Aan Franse zijde lopen de militaire voorbereidingen bijzonder gesmeerd. De koning heeft de heilige banier (de auriflamme) van de abdij van Saint Denis bovengehaald en zal zelf aan het hoofd van de militaire expeditie staan. Hij heeft alle heren en ridders van zijn koninkrijk, zelfs die van de verst verwijderde provincies, gesommeerd om aanwezig te zijn Arras. Filips de Stoute eist van zijn onderdanen in Bourgondië goud en zilver om de schulden die hij aangaat voor deze oorlog te milderen. Lodewijk van Male brengt in naam van zijn graafschap Artesië en in aanwezigheid van alle Franse pairs een passend eerbetoon aan zijn koning. Hij heeft zijn financiële middelen zwaar aangesproken om een leger van 16.000 te laten marcheren onder de Artesische banieren.
Nu alle eenheden verzameld zijn, telt het leger van Karel VI maar liefst 80.000 manschappen. De hele Franse adel is ingegaan op het verzoek van de jonge koning en tekent present in Arras. Opmerkelijk is ook de aanwezigheid van hele benden ongedisciplineerde Bretoenen die op zoek zijn naar avontuur en goedkoop profijt. Filip van Artevelde is zich heel bewust van de machtsontplooiing van de Fransen. Hij blijf niet bij de pakken zitten. Hij laat Oudenaarde voor wat het waard is en trekt naar Brugge om zich ervan te verzekeren dat ze hem nog steeds trouw zijn. Van Brugge gaat het naar Ieper waar de ruwaard zeker ook zijn autoriteit moet zien te bewaren.
Hij beseft maar al te goed dat er in Ieper een harde kern zit die buitengewoon graafsgezind is. Het is een kleine minderheid. Maar hoe dan ook; ze wachten de gebeurtenissen af en ze speuren naar kansen om zich opnieuw openlijk achter Lodewijk van Male te scharen. De ruwaard vraagt de Ieperlingen om zich te verzamelen op de grote markt. Staand op een platform neemt Filip van Artevelde het woord. De man enthousiasmeert zijn aanhoorders. Hij spoort hen aan om aan zijn zijde te strijden tegen de vijand en vertelt over de vergeefse moeite van de Fransen om te proberen de Leie over te steken. Hij spoort de mensen aan om zich verder bij hem aan te sluiten. Maar hij stelt de zaken rooskleuriger voor dan ze zijn. Hij verbloemt de waarheid.
Dat de Engelsen de Vlamingen te hulp zullen komen in geval van nood, zal wel een leugen om bestwil zijn. Hij eindigt zijn emotionele toespraak met de woorden; “blijf trouw aan de eed die jullie gezworen hebben aan mezelf en aan de goede stad van Gent die zich zo veel opofferingen heeft getroost om de rechten en de vrijheden van de Vlaamse steden intact te houden.” “Diegene onder jullie die van plan zijn om met mij te strijden, vraag ik om nu de handen in de lucht te steken als jullie teken van loyauteit.”
De Ieperlingen zijn door het dolle heen. De handen gaan massaal in de lucht, een denderend applaus breekt los. Met zijn allen zweren ze liever sterven dan hun leider in de steek te laten. Het is een loze belofte, een blinde eed zoals de komende gebeurtenissen al snel zullen aantonen. Nadat hij Ieper achter zich heeft gelaten, reist van Artevelde naar Kortrijk. Ook hier moedigt hij het volk aan en krijgt hij volop signalen van trouw en toewijding.
Het leger dat Vlaanderen op poten wil zetten om de Fransen te bestrijden zal dus bestaan uit milities van Brugge, Gent, Ieper, het Vrije en van alle andere Vlaamse steden. Met uitzondering van Oudenaarde en Geraardsbergen. Er zitten zelfs een aantal Engelse boogschutters bij. Het grootste deel van het leger ligt nog steeds voor Oudenaarde. De Leie wordt vanaf nu goed in de gaten gehouden. Twee van zijn kapiteins worden met enkele duizenden mannen naar de belangrijke grensrivier gestuurd. Pieter Van den Bossche kampeert voor Komen en Pieter De Winter voor Waasten.
Alle andere oversteken zijn kapot gemaakt of waardeloos. Nergens is er een doorwaadbare plek beschikbaar waar een leger de rivier zou kunnen oversteken. De bewoners van het vlakke land (ten zuiden van de Leie) haasten zich om hun kuddes weg te drijven naar de rijke weiden van het Westkwartier, verder in veiligheid in de richting van Ieper.
De Fransen zijn in beweging gekomen. Van Arras gaat het richting Lens, Rijsel en Seclin. En dan naar de abdij van Marquette. Nu trekken ze naar Komen waar ze zullen proberen de Leie over te steken. Maar het enige wat ze vinden hier is een kapotte brug en Pieter Van den Bossche die hen aan de andere kant opwacht aan het hoofd van 10.000 man.
De Fransen lijken ietwat besluiteloos. Hoe moeten ze nu verder? Enkele jonge soldaten vinden een doorwaadbare plek op enige afstand van de brug en slagen er in de oversteek te maken. Ze worden gevolgd door een kleine divisie onder leiding van de hertog van Simpy. Bij het aanbreken van de avond staan ze al uitdagend klaar om de strijd aan te gaan met de Vlamingen. Pieter Van den Bossche vindt het aangewezen om de nacht af te wachten. De oevers van de Leie zullen vermoedelijk erg drassig zijn door de gietende regen. Het enthousiasme van zijn soldaten is door het ondermaatse weer al flink gezakt.
Als ze de volgende morgen bij het eerste ochtendkrieken de Fransen benaderen, stellen ze vast dat die verrassend genoeg goede vaste grond onder de voeten hebben. De vijand is beter bewapend en hun numerieke meerderheid biedt natuurlijk een immens voordeel. Pieter Van den Bossche geraakt gekwetst. Twee kwetsuren dan nog. Zijn soldaten willen eerst op de vlucht slaan maar dan komen ze beschaamd om hun eigen zwakheid toch terug met vernieuwde wil om hoe dan ook de overwinning te behalen. Tot er plots vanuit de rangen van het Franse leger een triomfantelijk geschreeuw losbarst! De bevelhebber van het Franse leger is er in geslaagd de brug te herstellen. Er werden planken en rieten netten aangebracht op de halfverwoeste pijlers.
Er wordt zelfs afval van wapenschilden gebruikt om de brug opnieuw functioneel te maken. De voorwacht is al bezig met de oversteek, gevolgd door de ridders van de graaf van Vlaanderen. Vanaf dat moment is het een ongelijke strijd voor het kleine Vlaamse legertje dat nu in de pan wordt gehakt. Komen, Wervik en Menen worden in de as gelegd. De bewoners worden afgeslacht. De brug bij Waasten wordt hersteld. Lodewijk van Male die de abdij van Marquette heeft verlaten, positioneert zich nu op de St.-Elooisberg, zowat één uur verwijderd van Ieper.
Vanaf dit ogenblik is het alleen maar plundering en verwoesting die de klok slaat. De Fransen maken een overvloed aan goud en zilver buit op hun strooptocht. Zo veel zelf dat ze kostbaar laken noodgedwongen moeten achterlaten voor de Bretoenen die er op hun beurt en met grote gretigheid hele karren van vol laden. De kostbare buit wordt via de Leie overgebracht naar Rijsel, Doornik en Douai waar ze voor een habbekrats verkocht worden aan de lokale inwoners.
Koning Karel VI heeft Jean de Vienne, “Amiral de France”, afgevaardigd om naar Ieper op de rukken waar een deel van de gevluchte troepen van Pieter Van den Bossche naartoe is gevlucht na hun nederlaag bij Komen. Er is nu sprake van een hergroepering bij de Vlamingen. Ze wagen zich aan een uitval tegen de Fransen maar dat blijkt een fatale vergissing. Ze worden zo hard aangepakt dat ze niets anders kunnen dan zich in allerijl terug te trekken binnen de stadsmuren nadat 300 man onder hen dood achterblijven op het slagveld. Of is het slachtveld?
De Ieperlingen zijn verschrikt. De daver op het lijf weet je wel. Wat nu? Er moeten dringend maatregelen genomen worden om erger te voorkomen. Het volk verzamelt zich voor de lakenhalle. De notabelen en de begoede inwoners die volgens de kroniekschrijvers altijd het meeste gezond verstand gebruikten (voor zover ze het durfden tonen), stellen voor om afgevaardigden toe te sturen naar de Franse koning. Om de Ieperse dankbetuigingen over te maken en om de sleutels van de stad te overhandigen.
Maar dat is niet naar de zin van Pieter Wancelaere, de kapitein die de Ieperlingen toegewezen hebben gekregen van Filip van Artevelde. “Onze stad is voldoende sterk” antwoordt hij. “We hebben voldoende voedsel om een langdurig beleg te doorstaan. En dat beleg komt er hoe dan ook. Ondertussen zal onze ruwaard aan het hoofd van zijn troepen de strijd aangaan met de Franse koning. Hij zal die strijd winnen en ons dan bevrijden”. Maar de Ieperlingen werpen hem voor de voeten dat noch Filip, noch die van Vlaanderen kans maken tegen het Franse leger zonder de hulp van de Engelsen die in de verste verte niet te zien zijn. De valse belofte van de ruwaard keert zich nu tegen zich.
De woordenwisseling tussen beide kampen wordt met het moment bitsiger. Ze geraken met elkaar slaags. Deze keer trekken de mistevreden Ieperlingen wel aan de langste koord. Kapitein Wancelaere wordt afgeslacht en de Ieperlingen verjagen de overgebleven Gentenaars buiten de stad. Ze vluchten in paniek naar hun leider Filip van Artevelde die zich op dat moment in Kortrijk bevindt. De Ieperlingen sturen twee Minderbroeders naar het Franse opperbevel en naar Karel VI. Er wordt ingegaan op de Ieperse vraag om onderhandelingen te starten. “Op voorwaarde dat die van Ieperse zijde zullen gevoerd worden door zijn 12 voornaamste burgers. Met inbegrip van de abt van Voormezele”.
Beide Minderbroeders komen terug naar Ieper en brengen er verslag uit van hun missie. De gevraagde delegatie wordt nu gekozen onder de notabelen van de hele stad. Ze vertrekt naar de Sint-Elooisberg waar de twaalf geknield en onderdanig de sleutels van hun stad aanbieden aan de Franse monarch en hem in naam van allen in Ieper zweren hem te gehoorzamen. “Sans nul moyen ni réservation”.
De overgave van de stad Ieper is natuurlijk een buitenkans voor de Fransen en voor de graaf. Karel VI aanvaardt dan ook de aangeboden overgave en trouw van de Ieperlingen. Wel te verstaan met de voorwaarde dat ze hem een ruime schadevergoeding van 60.000 frank betalen om de kosten van de oorlog te dekken. De monarch belooft nu om de Ieperlingen en hun eigendommen te respecteren en niemand meer binnen te laten binnen hun stadsmuren. De delegatie keert terug naar Ieper. De twaalf worden enthousiast onthaald door hun stadsgenoten die de schadevergoeding met de glimlach betalen. Het moet nu voor eens en voorgoed gedaan zijn met die tweespalt. Gedaan met al dat Gents gedoe. Vanaf nu zal Ieper een trouwe partner zijn van de koning van Frankrijk en van zijn graaf Lodewijk van Male.
Karel VI komt enkele dagen later volgens afspraak aan in de buurt van Ieper. Hij slaat zijn kamp op aan Zillebekevijver. Zijn soldaten blijven ongestoord oorlogsbuit binnen rijven. Tijdens één van de eerste nachten vertrekken ze van hun kamp en rijden ze onder leiding van de heer van Neuillac naar Poperinge die ze om een uur ’s nachts bereiken. Ze verrassen de wachtposten die zich van geen kwaad bewust zijn en absoluut geen aanval van de Fransen verwachten. De helft onder hen wordt gedood en de rest slaat op de vlucht.
Wat nu volgt is barbaars. De Franse ruiters galopperen dreigend en onheilspellend door de straten van Poperinge. Overal worden de deuren van de huizen ingebeukt. 4.000 bewoners (ja, vierduizend!) worden gedood. De juwelen van de vrouwen, zilverwerk, kostbaar laken en alles van waarde wordt geroofd. Tegen dageraad zijn de Fransen al terug bij Zillebekevijver waar ze gefeliciteerd worden door hun koning. Het nieuws van de slachting in Poperinge bereikt Kassel, Sint-Winoksbergen, Broekburg, Duinkerke en Belle. De toorn van de graaf dreigt ook hen te treffen. Ze sturen afgevaardigden naar Ieper om er vergiffenis af te smeken bij Lodewijk van Male.
Het prijskaartje voor het pardon van de graaf bedraagt gemiddeld 60.000 florijnen per stad. En er is nog een bijkomende eis. Alle Gentse kapiteins die zich in hun centra bevinden moeten geketend uitgeleverd worden aan de graaf waar ze, in opdracht van Karel VI, onmiddellijk zullen worden onthoofd. Waar is de tijd gebleven dat diezelfde kapiteins triomfantelijk werden onthaald?
Terwijl het hele Westkwartier zijn kar keert en de Fransen ongestoord de Leie zijn overgestoken, is van Artevelde naar Gent gereisd. Van hieruit vertrekt hij nu naar Brugge met leger van 10.000 mannen waar hij Pieter Van den Bossche en Pieters De Wintere als kapiteins van de stad installeert. De ruwaard spoort de bewoners aan om hevig weerstand te bieden tegen de Fransen. En dan gaat het opnieuw richting Oudenaarde waar hij een nieuw leger van 20.000 manschappen samenstelt. Samen met nog andere milities zullen ze nu de confrontatie aangaan met Karel VI. Aan Vlaamse zijde worden er nu zowat 50.000 à 60.000 soldaten geteld.
In Zillebeke vernemen ze dat een ontzaglijk Vlaams leger zich aan het verplaatsen is van Kortrijk naar Roeselare. Deze troepenbeweging zet ook de Fransen aan tot bewegen. Een Frans leger, vergezeld van 5.000 Ieperlingen, start nu een mars richting Vlamingen. Via Ieper bereiken de Fransen de streek van Westrozebeke. Ze kunnen de aanwezigheid van de Vlaamse troepen bijna letterlijk ruiken. In beide kampen worden koortsachtig de laatste voorbereidingen worden getroffen voor een confrontatie die nu niet meer lang op zich zal laten wachten.
Filip van Artevelde slaat zijn kamp op tussen de heuvel en de stad van Westrozebeke. Het lijkt een ideale locatie tussen een sloot en een bos en de berg staat vol met hagen zodat ze amper zichtbaar zijn voor de vijand. Beide legers zijn nu tot stilstand gekomen tegenover elkaar. Plaats van de ontmoeting is de Goudberg, op vrij korte afstand van de Graventafelstraat in Passendale. Het is al laat in het jaar om nu nog oorlog te voeren. December is in aantocht. Het is koud en het regent voortdurend. Hartje winter. Dat is ook te zien die woensdagmorgen 27 november 1382. Er hangt een dichte mist over de twee kampen. Precies erwtensoep waar beide partijen geen meter voor zich uit kunnen zien. Rond acht uur stellen de Vlamingen zich in gevechtspositie op aan de Goudberg. Een eerste aanval van de Fransen wordt met succes teruggeslagen. Hier en daar wordt er al gelachen en gejuicht.
Er volgt een nieuwe aanval waarbij de hertogen van Berry en Bourbon de Vlamingen bestoken vanuit de twee zijden in een poging om ze in te sluiten. De flanken van de Vlamingen zijn niet beschermd De Franse ridders onder leiding van hun bevelhebber Olivier de Clisson beuken in als gekken. Met hun aanzienlijke lansen en speren en zaaien ze wanorde en paniek en brengen ze zware verliezen aan bij de troepen van Filip van Artevelde.
De achterhoede slaat op de vlucht. Er zit voor de hoofdmacht niets anders op om zich in een cirkel op te stellen en te vechten tot het bittere einde. Van Artevelde probeert wanhopig zijn manschappen te hergroeperen maar raakt daarbij door zijn eigen mannen vertrappeld ergens aan de voet van de Keyaertsberg (de Keiberg) te Staden. De vertwijfelde ruwaard doet wat hij kan maar strategisch heeft hij natuurlijk geblunderd door de strijd aan te gaan zonder de flanken van zijn leger afdoend te beschermen.
De strijd is verloren nog voor ze amper begonnen is. Het gevecht gaat de hele godse dag door. Als de avond valt is het doek gevallen over de Vlamingen. Er blijven 25.000 dode mannen achter op het slagveld van Westrozebeke. Al met al een roemloos einde voor de illustere Filip van Artevelde die zelf nooit in staat was om te vechten tegen zijn Franse opponenten. Velen slaan op de vlucht. Vooral de Gentenaars leveren nog een hele reeks moedige maar vruchteloze achterhoedegevechten op de weg terug naar hun thuisstad. Maar de Fransen achtervolgen iedereen en komen uiteindelijk aan in Kortrijk. De aanblik van de gulden sporen van de veldslag aan de Groeningebeek, 80 jaar geleden, en nu nog steeds ostentatief opgehangen in de Onze-Lieve-Vrouwkerk, ergert hen mateloos. Die Franse colère zorgt er voor dat Kortrijk overgeleverd wordt aan de vlammen. Vrouwen en kinderen worden opgepakt en kunnen enkel naar huis terugkeren nadat hun families het nodige losgeld betalen.
Als het desastreuze nieuws van de zware nederlaag Brugge bereikt, sturen de Bruggelingen een delegatie naar de koning in de hoop om zijn woede en vooral wraak te vermijden. Ze krijgen de gevraagde vrede. Maar de voorwaarden ervoor zijn hard. Gent is nu helemaal achtergelaten door de rest van Vlaanderen. Maar de Gentenaars willen zich absoluut niet vernederen tegenover de Franse monarchie. Ze openen de stadspoorten voor iedereen die getroffen werd door de Fransen en voor hun heldhaftige François Ackerman die nu aangesteld wordt al waardige opvolger van de overleden Filip van Artevelde.
Dit is een fragment uit Boek 4 van De Kronieken van de Westhoek


