Van aan Kales en Boonen tot aan de monding van de Westerschelde strekt zich een smalle vlakte uit, die, nu eens verder landinwaarts en dan weer dichter bij de zee door een reeks heuvels begrensd is.
Eens, in verafgelegen tijden, maakten deze heuvels de grensscheiding uit tussen de hooglanden en het vlakke veld, dat bijna elke dag een de overspoeling van de wateren der Noordzee was onderworpen. Ze worden merkbaar in de omstreken van Eeklo en Maldegem, lopen achter Brugge, ten westen van Torhout, langs Gits en Hooglede, schuinwweg langs Veurne-Ambacht, tot op de plaats waar de statige Katsberg en Casselberg naast die van Sint-Winoks hun kruinen ten hemel verheffen. Van daar volgt deze linie van heuvels haar loop langs Domberg, Ballemberg, Ravensburg en Watten, om tussen Witsant en Blancnès met de duinen samen te smelten.
Langzamerhand is de bodem vooraan deze hooglanden op de meeste plaatsen, zowel door de aanspoelingen uit de zee als door andere natuurlijke oorzaken, hoger opgerezen. En hetgeen eenmaal stuivend zand of holberoerde branding was, is sedertdien in weides en bouwland herschapen, die nog enkele voor de doordringende blik van de aardkundigen van de rest van de gronden te onderscheiden zijn.
Evenwel, een groot getal plaatsen tussen Boonen en de Scheldeboorden liggen nu nog een zekere aantal voeten beneden de spiegel van hoogtij en zouden dus nog in gevaar verkeren van onder de vloeien, waren de dijken er niet om de Noordzee af te sluiten.
Tot in de loop van de 2de eeuw van onze jaartelling kwamen hier bijna dagelijks de brakke golven tot dicht nabij de vermelde heuvelenreeks aangerold. Echter bestonden er toen reeds diverse plekken die alleen maar bij springvloed nog onder water kwamen en dan in moerassige weiden en afgezonderde poelen en vijvers werden omgeschapen.
Ten gevolge van dit over en weer schuren van de zeewateren op een zo ondiepe bodem ontstonden er natuurlijkerwijze een menigte kreken, rivieren en zogenaamde geulen en zeearmen, terwijl het aantal poelen en vijvers nog moeilijk te tellen werd. Een blik op de middeleeuwse kaarten van onze gewesten is voldoende om een gedacht te geven over de toestand in dewelke onze kustlanden en het noordwestelijk uiteinde van Frankrijk in die tijd verkeerden.
Leverde het laagland een zo weinig aanlokkelijk uitzicht op, met de hoger gelegen streek was het zeker al niet beter gesteld. Daar immers strekten zich dichte, ja nauwelijks doordringbare wouden op. Van welke hun voorste standpunten tot aan het strand de baren van de Noordzee als het ware tegemoet gingen en die zelfs dienden als voorwachten van het ontzaglijke Ardennenwoud.
En nochtans, in die sombere bossen leefde er een talrijke bevolking – te weten de Menapiërs. Of ze eveneens de gedurig overwaterd vlakte bewoonden is niet met zekerheid bekend, maar het komt weinig waarschijnlijk voor. Wel kunnen we aannemen dat ze er zich vaak naartoe waagden om de visvangst uit te oefenen en verderop de zee te bevaren. Maar heel dat gewest was niet voor hen, maar voor een wezenlijk zeevolk, bestemd dat er eenmaal reuzenwerken zou uitvoeren en onder wiens onverdroten arbeid de hele streek van aanzien zou veranderen.
Ten zuiden, langs de kust, vormde het laagland enkel een smalle streep grond waar de zee niettemin veelvuldige overstromingen teweeg bracht. Daar was ongeveer een derde gedeelte van het land, evenals hogerop met dichte bossen bedekt, terwijl de bodem om menige plek niets meer dan een veenkorst was die soms bij gedeelten van de vaste grond afscheurde om met hutten, bomen, vee en al wat er op was heen en weer te vlotten.
Deze streek werd bewoond door de Morinen, een overoude volksstam die, net zoals zijn zuidelijke buren de Armoricanen zijn naam van de zeelandige bodem ontleende. De Morinen waren hoewel een geringerige uitgestrektheid bezettende, toch machtiger in getal dan de Menapiërs . Ze wisten tegen de Romeinen zowat 25.000 mannen onder de wapens te brengen, terwijl de Menapiërs van hun kant er nauwelijks 9.000 man konden leveren.
Lange tijd droeg de Morinische kust bij de Romeinen ook de benaming van Russium of Ruthenium littus, dit is is zoveel te zeggen als Russische of Ruthenische kust. Ja, het meer landinwaarts gelegen gewest voerde ooit op heel zijn uitgestrektheid de naam van Ruthenië aan dewelke het dichte Ruthenbos uit Caesars tijd wellicht zijn naam ontleende.
In 870 was die benaming nog in voege en op onze dagen wijst men nog naar diverse oorden die onder klankverwante aanduidingen bekend staan. Men kan alleen maar tot de slotsom komen dat de Ruthenen en de Morinen wel één het hetzelfde volk moeten geweest zijn, dat als Keltische stam zijnde, in de oudheid als natie Ruthen heette en later de toenaam van Morinië kreeg ten aanzien van de aard van zijn verblijfplaats.
Wat er ook van weze; de Morinen waren een dapper en vrijheidlievend ras dat lange tijd onoverwinnelijk wist te blijven voor de Romeinse legioenen. Zelfs toen deze laatste reeds heel Gallië hadden overmeesterd. Hiervan heeft de Romeinse veldheer Julius Caesar ons een schone getuigenis achtergelaten. Ze waren, zo schrijft hij, ‘de laatsten die de wagens tegen Rome bleven voeren en nimmer nog afgezanten hebben gestuurd om vrede te maken’. Caesar voede dan ook zijn legerbenden tegen hen aan, maar, volgens zijn eigen verslagen weken de Morinen met goed en huisgezinnen steeds dieper en dieper in de oneindige bossen en moeren waarmee een aanzienlijk deel van hun land overdekt was.
Niet alleen was de Morinische bodem zo modderig of overspoeld. Wanneer, in droge zomers de natuurlijke polders voor het merendeel waren verdampt dan bleven de bewoners van die streek zo onoverwinnelijk niet meer. Het is bij zulke gelegenheid geweest dat de Romeinen aangevoerd door Labiënus een jaar later dan, wanneer Caesar er tegen was opgetrokken, dit volk hebben overmeesterd. Bijna tezelfdertijd – het was ook in datzelfde jaar – moesten de meer noordelijk wonende Menapiërs plooien onder het juk van de Romeinen.
Van op dat ogenblik tot meer dan twee eeuwen later levert ons land in de geschiedenis bijna niets op dat het vermelden waard was. Rome, een stad die zo te zeggen de wereld verbeeldde, was tot het op het hoogste punt van macht en grootheid gerezen. Maar net zoals alle dingen dan klaar om alleen naar te gaan dalen kwam ook dit machtigste rijk tot een tijdperk van stilstand waarna het met een grote wordende snelheid zijn ondergang tegemoet ging. Het is dan dat de inval van de noordelijke volkeren op het grondgebied van het Romeinse rijk welk elke dag menigvuldiger. Reeds van omtrent het midden van de 3de eeuw kwam het gevreesde volk van de Saksen, langs de zee op zijn snekken met angstwekkende vaart op het zuiden afgerend, en werden de kusten van Gallië erdoor afgelopen en verwoest.
Dat ras van onverschrokken zeeschuimers wist door zijn overmatige stoutheid zich in hoge mate te doen duchten, bij al de volkeren die, al was het maar éénmaal ermee in aanraking waren geweest. Echte zeekoningen waren het. Niet zover met de naam als wel met de daad! Overal waar ze ontscheepten voerden ze het meesterschap uit en er mag gezegd worden dat de Romeinse burgerij een heir van mededingers in hen vond voor wat het genie der overheersing betrof.
Het geluk viel de Saksen ononderbroken te beurt en lokte ook onophoudelijk andere benden uit, die door roemzuchtige Jarls aangevoerd, weldra niet meer ophielden van in alle richtingen de Noordzee te doorkruisen, aan dewelke man ten gevolge daarvan de toenaam van Mare Saxonicum (Saksische zee) gaf.
Het kan geen twijfel lijden of die vrijbuiters hebben toen meer dan eens, tijdens hun overzeese rooftochten de moerassige kusten van ons land net zoals heel zuid Gallië en Brittenland aangedaan. Ofwel om als kolonisten er een woonplaats te zoeken, ofwel om er in de kreken en inhammen jacht te maken op de Romeinse vaartuigen. Ofwel om op hun Scandinavische manier de strandhug of kustroof uit te oefenen op de weinige plaatsen die boven het strand verheven waren. Op deze plekken groeide vaak een door het vee gegeerde grassoort en het is zo goed als zeker dat de Menapiërs van die eeuw deze ‘schorren’ in bezit hadden genomen om er hun kudden te laten grazen.
De eerste Saksen die in ons land een vaste woonst kwamen zoeken zijn zeelieden geweest voor wie de landbouw slechts bijzaak was. En dat is ook zo gebleven tot op het tijdstip dat het menigvuldig verkeerd tussen de zee en het binnenland stremde. Het bewijs daarvan ontmoeten we vooreerst in de omstandigheid dat het de kustlanden en geenszins de binnenlanden zijn waar ze zich het heerst hebben gesetteld. Daarenboven bestaat er een document dat oneindig taaier is dan schapenvel en waar oorlogen noch staatkundige verwikkelingen, evenmin als de zucht naar vervalsing nooit geen vat op kregen. En die gewichtige oorkonde is niet anders dan de taal, de levende volkstaal van West-Vlaanderen en het voormalig Morinenland.
Inderdaad, het West-Vlaams dialect is tot op onze dagen doorkneed gebleven met zeemansspreuken en het moet iedereen die in West-Vlaanderen geweest is toch wel opgevallen zijn om die zonderlinge spreekwijzen te horen uit de mond van landbouwers van wie de meesten misschien zelfs nooit de zee gezien hebben.
De omstandigheid nu, dat zeelieden, zoals de Saksen in het begin met zulk een gemak overgingen tot het uitoefenen van de landbouw is niet moeilijk te verklaren. Hun land van herkomst, noordelijk Denemarken lag aan zee en was net als in Vlaanderen geschikt om de vrije landbouw te beoefenen.
–
Karel Deflou in De Halletoren van 12 december 1875.



Heel interessant. Ik vraag me af met welke delen van de huidige stad deze hoeken overeenkomen.