Sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw is enorm veel veranderd in de maatschappij. […]
Anno 1776, op de 20ste augustus, is zijn hoogwaardigheid Felix De Wavrans, met mijnheer de voogd Carton en de fiskaal van Brussel naar de koninklijke abdij van Mesen gereden om bij opdracht van onze koningin van Hongarije al de religieuze nonnen af te danken.
Na de eerste wereldoorlog verdween het gebruik van in de kerk rond te gaan met een koperen buis en te prevelen ‘cantate voor de armen, God zal ’t joen lonen’.
De herberg is de grote school van het zedenbederf. Het is daar dat de jongeling, die nauwelijks de schoolbanken verlaten heeft, het eerst en het meeste slechte klap hoort, het is daar dat hij de lichte vrouwspersonen tegenkomt die hem zijn eerlijke schaamte doen verliezen.
Een plotselinge mare heeft als een donderslag onze stad getroffen, en heel de bevolking op striepjes gesteld. Namelijk; monseigneur heeft bevonden dat zekere gekruinde kapel(h)aan hier wonderdaden genoeg verricht heeft en dat hij daarom de volgende beslissing heeft genomen.
M’ hoort soms de menschen al ‘en keer ruttelen tegen dit en pruttelen tegen dat; en dat ze niet verstaan ’n kunnen waarom op Godswereld dat er moeten luizen bestaan en vlooien, en mieren en muggen, jandorie!
De nostalgie van bevreemdende verhalen Na heel wat omzwervingen door de geschiedenis van mijn streek […]
M’ hoort soms de menschen al ‘en keer ruttelen tegen dit en pruttelen tegen dat; en dat ze niet verstaan ’n kunnen waarom op Godswereld dat er moeten luizen bestaan en vlooien, en mieren en muggen, jandorie!
De Erembalden zitten als ratten in de val. De afrekening op de moordende kliek die Karel de Goede botweg heeft vermoord, vangt aan. Dat hebben de prinsen van het land beslist. Zaterdag 12 maart. De prinsen noemt Galbert hen. Daniel, Richard, Thierry en konsoorten worden in elk geval met het nodig respect omschreven.
Hoofdstuk twee van dit boeiend boek gaat over de herkomst van onze maanden. Die worden hier beschreven als de twaalf gezellen van de oppergod Wodan. Die Wodan mag je best beschouwen als de voorloper van onze God. Een onbekend fenomeen achter de schermen van het menselijk leven, waar ooit nog het eerste bewijs van zijn bestaan moet worden van geleverd.
Toen, 40 à 50 jaar geleden (in de jaren 30-40), een blijde gebeurtenis zich aankondigde stak de toekomstige moeder al vroeg haar licht op bij een plaatselijke vroedvrouw. Het werd als een natuurlijke gebeurtenis beschouwd en normaal verwachtte men een natuurlijke afloop.
Ik ben al geruime tijd bezig met het schrijven van mijn ‘Ieperse Histories’, allemaal gebaseerd op oude handschriften. Het boek is voorzien voor einde 2019, maar misschien is het wel een goed idee om ons onderstaand fragment op jullie los te laten…
A-t Ons Heere in ’t begin hier de wêreld schiep,
Hêt-ie, binst dat Adam ne keer neere lag en sliep,
Stilleweg een bêtje aan zijn karkas gefrutst,
En haastig ’teerste vrouwmensch in mekaar geprutst.
Is aldus misschien de gewoonte ontstaan die nog op vele plaatsen van onze Vlaamse buiten bestaat, om de pastoor en aan sommige notabelen bij een zwijnsslachting een geschenk te dragen, een ‘zwijnefruute’ zoals men in het noorden of een ‘zende’ zoals men in het zuiden van West-Vlaanderen zegt.
Het was een Franssprekende priester die op zekere dag de pastoor van Mannekensvere verving en preekte over de schepping van de wereld, de historie van de Paradise (het aards paradijs) en Adam en Eva. Dit is wat hij vertelde.
Ik zie mezelf nota bene nog bangetjes zitten in dat biechtgeval van mijn kinderjaren, die houten kooi, waar een of andere paljas van een pastoor net hetzelfde claimde. ‘De poorten van de hel zullen gesloten blijven en de poorten van het paradijs der vreugde zullen geopend worden. Ofschoon gij niet terstond moogt sterven, zal deze genade echter in volle kracht op u blijven tot op uw sterfuur. In de naam des vaders, des zoons en des heiligen geestes en mits een zo groot mogelijk voorschot.’ Tetzel brainwasht zijn publiek, hypnotiseert de mensen, maakt ze zo zot als een achterdeur en laat ze aflaatbrieven kopen zoveel hij wenst.
De geestelijken proberen met harde hand de christelijke regels op te leggen, maar kunnen natuurlijk niet verijdelen dat jeugdige vrouwen en maagden zowat overal gevaar lopen om geschaakt te worden. De keuze van de dames voor de kuisheid en de vrede voor hun God is uiteraard vaak een vlucht naar veiligheid en geborgenheid. Een ooggetuige van de vloed naar de kloosters omschrijft het in het begin van de jaren 1200 als volgt: ‘jonge dochters lopen er met hopen naar toe, weduwen snellen er heen.
Offerande en sacrificie. De mensen bieden zichzelf aan om geslachtofferd te worden ter ere van een of andere vreemde sjarel van een god. Daar staan de druïdes voor, de priesters nog voor dat woord is uitgevonden.
Veurne verdorie. Waar kom jij vandaan? Nehallennia, de godin, gaat plots weer door mijn geest spoken. Nehallennia, de Keltische godin die de reizigers beschermt. Vooral die op zee. Zeevaarders. Veurne, de zee, water, Neha heeft warempel haar locatie goed gekozen. Die oude Burg met zijn oude tempel. Afgoden. De schrijvers van de oude Cronycke vande Duynen kunnen misschien wel eens gelijk gehad hebben!
Een oude legende uit Normandië verhaalt: ‘Adam at een stuk appel, maar hij had meteen een voorgevoel, begreep zijn ijselijke misdaad en was dan ook met zulke vrees bevangen, dat het stuk appel in zijn keel bleef steken.
Op 20 mei 1596 bevestigde Laureinsekin Tulpen, ‘huysvrauwe’ van Jacques le Maire, ‘cipier ten steene’ onder eed, hoe ghisteren de vrauwe daer Leene woont, commende ter steene verkende dat Leene haer gheholpen hadde van een gheest die haer quelde die ze zeyde dattet haer mans gheest was die haer quam quellen. Zeght voorts dat de zelve vrauwe zegt, dat Leene ordeinairlic upstaet ter middernacht ende gaet ligghen in de veinster altijts alst schoon weder is, ende dat ze zeght dat ze daer alle dinghen ziet, ende dat ze ziet al de stadt over, ende dat ze dat al weet ende dat ze datte al in de lucht ziet…’
Met al die willekeur en die afpersmentaliteit is het niet moeilijk dat de moraliteit terugloopt in Ieper. De ‘God ziet u’ bordjes bestaan nog niet en de priesters hebben wel andere interesses dan de geestelijke integriteit van hun onderdanen. Er is amper sprake van nieuwe acquisities tijdens het bewind van abt Pierre. Het zijn blijkbaar moeilijke tijden voor het klooster. De Rubrum registers maken melding van een aankoop in januari 1247. Walter, de abt van Grimbergen, verkoopt aan de Ieperse proosdij alle eigendommen die zijn abdij bezit binnen de stadsmuren van Ieper. Het betreft opbrengsten van meer dan 9 pond afkomstig van verscheidene huizen in de stad en blijkbaar ook deels op de lakenhalle.
Kijk eens naar Ieper op vandaag. Waar is het water nu? Aan de noordoostkant zien we het kanaal en de Ieperlee, aan de zuidwestkant de ‘Verdronken Weiden’. De komst van het water in 260-270 was een (afgezwakte) herhaling van wat er zich al had afgespeeld 1000 à 1500 jaar voordien. Het water 5 à 10 meter hoger. Beeld u dat eens in? Alleen de heuvel, de prairie van Ieper, bleef gespaard van het rijzende water. En er waren twee havengemeenschappen. Briel (Breuil) en de omgeving van het Zaelhof en de Zuudstrate (de latere Rijselstraat), niet toevallig nog steeds met elkaar verbonden met de ondergrondse Ieperlee. Zeker al in 270, kijk maar naar de ‘ille’ namen waar we het al uitgebreid over hebben gehad. Hier leefden beslist al mensen 1000 jaar voor het begin van onze nieuwe tijdsrekening.