Anno 1932, op de 17de september, zondagnamiddag is er hier op de hofstede Gustaaf Dejonckheere, gelegen langs de weg gaande van Elverdinge naar Boezinge, een uiterst pijnlijk ongeluk gebeurd dat het leven kostte aan twee personen en waarbij een derde zeer erg gekwetst werd. Rond 15u30 bemerkten de thuiswachters dat de stier uit de stal was losgebroken en rustig op het hof wandelde. Dadelijk gingen de vrouw van de landbouwer, Sylvie Bogaert, haar 87-jarige vader en de broer van de boer, Leon Dejonckheere ernaartoe om het dier terug in de stal te jagen.
Tot plots de stier zich opeens omdraaide en hen plots met de kop voorop aanviel. De ouderling werd het eerst getroffen. Hij werd met een stoot op de grond geworpen waar hij met het hart ingestuikt roerloos bleef liggen. De anderen die wilden tussenkomen moesten weldra ook vluchten en Leon Dejonckheere die al een stoot van het dier in zijn nek had gekregen, kon slechts zijn leven redden met in het wagenkot te vluchten waar hij van aandoening en pijn geruime tijd bewusteloos was gevallen en op een wagen was blijven liggen. Wat er verder gebeurd was, zou niemand vertellen. Misschien had de vrouw van de landbouwer nog geprobeerd alleen het dier naar de stal te bewilligen ofwel het de sier haar zelf achtervolgd, men wist het niet.
In alle geval werd de 56-jarige landbouwster achter de schuur door het wild geworden dier gegrepen en doodgetrappeld. Toen de landbouwer die met zijn kinderen eens tot aan het dorp was gegaan om 18u30 terugkeerde was hij heel verwonderd van niemand thuis te vinden. Op de voute vernam hij van zijn bejaarde schoonmoeder dat de stier rond 15u30 was losgebroken, dat alleen ernaartoe gegaan waren om hem terug in de stal te doen en dat ze sindsdien niemand meer gezien had.
Een ongeval vermoedend ging de landbouwer dadelijk op zoek en men kon zich inbeelden door welke gesteltenis hij overvallen werd toen hij eerst zijn oude schoonvader en daarna zijn vrouw levenloos op de grond zag liggen. Hij liet nog in allerijl de dokter halen maar die kon slechts de dood van beide slachtoffers vaststellen. Toen de dokter op het punt stond om de hoeve te verlaten hoorde men vanuit het wagenkot een zacht gekreun komen. Daar vond de landbouwer dan ook nog zijn broer bewusteloos op een wagen liggen. Het slachtoffer had een kopstoot in de nek gekregen en de dokter kon niet dadelijk uitspraak doen over de ergheid van de wonde, maar hij vreesde er toch voor dat de ruggengraat mogelijk geraakt zou zijn.
Toen de landbouwer nadien zijn stier op stal bracht, had het dier niet de minste weerstand geboden en had zich zonder te verroeren laten vastbinden, precies alsof er niets gebeurd was. Zoals te verwachten was had dit ongeluk grote ontroering verwekt in het omliggende waar de slachtoffers zeer gunstig bekend waren.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ (werk in opbouw)


