Er was eens een arme weduwe. Zij woonde met haar enige zoon alleen. Die jongen was nu een dief gelijk er niet veel lopen in de wereld. Hij stal al wat er aan of roerende was. Zijn moeder had daar veel verdriet in
Van de slimme dief
Er was eens een arme weduwe. Zij woonde met haar enige zoon alleen. Die jongen was nu een dief gelijk er niet veel lopen in de wereld. Hij stal al wat er aan of roerende was. Zijn moeder had daar veel verdriet in. Alle dagen ging zij aan het kruisbeeld aan de kerkmuur bidden en iedere keer, wanneer zij veel rozenkransen had gelezen, riep zij tot Onze Lieve Heer: ‘Heb toch medelijden met mijn zoon. Zorg toch dat hij zijn leven betere. Wat zal hij nog worden in de wereld?’
De pastoor wilde weten wat die vrouw daar altijd aan Onze Lieve Heer te vragen had. Hij ging zich op een avond verstoppen achter de kerkmuur en wachtte op haar komst. En zie, toen zij kwam en weer vele paternosters had gelezen, stak zij haar armen smekend naar Onze Lieve Heer uit en riep:
‘O, Almachtige Zaligmaker, heb toch medelijden met mijn zoon. Zorg dat hij zijn leven betert. Wat zal hij nog worden in de wereld?’
‘Hij zal blijven wat hij altijd is geweest, dief en nog dief en rommedom dief. Noemen ze hem anders op het dorp als Jan de Dief?
Wenend trok de moeder naar huis in groot verdriet en ten einde raad. Als haar zoon thuis kwam, zegde zij hem wat er haar overkomen was. ‘Ge hoort hé’ zo besloot ze, ‘wat Onze Lieve Heer zegt. Het kleinste kind op het dorp kent u niet anders dan onder den naam van Jan de Dief. Ge kunt hier dan ook niet langer blijven wonen. Trek maar op, naar een ander land. Onbekend is onbemind, ’t is waar en ’t is erg, maar niemand zal dan ook aan u verdriet beleven.’
’t Mens was nog zo braaf van al wat zij bezat en waarvoor zij jaren lang de nagels van haar vingers had geschraapt aan haar zoon te geven. Jan trok dan op. Hij ging maar altijd door want hij wilde naar het eind van de wereld. Als hij honger had, sprak hij zijn knapzak aan en als hij vaak kreeg sliep hij langs den weg in het gras. En eens uitgerust ging hij weer dapper voort, altijd maar verder.
Eindelijk kwam hij aan een groot kasteel. Ja het was een kasteel, maar het had zo’n vreemd uitzicht dat de jongen eerst er niet durfde aanbellen. ’t Was een kasteel waar men, van buiten op den gevel, al lezen kon dat er van binnen vreemde dingen gebeurden of gebeurd waren.
‘Ik zal het toch maar eens wagen’, zegde Jan. ‘Het zal daarbinnen al licht beter zijn dan hier buiten, ’t Is erg alle dagen te dwalen zonder hoop op uitkomst en geen enkelen dag, die God verleent, te weten waar men ’s avonds den kop zal te rusten leggen.’
Hij belde een keer en een heer kwam opendoen. Deze vroeg wie hij was, van waar hij kwam en veel dingen meer. De jongen zegde dat zijn moeder zo arm was als Job op de mesthoop en dat hij daarom besloten had de wereld in te trekken. Acht dagen was hij nu reeds op weg en nog nergens had hij zijn diensten kunnen aanbieden.
‘Welnu, vroeg de man, kunt ge stelen?’
‘Stelen’, zei Jan toen, ‘stelen, ik heb in mijn leven nog anders niets gedaan. Ook, om de waarheid te zeggen, op het dorp noemde men mij Jan de Dief, en ’t is daarom dat ik afgetrokken ben. Eerst durfde ik u dat niet zeggen, maar nu ik hoor dat ge een dief nodig hebt, spreek ik rechtuit.’
‘Welnu, luister dan’, sprak de heer. ‘Ik heb ik over jaren mijn ziel verkocht aan den duivel. Over twee maand verviel de termijn en de duivel is dan gekomen om mij te halen. Op mijn smeken heeft hij me een laatste uitstel van drie maand verleend. Indien ik in die tijd drie dingen kan volbrengen of doen volbrengen ben ik vrij.’
‘En wat zijn die dingen?’, vroeg Jan? ‘Drie diefstallen.’ ‘Laat maar horen.’ ‘Den pastoor zijn geld robberen.’ ”t Is maar kinderspel.’
‘Op een nacht den ring van de koningin stelen.’, ‘Dat is ook doenbaar.’
‘Het beste paard uit den stal van den koning halen, insgelijks ’s nachts.’
‘Ik ben uw man, zei Jan de Dief.
‘Niet te rap, niet te rap’, antwoordde de kasteelheer weer. Al tien mannen zijn hier komen stoeffen dat ik op hun vaardigheid mocht rekenen, maar geen enkel is in staat geweest een van die dingen te volbrengen. Wanneer ze binnen de drie dagen hun taak niet hadden volbracht, heb ik ze, op last van den duivel, met de dood gestraft. Zo heeft hij reeds tien zielen gewonnen in plaats van de mijne, zie maar, ginder liggen hun graven.
En de man wees naar de tien graven in het park van zijn kasteel, tien pas omgewoelde heuvels zonder kruis er op.
‘Pas maar op of gij ligt er bij binnen drie dagen, als elfde man.’
”t Zal niet waar zijn!
‘Zoveel te beter, maar gemakkelijk werk zal het in ieder geval niet zijn, want, na al de pogingen van uw tien voorgangers, hebben de pastoor, de koning en de koningin hun maatregelen genomen. De koningin doet de ring niet meer van haar vinger.
‘Van avond moet de pastoor er reeds aan’, sprak Jan de Dief.
Hij ging daarop naar het dorp, kocht een pot stroop en een zak pluimen en liet er zich mede in de kerk opsluiten. Zodra de deuren vergrendeld waren, wreef hij zich heel en al in met stroop en ronselde zich in de pluimen, zodat hij er uitzag als een wondere vogel. Hij wachtte tot het dorp in rust lag en begon dan een hele tijd met de grote klok te luiden, waarna hij in de nis van een heilige kroop.
De pastoor, die van op de pastorij ’t luiden had gehoord, schrok op en liep naar de kerk. Hij vermoedde dat er iets ongewoon moest aan gang zijn. Wanneer hij in de kerk kwam, hoorde hij een vreemde stem die hem toeriep:
‘Pastoor, kom hier vóór mij staan en luister. Ik ben een engel, door God den Heer op aarde gezonden om u te komen halen en naar zijn hemel te brengen. Toch moet ik u een laatste maal op de proef stellen. Ga en haal al uw geld en zet het hier neer aan mijn voeten. Daarna zal ik met u naar het land van de gelukzaligheid vertrekken.
De pastoor liep snel naar de pastorij en Jan de Dief achter hem. En deze zag dat de pastoor maar twee beurzen met geld uit zijn kast nam en een derde, de grootste en zwaarste, liet liggen. Jan spoedde zich daarop terug naar de kerk en stond weer in de nis toen de pastoor het geld bracht.
‘Pastoor, pastoor!’ riep hij, ‘is dat al wat gij meebrengt? En de derde beurs, de grootste en de zwaarste, wat hebt ge er mee gedaan? Haal ze gauw of Onze Lieve Heer zal denken dat ge nog te zeer zijt gehecht aan de aardse goederen en wie weet of Hij u dan nog in zijn hemel begeert.’
Nu had de pastoor volledig vertrouwen in de engel. Eerst had hij nog wat achterdocht, maar nu hij zag dat de engel zijn geheimste gedachten kon raden dacht hij dat het waar gebeurde en hij op reis naar den hemel ging. Hij liep gauw naar de pastorij om de derde beurs niet geld te halen.
Toen hij terugkeerde zei de engel:
‘Zie nu is het goed. En hij stapte uit zijn nis en ging tot bij de pastoor. ‘Nu naar de hemel’, ging hij dan voort. ‘Daarom kruip in deze zak, die ik meegebracht heb om u gemakkelijk te kunnen dragen.
De pastoor kroop in den zak en Jan de Dief er recht mee naar de pastorij, waar hij hem aan de klink van de deur hing. Dan liep hij zo gauw mogelijk weg. Toen de pastoor daar een tijdje gehangen had kreeg hij onuitstaanbare pijnen in al zijn leden. Hij begon te geloven dat men hem deerlijk had beetgenomen en begon dan te schreeuwen en te huilen om heel het dorp wakker te maken. Zijn meid sprong uit haar bed en liep naar beneden. Zoodra zij de stem van haar meester herkende, sneed zij de zak open en de pastoor kwam er uitgekropen.
‘Marie, Marie’, zegde hij, ze zijn met mijn geld weg. Hij liep naar de kerk, maar Jan de Dief was de pijp uit.
Bij het verlaten van de pastorij was deze, zo rap als de blaren die waaien, de drie zakken geld gaan weghalen om ze naar de kasteelheer te brengen.
‘Hier is al ’t geld van den pastoor en morgen komt de ring van de koningin!’
Maar dat was nu een andere zaak! De koning was verwittigd en de koningin was verwittigd! Ge kunt denken hoe die twee nu op hun hoede waren! Maar Jan de Dief was slimmer dan zij. Hij maakte een stropop, kleedde ze aan, stak ze op een stok en hief ze zo tegen het venster van de kamer waar het koninklijk paar sliep.
‘Koningin, koningin’, riep de koning, ‘opgepast daar is de dief. Hij staat voor ’t venster.’
‘Schiet er op, schiet er op’, riep de koningin. En de koning schoot er op. De stropop viel naar beneden en Jan de Dief verborg zich al gauw achter het ovenhuis. Het was hoogtijd want een minuut later kwam de koning buiten, en als hij de stropop liggen zag, meende hij dat het een lijk was en liep naar den uitkant van het kasteel, om al zijn dienstboden wakker te maken, ten einde het lijk te begraven. Jan de Dief, die de kans klaar zag, wipte zich het paleis binnen en spoedde zich naar de slaapkamer van de koningin.
‘Koningin’, zegde hij, ‘ik heb hem neergeschoten. Geef nu de ring maar hier. We moeten niet meer bang zijn. Ik zal hem in uw juwelenkistje terug leggen.’ En de koningin gaf de ring en Jan de Dief er mee liep recht naar het kasteel van de edelman, die zijn ogen niet kon geloven.
‘Zal ik dan toch verlost geraken’, zei hij, ‘maar nee, maar nee, want morgen moet het beste paard van den koningsstal naar hier gebracht en de koning is zo bang geworden dat hij niet alleen de stal heeft doen bewaken, maar dat hij, bovendien, nog een knecht op zijn paard doet zitten, dag en nacht.’
‘Laat maar gaan,’ ging Jan de Dief voort, ‘klagen op voorhand helpt geen zier. Ik zal mijn best doen en gij moet maar moed houden. ’t Zou er nog aan mankeren dat zij die niets riskeeren aan ’t klagen gingen. Klaag ik? En nochtans als ik morgen met het paard niet afkom ben ik een manneken minder!’
Daarop verkleedde Jan de Dief zich in een oude pelgrim. Zo trok hij naar de koningsstallen, maar deze waren op slot en langs binnen sterk gegrendeld. Jan de Dief klopte op de staldeuren en begon te lamenteren.
‘Doe open voor een oude pelgrim die een onderkomen zoekt. De nachten zijn te guur in dit seizoen om buiten te slapen.’
‘Ga maar weg! Hier wordt niet opengedaan! Wij waken hier met drieën bij het paard van de koning dat men stelen wil.’
”t Is juist een reden om open te doen. Ik zal helpen waken. Vier paar ogen zien beter dan drie paar. En van mij hoeft ge niet bang te zijn. Een sukkelaar van een pelgrim, gelijk ik, zal uw paard niet stelen.’
Op het danig klagen en smeken deden de knechten open. ”t Is klaar, dacht Jan de Dief toen, en ging er binnen.
Hij zocht een warm plaatsje in het hooi en legde er zich te rusten.
‘God zal ’t u lonen, mannen, ’t is een werk van barmhartigheid dat ge doet. Daarop haalde hij een flesje uit zijn zak en bracht het aan zijn mond.
‘Ziet, dat zal mij nu eens goed verwarmen.’
En op de vraag van de knechten wat hij daar dronk, zei hij, dat het een verwarmende drank was, die nieuw en vurig leven in het bloed bracht. En de knechten vroegen, natuurlijk, of zij ook eens mochten proeven.
‘Dat is geen refuus aan u, die zó braaf en goed zijt geweest voor mij. Neem er maar elk een goede slok van. Ge hebt het ook nodig.’
En de mannen dronken van ’t flesje, waar Jan de Dief al gauw een slaapdrank had in gedaan. In een oogwenk sliepen de drie knechten dat ze ronkten.
Nu ging Jan de Dief aan het werk. Het kwam er op aan zo snel mogelijk met het paard weg te geraken. Hij nam de eerste knecht, die op het paard zat, uit het zadel en plaatste hem op de dissel van de koninklijke koets. Daarna nam hij de twee andere knechten, die vóór de deur de wacht hielden, en plaatste ze er naast.
Dan opende hij de staldeur, sprong op het paard en ju! hij was er mee weg.
’t Was de edelman die verschoot wanneer hij Jan zag komen aangereden. Heel de nacht had hij op loer gelegen, want het kwam er nu op aan te weten of hij verlost zou worden of niet.
‘Ik ben dan toch verlost, riep hij maar altijd en danste en sprong en kuste Jan de Dief van plezier. Jan de Dief kreeg zijn zakken vol goud, zoveel goud als hij maar dragen kon. Daarmee trok hij naar huis, naar zijn moeder.
Beiden waren nu rijk en zij moesten niet meer werken. Dat lieten ze nu voortaan voor al wie niets beters gewoon waren.
En wie ’t niet gelooft ga maar eens horen naar het dorp waar Jan de Dief heeft gewoond. ’t Kleinste kind zal hem de historie van dien kadee vertellen.
–
Victor de Meyere in ‘De Vlaamsche Vertelselschat’ van 1925


