Zijn ’t leugens, ik liege achter. – Den eenen helpt de zalve, den anderen, ’t […]
Een pulle dikke soepe en een seule errepels
En een more kaffie waeren Boerinnes spel
+ De zottigheid is ’t land meêstre.
+ ’t Is beter in de gazette te stoan of in de regen.
+ Dronk’e zeid is nuchtr’e peisd.
Er was eens een arme weduwe. Zij woonde met haar enige zoon alleen. Die jongen was nu een dief gelijk er niet veel lopen in de wereld. Hij stal al wat er aan of roerende was. Zijn moeder had daar veel verdriet in
Er wordt een vast mannetje van de graaf als ruwaard geïnstalleerd. Zijn naam is Jacques Sac. In het Vlaams Jacobus Zak, een naam die weinig goeds voorspelt, maar dat is een subjectieve invulling van mijn kant.
Er komt daar een vrouwe bij den apotheker, en zegt ze: ‘apotheker, ne kilo arseniek voor mijne vent.’ – ‘Arseniek’, zegt den apotheker, ‘maar jong toch! En dan nog voor joene vent!’
Zekere avond ging een molenaar uit Veurne slapen. Op zijn molen stonden drie ongemalen zakken koren en er lag een pakje boterhammen bij die hij niet had opgegeten wegens buikpijn. Toen hij ’s anderendaags op de molen kwam, vond hij de drie zakken gemalen en het brood verdwenen.
Daar was ‘ne keer een moeder, en z’hadde twee meiskes, en z’heetten alle twee Karlientje. Tegen ’t eene en zeiden de mensen niet anders als Wit Karlientje, omdat het zo schone was; maar zijn moeder en koste ’t onder heur ogen niet zien, omdat het heur eigen kind niet en was. En ’t andere was Zwart Karlientje bij de mensen, omdat het zo bruin en zo lelijk was; maar, Zwart Karlientje was het liefste gezien van zijn moeder, en ’t kreeg al wat dat ’t wilde.
è goat nie up mijn hoofd schijt’n
è wild è bitje te veel up zijn hoofd zett’n
je moe’s è kee zien loop’n mit heur’n kop in de lucht
Een oud wijf dat hout ging rapen, ontmoette onderweg een klein jongske.
— Kom met mij mee, sprak zij, ik heb veel koeken en veel speelgoed.
In plaats van voorts hout te rapen, laadde zij het kind in een zak op haar rug en trok er mee huiswaarts.
Spiering en vis stinkt moar als ’t hij gevangen is
Ze heeft geen suiker nodig want ze is zoet uit heur eigen
Hij zal van zijn verstand niet ziek worden
Beter zulk were dan geen were
Manten Mol, de mollevanger