Het meervoud van slot is sloten maar toch is het meervoud van pot geen poten. […]
’t Is een triestige menage als ’t henneke luider kraait dan den hane. – Een […]
’t Is een baanvrouwe. – Vrouw die zich thuis verveelt, haar huis ontvlucht en op […]
Ook in Wervik. zijn er niet veel volksspelen overgebleven. Toch zijn er een paar wijkkermissen waar het aspect van buurtfeest bewaard bleef. Daar worden nog openbare volksspelen ingericht waaraan ieder met een jong hart deelneemt tot plezier van de talrijke toeschouwers.
Als Allerzielen zachte begint, volgt er al zere regen en wind.
November is de kleinzeune van september, de zeune van oktober en de voader van de winter.
De slechte reputatie van de zwarte kat vindt zijn oorsprong in de middeleeuwen. Het gerucht ging dat de zwarte kat het maatje was van heksen en van de duivel.
d’ Er op los goan lijkt Stoffel op ze katte (onbezonnen en geweldig te werk gaan)
Werken gat uit, gat in (zonder orde)
Naaien met ê zoaterdagsteke (rap, zorgeloos en met grote steken)
’t Is lik akke mi ze makke’- Het zijn onafscheidbare vrienden.
In Loquela lezen we: “overal op de landkaart van West-Vlaanderen vindt men stukken land die ‘kattekerkhof’ heten”. Inderdaad, Karel De Flou vermeldt negen gemeenten waar een ‘kattekerkhof’ ligt (Beselare, Belle, Cassel, Dadizele, Dikkebus, Dranouter, Kemmel (2x), Reninge en Westnieuwkerke).
Hier verkoopt men pijpen;
kleene stelen
maar grote stelen meer..
Jonk vlees in de stande hèn (met een jonge vrouw getrouwd zijn) Goe naa de […]
Wat, riep onze boffer, ge durft laten horen dat mijn beestjes maar vorderen als een slak tegen een boomstam. We zullen het eens gaan zien. Morgen zal ik mijn nieuwe langoor inspannen en naar Ieper rijden. Ge zult eens zien hoe ik zal vorderen, als een pijl uit een boog.
De dood op getepoten (graatmager)
Met een poot in de pit zijn (heel erg oud zijn)
Te dom om dood te doen (niet zeer snugger)
Schrijf het op de balke, de kalvers en zullen het niet uitlekken (van een schuld die nooit betaald wordt)
Twee katten aan een muis, twee vrouwen in een huis, twee honden aan een been…komen zelden overeen.
Twee mussen aan een korenaar maken nooit een vreedzaam paar.
Zekere avond ging een molenaar uit Veurne slapen. Op zijn molen stonden drie ongemalen zakken koren en er lag een pakje boterhammen bij die hij niet had opgegeten wegens buikpijn. Toen hij ’s anderendaags op de molen kwam, vond hij de drie zakken gemalen en het brood verdwenen.
’t Is è rute uut uus uus
’t Is tied dat ‘uut is (es)
Me goan nog nie noar uus (me=wij)
’t Is lik è puut up è sliepsteen
Daar was eens een man, en die man ging op reis. Als hij nu al lang gereisd had, kwam hij s’avonds geheel laat aan een herberg, en hij vroeg om daar te overnachten.
Het hoofd scharten zonder jeuken (zich in verlegenheid bevinden, radeloos zijn)
Hij heeft het hoofd van een geirnoare (hij heeft niet veel verstand)
Hij heeft een hoofd lijk een ijzeren pot (hij heeft sterke hersenen)
Hij kamt hem het hoofd met een stoel (hij rost hem af)
Het is algemeen gekend en geweten, dat katten en honden zelden of nooit overeenkomen: van daar zelfs de volksspreuk: ‘ze komen overeen als katten en honden’, die ongelukkiglijk zo dikwijls met reden toegepast wordt op mensen.
KATIJVIG (wvl. KATIVEG), adj. Ellendig, armzalig, slecht, (fr. chétif). Het wordt gezeid van menschen die veel armoede lijden, die krank en ziekelijk zijn, of die sukkelen van ouderdom. ‘Een arm ende cativich leven’
· Het wordt ook gezeid van gewassen die mager zijn zonder groei noch jeugd. Die tarwe staat katijvig.
· IJsterachtig, huiverig, die teer is van de koude, (fr. früeux). Hij is zoo katijvig. Kind, ge meugt zoo niet altijd bij ’t vuur zitten, ge zult katijvig worden.
· Ook van het weder, van de lucht die zuur en koud is. Het weder is katijvig. Eene katijvige lucht.
· Slecht, boos, wulpsch, zedeloos, ontuchtig.
Het is uit de noordse godenleer bekend, dat de katten oudtijds een voorname rol speelden: […]