banner
mrt 23, 2020
1510 Views

Een dodelijke pestbacil

Written by
banner

Tijdens die zomermaand van 1720 vaart het schip ‘De Brusselse galei’ binnen in Oostende na een reis van twee jaar naar China, rijkelijk beladen met thee en porselein. Kapitein La Merveille en de lokale reders tonen zich achteraf best ontevreden over de rentabiliteit van deze trip. De concurrerende havens zien het natuurlijk node zitten dat de Oost-Indische trafiek geen windeieren legt voor hun rivaal Oostende en proberen het gras van onder zijn voeten weg te maaien dankzij actief lobbywerk bij de keizer.

Maar Karel VI is ook niet gemaakt van twee oude wijven en hij beseft wel degelijk de grote voordelen die de schepen hem opleveren en dat hij daarmee de andere zeevarende mogendheden in Europa de loef kan afsteken. Zijn reactie op al dat lobbywerk is nu integendeel een verdere versterking van de haven van Oostende. De keizer stuurt nu proactief brieven naar geïnteresseerde kooplieden met de mededeling dat het krijgen van een licentie om vanuit Oostende op Oost-Indië te varen slechts een formaliteit zal zijn. Een boodschap bestemd voor al zijn onderdanen in de keizerlijke Nederlanden in Antwerpen, Brussel, Gent, Brugge, Oostende enzovoort.

De grootste stoorzender van de wereldhandel blijft wel de pest. Op 25 mei 1720 heeft een schip vanuit de Levant (Syrië) een lading stoffen binnengebracht die besmet blijkt met een dodelijke pestbacil. Een grote nalatigheid die een derde van de 90.000 inwoners van Marseille uit het leven wegmaait. In de Provence sterven er zeker 100.000 inwoners. Dat rampzalig nieuws zet de zenuwen op scherp in Oostende en in de andere Vlaamse zeesteden. De kusten en de havens krijgen secure bewaking om de aankomst van zowel goederen als schepen te beletten. Het magistraat stelt daartoe twee bewapende zeeschepen ter beschikking die buiten de haven de wacht houden.

De Vlamingen krijgen allemaal een streng bevel dat niemand, zowel vreemdelingen als eigen inwoners van de ene naar de andere plaats mogen reizen zonder voorzien te zijn van wettelijke gezondheidsbrieven. Op een gegeven moment ontstaat er in Oostende grote verlegenheid door het verschijnen van een schip op de reede, komende vanuit de regio van Marseille. Het was al eerder geweigerd aan de ingang van Duinkerke en van de Maas en probeert om hier nu binnen te zeilen. Het geschut vanaf het platform van de plaatselijke kaaien en de hoornwerken noodzaakt de commandant om zijn poging te staken en weer het zeegat te kiezen.

De arme scheepslieden aan boord beseffen dat ze nu wel overal verstoten zijn, dit zal wel hun ondergang betekenen, hun wanhoop is schrijnend. In de nacht van 17 op 18 oktober komen de Fransen dan nog eens terecht in een daverende storm die hun schip ergens tussen Oostende en Blankenberge op het strand gooit. Dat zorgt natuurlijk voor grote paniek in de stad, het garnizoen uit de stad haast er zich naar toe en omsingelt het gestrande schip om een aankomst op het land te verijdelen. Gouverneur Delcampo heeft al direct markies De Prié gebrieft die al direct drie toplui naar Oostende stuurt om een actieplan op te stellen. Ze komen ter plekke op hetzelfde moment dat het schip finaal aan het stranden is.

Het team beslist om een houten hut op te trekken in de duinen waar het scheepsvolk zich van zijn kleren kan ontdoen. De Fransen moeten zich vervolgens baden in de Noordzee en in hun hut blijven tot er een bepaalde quarantaineperiode zal verstreken zijn. Er zal maar één man sneuvelen, de kapitein dan nog, een zekere Henry Puel overlijdt door gebrek en ongemakken. Zijn schip, de ‘Ambitieuse’ wordt na een vonnis van de admiraliteit met heel zijn lading bestaande uit brandewijnen, specerijen en enkele balen wol in brand gestoken. Na de verplichte termijn in hun hut komen de scheepslieden gezond en wel tevoorschijn en mogen ze nu vrij de stad binnenkomen. Tot opluchting van zowat de hele omgeving die in grote angst en benauwdheid heeft gezeten.

Het noodweer zorgt voor grote angst
1 december 1720. Omdat ik toch wel die verslagen van Bowens kan appreciëren, laat ik hem nog maar een keer aan het woord. De man zou een perfecte verslaggever zijn voor het journaal. ‘Op de 1ste december kreeg men alweer op de Vlaamse kustlijn zo een gruwelijke stormwind, vermengd met hagel en sneeuw die de zee tot een ongemene hoogte deed opzwellen zodat die langs alle kanten boven de dijken spoelde en het land onder water zette.

De wallen van de stad werden door deze dijkbreuk en de overstroming van de zeewateren gevuld hetgeen aan de huizen, pakhuizen, kelders en koopwaar zeer grote schade toebracht. Men werkte ten spoedigste aan de scheuring die in de zeedijk gekomen was om die met zeilen en zandzakken te vullen en al de volgende dag was het ergste verholpen. Op de 31ste december beleefden we opnieuw een gelijkaardige storm, maar de schade die daardoor geschiedde was zo groot niet als bij de vorige storm. Maar dit noodweer zorgde hoe dan ook voor grote angst en vrees bij het gemeente, voor iedereen betekende dat toch wel een droevig einde van het jaar 1720.’

En dan is er toch nog wel een eigenaardig nieuwsfeit. Rond deze tijd ontdekken ze in Oostende een wormensoort die het houtwerk aanvreet en doorboort. Vermoedelijk geïmporteerd door de Oost-Indische schepen. De pijlers van de haven blijven met die kereltjes niet lang ongeschonden waardoor er grote schade voorspeld wordt, vooral omdat niemand een middel kent om de kwaadaardige wormen uit te roeien.

Ook de jaloezie van de Hollanders op de Vlaamse Oost-Indische vloot neemt kwaadaardige vormen aan. Het lobbywerk om ons succes op de wereldzeeën te vernietigen stuit altijd maar verder op het fanatiek verzet van de keizer, wat niet wegneemt dat de onenigheid tussen de bewindvoerders van de maatschappijen van Vlaanderen, Brabant en Holland van dag tot dag toeneemt (die ook allemaal deel uitmaken van die multinational Oost-Indische compagnie).

De keizer eist regelmatig voldoening voor de smaad, mishandeling en kaping van zijn schepen. Het regent vergaderingen en bijeenkomsten in Den Haag en Brussel om de hele toestand te regelen maar toch is er geen sprake van een einde aan deze geschillen en alleen maar van een escalatie. Ook in 1721 blijft de besmettelijke ziekte in de Provence verder woekeren. Vanuit die streken moeten er geen zeevaarders ook maar aan denken om aan de Vlaamse kust te landen. Het magistraat verscherpt de maatregelen trouwens nog maar eens. Er komt een verbod op vruchten, duiven, varkens, hoenderen, enzovoort om binnen te brengen in Oostende. Het stadsbestuur laat een slachthuis bouwen op het einde van de Langestraat bij de vestingen om daar met een nog grotere oplettendheid de beesten te kunnen slachten.

Uit deel 10 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – verschijnt in oktober 2020 –

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *