Het magistraat van Veurne is in 1448 tot de vaststelling gekomen ‘dat hunlieder stadt- ofte schepenhuys out ende rot was, van cleen gerief, bovendies dat het in geen goeden standt stont, hebben geradich gevonden van een nieu stadthuys te doen maecken.’ Ze hebben hiervoor een groot huis aangekocht van een zekere Christaen Veyse. De woning aan de noordoosthoek van de grote markt wordt afgebroken en wordt vervangen door een gebouw dat ietwat lijkt op het belfort en met dezelfde functionaliteiten ervan zodat de vergaderingen er nu vlot kunnen doorgaan.

De bouw sleept aan tot in 1452. Ondertussen kan het stadsbestuur ook de belendende woning kopen van diezelfde Veys. ‘Een schoon ende spacieus huys, het welck eene groote erve hadde.’ De verkoopprijs bedraagt 100 pond en ook dat huis gaat tegen te vlakte om plaats te ruimen voor een regimentshuis van de ‘corps-de-garde’. Later zal dit gebouw omschreven worden als het ‘Paviljoen’ en zal het dienst doen als woonplaats voor de officieren die toezicht zullen houden over de stad. Het resultaat van de constructiewerkzaamheden mag er best zijn: ‘dit cloeck matsement, volmaeckt zijnde, was een schoon ende treffelick stadthuys.’

Het nieuwe stadhuis, met zijn opvallende witte bakstenen, valt best op in het centrum van de stad. In 1454 verzoekt het magistraat aan de hertog of ze het nieuwe gebouw nu ook mogen gebruiken om er hun vergaderingen in te houden en om van hier uit de justitie te mogen uitoefenen. Ze vragen eveneens de toestemming om het vroegere stadhuis en de daar aan verbonden renten die aan de stad toebehoren te mogen verkopen. Zo kan een deel van de gemaakte schulden voor de nieuwbouw teniet worden gedaan.

De hertog staat dit toe met een acte van 16 augustus 1457. Ik vraag me af waarom die goedkeuring 3 jaar op zich heeft laten wachten. Het voormalige stadhuis kan nu effectief verkocht worden. De jaarboeken preciseren nog eens de locatie van het gebouw. ‘Het selve stont recht over de Vischmarckt, tussen het Croonestraetken ende het Hantbooghstraetken, ende er wiert daer af eene herberge gemaeckt die men de Croone noemde.’

Dit is een fragment uit Boek 5 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 5
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.