Oostelijk gelegen van het laaggelegen moerasgebied van Ieper en Zillebeke doemen de dichtbeboste heuvels van het Hooghe en de Zandberg op. Een ondoordringbaar woud dat al vele duizenden jaar oud is. De mensen noemen het de Rumetra. Het woud strekt zich uit van de Kemmelberg tot aan de buitengebieden van Brugge. Donker en reusachtig. Een woud zonder genade. In deze Rumetra liggen wouden die pas veel later zullen omschreven worden als de Nonnenbossen of het Polygonebos.
Met daarin verscholen Den Doel en Het Veld. Op een hoogte van pakweg 50 meter zijn de heuvels de voorbije duizenden jaren gevrijwaard gebleven van het water. De plek waar ooit het centrum van Zonnebeke zal komen ligt op 27m hoogte. Heuvelopwaarts gaan we van hier naar de heuvelrug van Broodseinde. De bodem op de Zonnebeekse heuvels is één en al klei. Waar er erosie kon ontstaan, is er sprake van zand, grind en keien. Goed voor bomen zoals de zomereik, de esdoorn of de wilde kastanje. Uitstekend voor heide, brem en biezen.
De lager gelegen gebieden en de heuvelruggen hebben echter een vruchtbare bodem waar leem en klei elkaar afwisselen. Hier duiken sporadisch de eerste landbouwexploitaties op. Midden in de bossen die propvol gevuld staan met beuken, eiken, hazelaars en essen. Enkele eeuwen voor het begin van onze tijdrekening vallen de Belgen (de Saksen), een oorlogzuchtig volk afkomstig uit Germanië (Duitsland), de lage landen binnen. Enkele tientallen Germaanse volksstammen komen zich vestigen in België en Nederland. In Vlaanderen zijn dat de Menapiërs, de Atrebaten en de Morinen.
De laaggelegen gebieden van de Westhoek worden nu bewoond door de Morinen, genoemd naar de vele moerassen of ‘moeren’ die verspreid zijn over onze streek. De hoogtelijn (40 à 50m) die vanuit de Leie oprijst ter hoogte van Zandvoorde en die verder golft naar Passendale en Klerken vormt niet alleen de waterscheidingslijn tussen de Leie en het Ijzerbekken. De laaggelegen gebieden zijn Morinisch territorium.
De heuvels van groot Zonnebeke vormen zowat de scheidingslijn – het spergebied – met het gebied van de Menapiërs. De Menapiërs leven niet meteen in de beste verstandhouding met de Morinen. Elk leeft meestal in zijn eigen gebieden. De Morini van de laaggelegen moerassen en de Menapiërs van de heuvels komen nu en dan met elkaar in conflict. Primaire en oorlogszuchtige twisten tussen rivaliserende volksstammen.
De elite van de Menapiërs leeft het liefst op de strategische versterkte heuvels van ondermeer het Hooghe en de Zandberg. De Morinen en Menapiërs bouwen geen steden, maar wonen in her en der verspreide hutten, midden in de talrijke wouden, op heuvelruggen en middenin moerassen. Het zijn harde, vrij grote (tot 1m60) korzelige, ruwe sterk gespierde mensen. Hun huid is wit. Ze bezitten heldere blauwe ogen en zijn voorzien van een snorbaard en blond-rosse haren. Hun hutten worden omwald door moten.
Er bestaat immers een panische angst voor overstromingen. Ze aanbidden Woden, de opper god die ze de god van het licht noemen. Maar er zijn andere goden: Thor, Niord, Frô, Tyr, Bragi, Heimdallr (de witte god), Balder, Widur, Vidar, Vali en andere. De Belgen geloven in de veelvermogende kracht van de Nekkers die zich in stromen, rivieren, beken en poelen ophouden. Het water en de onzichtbare geesten onder het wateroppervlak blijven tot de verbeelding spreken. In hun zoektocht naar de godheden vereren de oude Belgen de zon, de maan en het water.
Daarenboven hebben ze huisgoden die ze Runen noemen. Midden in het grote woud bevinden zich onder andere de Sterrebeek en de Hanebeek. Ze vloeien via de Steenbeek voorbij Merkem naar de vallei van de Ieperlee. Aan de andere kant van de heuvel stromen de beken rond de Reutel richting Leie. In het dichte kreupelhout krioelt het van de wilde zwijnen, herten, bruine beren, vossen, marters en eenden.
Het mooie liedje van de Oude Belgen is uitgezongen als de Romeinen met hun bevelhebber Caesar op gewelddadige manier de lage landen binnenvallen. De Morinen en Menapiërs leggen hun stammentwisten noodgedwongen bij en verenigen zich in hun strijd tegen de invallers. Samen brengen ze 32.000 man op de been waarvan zowat 1/5e Menapiërs.
Een kleine berekening leert ons dat er in die periode enkele tienduizenden Menapiërs leven in onze streek. Het lijkt er op dat de streek dunbevolkt is. Maar eigenlijk is de situatie vrij identiek met wat we op vandaag nog steeds kennen. In die tijd is er nog geen sprake van steden. Midden in de wouden leven er op zijn minst 25.000 Oude Belgen van de stam der Menapiërs. Een ontzaglijk aantal! De Oude Belgen van de moeraskant en van de heuvels zijn dappere krijgers.
De bosrijke omgeving met zijn ontelbare waterplassen en kreupelhout leent zich uitstekend voor een guerrillaoorlog tegen de sterk georganiseerde overmacht van getrainde Romeinse soldaten. Pas na enkele tientallen jaren leggen de inboorlingen zich neer bij de Romeinse overheersing. De Romeinen palmen onze gewesten in en vinden in de Westhoek het uitgestrekte ‘Thigabusca’. Het reusachtige woud, de Rumetra, reikt van de Kemmelberg tot in Roeselare.
Het is allemaal onderdeel geworden van het immense Romeinse rijk. Vestigen de Romeinen zich in Zonnebeke? Natuurlijk! In de wijde omgeving van Ieper zijn er aanvankelijk pas vanaf het jaar 1000 fysieke sporen van enige Romeinse bewoning terug te vinden. Elverdinge, Zuidschote. De Romeinse aanwezigheid lijkt zich meer te concentreren nabij Kortrijk (Coretoriaco) en in de Zonnebeekse achtertuin Wervik (Viroviacum) die dank zij hun ligging aan de Leie belangrijke vestigingsplaatsen betekenen voor de Romeinen.
Ook in het vlakbij gelegen Dadizele wordt een Romeinse aarden pot uit de grond gehaald. Liefst zeven kilo weegt de schat. Muntstukken uit de derde eeuw van onder andere de Romeinse keizers Postumus en Gallienus.
Een eerste echt teken van Romeins leven in Zonnebeke wordt gevonden in de jaren 60 als de Zonnebekenaar Prudent Rosselle in zijn tuin langs de Forreststraat een Romeinse munt uit de derde eeuw opgraaft met daarop de afbeelding van de Romeinse keizer Timesetheus. Er duiken ’terra sigillata’ op, scherven van Romeinse dakpannen in de nabijheid van de kerk. Ook op de plek waar de abdij zal worden gebouwd, duiken er sporen op.
Midden 2011 wordt bij de opruiming van een Duits soldatenkerkhof in Beselare een oude Gallo-Romeinse nederzetting uit de 2de eeuw ontdekt. Resten van waterkuilen, waterputten, silo’s, ijzerslakken en grafkuilen worden er aangetroffen. Ook verderop in Moorslede bulkt het van Romeinse sporen. Er bestaat een verbindingsweg tussen Kortrijk en Cassel (Castello Menapiorum).
Die oude Romeinse heirbaan (een weg voor het leger) loopt via Wervik langs de zuidelijke kant van de Ieperse nederzetting tot in Abele en Poperinge (Pupurningahem), waar de weg zich splitst met enerzijds de richting naar Cassel en anderzijds richting kust via Elverdinge (Alifrithingas) en Klerken (Clariaco). De Romeinen maken van Cassel hun belangrijkste centrum. Ze leggen de heirbaan ‘Via Belgica’ aan tussen Cassel en het oostelijk gelegen Keulen. Het wegdek van de nieuwe wegen bestaat uit stenen en keien. Steenstraten.
De Romeinse legioenen kunnen er zich snel verplaatsen. Ook de handelaars kunnen er gebruik van maken om hun waren tot diep in het binnenland te brengen. De heirbaan loopt voorbij Bellewaerde, de Zandberg, de Reutel (nu de Oude Wervikstraat), Beselare, Ter Hand, Moorsele verder via Kortrijk en Tongeren naar Keulen. Oude vestigingsplekken waar, met het verstrijken van de eeuwen, de Nonnenbossen en het kasteel van Beselare zullen verschijnen, sluiten zich met dreven en wegels aan op deze steenstraete.
De noordzuid verbinding, een heirbaan tussen Viroviacum en Brugge dwarst de bossen van het Hooghe passeert langs de Reutel (nu de Oude Kortrijkstraat) en Broodseinde richting Ter Hand. Het is geen toeval dat de (op sommige plekken 15 meter brede) Oude Kortrijkstraat de grens vormt tussen Geluveld en Zonnebeke. Dicht bij het Neringbos ligt de Ha(l)nebeke. Haar bron ligt dicht bij het moerassige gebied van de Aendepoel (ook wel Annewedde poel genoemd). Tussen het Aendepoelmoeras en het Neringbos stroomt de Alne.
Hier hebben generaties landbouwgezinnen in primitieve omstandigheden aan landbouw en veeteelt gedaan. Op diezelfde grond en in de onmiddellijke nabijheid van de nieuw aangelegde heirbanen en hun kruispunten bouwen de Romeinen houten wachttorens. Er komen al snel afspanningen en woningen bij. Er ontstaat een nieuwe, grotere landbouwexploitatie, een boerderij, een villa. Schapen, varkens en pluimvee vinden hun thuis aan de Annewedde poel, de bron van de Hanebeek waar pas later het klooster van de Nonnebossen zal ontstaan.
Dit is een fragment uit Boek 1 van De Kronieken van de Westhoek


