Jacques de Châtillon hield, de donderdag aanstonds na zjjn intrede, een prachtig avondmaal met kanselier Pierre Flotte, – deze van wie Paus Bonifacius gezegd heeft dat hjj een Belial was, – en de bijzonderste baanderheren die hem vergezeld hadden. Men kwam hem zeggen, dat er iets ging gebeuren; maar hij durfde niets openbaren.
De Brugse Metten
Jacques de Châtillon hield, de donderdag aanstonds na zijn intrede, een prachtig avondmaal met kanselier Pierre Flotte, – deze van wie Paus Bonifacius gezegd heeft dat hjj een Belial was, – en de bijzonderste baanderheren die hem vergezeld hadden. Men kwam hem zeggen, dat er iets ging gebeuren; maar hij durfde niets openbaren.
Toch stelde hij overal wachten, en ging naar bed, met het inzicht om ’s anderendaags zijn wraakzucht te voldoen. De wachten, vermoeid van de lange weg, lagen half in slaap; maar ambachten en neringen sliepen niet. Langs alle kanten slopen zij naar hun vergaderplaatsen, gewapend, en namen alle nodige maatregelen.
Anderen trokken ter vesting, en loerden of de bannelingen nog niet terugkeerden. ’t Was nog donker, als deze aan Sinte-Kruiskerke kwamen. Daar hielden ze raad. Bevel werd gegeven aan 1600 mannen, van te gaan liggen vóor de Gentpoorte, vóor de Katelijnepoorte en vóor de Smedepoorte, ten einde de Walen te beletten van te vluchten.
De overigen werden in twee benden verdeeld. De eerste, opgeleid door Breidel, zou al de Speipoorte trekken, naar de woonst van Châtillon; de tweede, onder bevel van de Coninck, moest langs de Kruispoorte ter markt gaan.
Sta op, zon van de rechtvaardigen, bloedige wraak! Het vaderland en de graaf liggen verpletterd. Nog een ogenblik, burgers, en uw vrijheid en uw leven zelf waren verloren. Ja, sta op, zon van de vrijdag 18 Mei 1302, en verlicht het bloedig maar heilig toneel van de Brugsche Metten!
De zon klom in het oosten, toen onze mannen die binnen op de vesten lagen, de Klauwaards zagen opkomen. Daar waren er zevenduizend, want veel volk van ’t Brugsche Vrije was meegekomen. Ze zijn daar! Ze gaan aan ’t werk!
De vesting wordt opgevuld met rijzels. Maar reeds wordt in ’t geheim het teken gegeven in de straten. Aanstouds wemelt het daar van gewapende ambachtslieden. Breidel, aan ’t hoofd van zijn volk, trekt de opgevulde veste over tot tegen de Speipoorte, die geopend wordt. ‘Burgers van Brugge!’ ” roept hij, ‘het ogenblik is gekomen van koen te zijn gelijk onze voorouders dat waren: dan en zult gij niets meer moeten balling lopen achter ’t land; en heden, met Gods hnlp, zal onze gemeente vrij zijn!’
Als een donderslag davert zijn schreeuw; ‘Vlaanderen de Leeuw! Schild ende Vriend, wat Waals is vals is, slaat al dood!’, door de lucht, en als een orkaan komen de gewapende klauwaards met ketels waarop zij de metten kleppen, door de straten gebruist.
Ze vagen de Snaggaartsstrate en ’t hof van Châtillon, alom onderweg deuren en vensters van de Waalsgezinden inlopende, en brengende ten messe al dat zij ievers in bed of half gekleed vonden van Leliaards of Françoisen.
Lange stonden zij aan de Snaggardsbrugge, waar 1500 van Châtillons mannen waren. Pieter de Coninck, aan de Kruispoort, heft driemaal de roep aan van ‘Vlaanderen den Leeuw!’! De poorte wordt geopend, gaten worden in de muren gekapt, en de bannelingen rukken daar ook de stad in. Hij loopt met zijn benden al door de Hoogstrate, over de Markt.
Langs de weg groeit zijn bende tot een leger; al dat Vlaams bloed in de aderen heeft, loopt mee. ‘Schild en Vriend!’ klinkt uit alle Vlaamse monden. Die er Frans uitzien worden vastgegrepen; en kunnen zij, met hunne zuiderse tong, het wachtwoord niet zeggen, dan zijn zij kinderen van de dood.
Het zwaard heeft werk. De vaderlandse gevoelens klimmen tot een hevige verrukking. ‘Schild ende Vriend!’ roepen de vrouwen die in de straten stormen: ‘Schild ende Vriend!’ roept het kind op moeders arm; ‘Schild ende Vriend!’ weerklinkt uit de vensters die opengaan, en davert door markten en straten. ‘Wat Waals is, vals is! ‘dondert uit alle monden in een koorgezang, dat boven heel de stede dreunt, en waarvan de laatste weerklanken Jacob van Maerlant, de uitvinder van het woord, deden trillen, te Damme, in zijn graf.
Zo zijn onze mannen vooruit gekomen. Pieter de Coninck staat reeds aan Sint-Salvators; hij zet voort over de Vrijdagmarkt, door de Noordzandstraat. Jan Breidels werk aan ’t hof van Châtillon is voltrokken. ‘Vooruit!’ klinkt uit alle monden. Zijn scharen snellen al door het Genthof, langs de Sint-Jansbrug, over de Beurze.
De weg die ze gevolgd hebben, is getekend met het bloed van de Walen. ’t Is de doortocht van de wraak des Vaderlands!
De Coninck met zijn leger komt op de Markt getreden voor de Christoffelskapel; Jan Breidel verschijnt, aan ’t hoofd van zijn duizenden mannen, aan de Wisselbrugge, en rukt zijn vriend tegemoet. Staat hier een ogenblik, dappere helden des Vaderlands!
Brugge is welhaast vrijgevochten uit de slavernij van het zuiders gespuis, en gij moogt met eene edele hooveerdij uw handen ineenleggen, de standaard van de Leeuw in de lucht heffen en naar het Belfort wijzen, den grootse getuige van Brugge’s vrijdom. Heft hem op, hoog in de lucht, den zwarte klauwaart op het gouden veld : de leeuw heeft gebruld, de leeuw heeft geklauwd!
Weg de lelievanen en de lelieschilden, die uitzitten aan Gijzelhuis en aan Halle, en ’t vaandel van Vlaanderen met het wapenschild van de Graaf prijkt daar weer!
God gaf, dat we daar allicht uw reuzenbeelden zagen staan, zo in die houding, waardig en groots, op diezelfde grote Markt, voor ditzelfde Belfort, tot een les voor alle nageslachten en een herinnering voor allen die zouden durven de dwingeland spelen!
Jacques de Châtillon moet met kanselier Pierre Flotte een schuilhoek zoeken, en daar, met de schrik en de angst in zijn hart, de laatkomende duisternis afwachten. De Fransmannen, overrompeld, zonder opleiders of bevelvoerders, staan onmachtig, en al dat ze doen kunnen, is met hun bloed de straten verven van de stad, die ze zelf hadden willen met het zwaardverwoesten.
Op de Markt alleen werd er gestreden, waar enige Franse edellieden samen liepen onder het bevel van Gauthier de Sapignies. Maar ze kunnen het niet houden. Vrouwen en ouderlingen klimmen op de daken, en overrompelen ze overal waar ze doortrekken met al dat ze werpen kunnen, terwijl de bannelingen met de andere burgers hem leren kennis maken met de wapens van de Brugse poorters en van de lieden uit de vrjjheids en gravenminnende ambachten en neringen.
Veel Walen zoeken te vluchten; maar vluchten kan niet helpen: daar staan wachten aan alle uitgangen van de stad, met het onbarmhartig ‘Schild ende Vriend’ dat hun Waalse monden niet uitbrengen kunnen.
De wraak van ’t volk was schromel\jk, en ze duurde de hele dag. Tegen zonsondergang lagen er omtrent 1500 Fransen gesneuveld, en 100 zaten gevangen in de handen van de Klauwaards.
’s Avonds ten tienen trok Châtillon de kleren aan van zijn kapelaan, steeg te paard en vluchtte met Pierre Flotte al bachten Sinte-Clare, ter Smedepoort op. Ze werden herkend. Châtillons paard wordt dood gestoken, terwijl hij er op zat.
Zijn schildknaap helpt hem op het zijne; anders was hij verloren. De wreedaard zwemt met zijn opstoker Flotte door de vesting, die daar zeer diep was, maar zijn schildknaap versmoort.
De klank van de vreugdeklokken volgde ze in hun vlucht. Zij tuitte nog in hun oren met het vreselijk ‘Schild en Vriend’, als ze reeds halfweg Kortrijk waren.
De slachting van vrijdag 18 Mei 1302 draagt in de geschiedenis de naam van ‘Brugse Metten’, omdat ze met zonsopgang zijn aanvang nam.
–
Adolf Duclos (Brugge 1841) – Onze Helden van 1302 – Brugge – De Zuttere, 1880.


