banner
apr 12, 2025
173 Views
Reacties uitgeschakeld voor Brandstichting in Ieper

Brandstichting in Ieper

Written by
banner

Om één of andere reden komt het tot een conflict tussen een vrije ridder en een ridder die met één van die nichtjes van Bertulf is getrouwd. Die laatste eist een duel met de graaf als voornaamste getuige. De vrije ridder weigert hierop in te gaan en doet dat op een erg grove manier. Zijn uitdager is door zijn huwelijk met een niet-vrije vrouw zelf toegetreden tot deze onvrije status en dus voelt hij zich niet aangesproken om van man tot man te vechten. Dat kan enkel tussen echte ridders.

Karel de Goede moet erg verveeld zitten met de situatie waar hij ongewild in terecht is gekomen. Proost Bertulf en zijn clan gaan geen inspanningen uit de weg om zich tot vrije mensen op te werken en zich los te wrikken uit hun dienende functie. Aan de andere kant zwaait de oude landadel met papieren en met rapporten dat die hele Brugse familie er zonder enige twijfel een is van lijfeigenen.
De hele kwestie sluimert al geruime tijd als een woekerend gezwel door het land en is plots door de kwestie van het duel brutaal opengebarsten. De graaf probeert zijn proost er op te wijzen dat de oude ridders wel een punt hebben maar Bertulf houdt voet bij stuk. In realiteit bezitten hij en zijn achterban van neven en familie al een hele tijd de werkelijke macht in Vlaanderen. ‘Laat de graaf maar brood en kleren uitdelen’, moeten ze gedacht hebben, ‘ondertussen zullen wij wel de lakens uitdelen’.

Na de graaf is Bertulf de machtigste man van het land en dat laat hij duidelijk voelen. Op arrogante wijze eist hij een vrije status op voor zijn hele familie. ‘Ascendans et descendans’. Zijn afstammelingen en verwanten moeten dit recht krijgen op basis van hun voorgeschiedenis met de vorige graven die hen in de praktijk de hele tijd door hebben behandeld als vrije mensen. Het gaat er brutaal en gemeen aan toe. ‘Zonder de goodwill van Bertulf zou Karel het niet eens tot graaf geschopt hebben. En nu zou die nieuwbakken halvegare hen willen terugduwen in een slaafse toestand?’ De argumentatie van de oude adel is nochtans erg helder. Er bestaan geen redenen en zeker al geen precedenten om dat volk van ondergeschikten zomaar als vrije mensen te erkennen.

Zonder dat hij het echt wil, is de nederige graaf terecht gekomen in een patstelling tussen de clan van een ongehoorzame proost en zijn traditionele adellijke achterban. Er gebeurt dus niets. Geen promotie voor Bertulf. En dat is helemaal niet naar de zin van de hooghartige proost die halsstarrig weigert om openlijk gedwongen te worden in een officiële slaafse status ten opzicht van de graaf.

De wrok moet erg diep zitten. Hoe anders kan je het smerig complot verklaren dat zich in de geesten van Bertulf, Bosschaert en de rest aan het ontvouwen is. Ze zweren onder elkaar dat de graaf moet boeten voor deze ultieme vernedering en dat ze hem te gepasten tijde zelf om het leven zullen brengen. Het is nu alleen maar wachten op een gepast tijdstip en een perfecte locatie om hun perverse plan tot uitvoer te brengen.

Ik krijg te maken met een zekere Tancmaar van Straeten die een belangrijke functie bekleedt aan het hof van Karel de Goede en die met stilzwijgende goedkeuring van de graaf de goederen en eigendommen van de Erembalden wil aanslaan. Zo ver is het dus al gekomen. De proost zelf lacht in zijn baard, want de acties van Tancmaar bieden voorwaar een uitstekend alibi om de geplande aanslag te rechtvaardigen. Er wordt gezwaaid met geld en macht. De neven van Bertulf roepen op om in actie te treden en hun rechten te verdedigen. Nogal wat jonge edelen zien opportuniteiten voor zichzelf kiezen hierdoor de kant van de kanselier. Ze trekken er gewapend op uit om de agressor een lesje te leren.

Er volgt een aanval op de woning van Tancmaar. Een krachtige belegering. De grachten worden overgestoken, de poorten verbrijzeld. De versterkingen worden aan stukken geslagen. Tancmaar is er zelf niet aanwezig en dat is maar best ook.

Galbert heeft het uitgebreid over de gevolgen van de inval. Aan beide kanten vallen er een groot aantal doden en gewonden te betreuren. De proost geeft opdracht aan de timmerlieden die in een naburig klooster aan het werk zijn om de resten van de Tancmaars bezit met de grond gelijk te maken. Er wordt op zoek gegaan naar voldoende hakbijlen om de klus te klaren.

Ik krijg een idee voorgeschoteld van de omvang van het leger van de Erembalden die aan de actie heeft deelgenomen. Vijfhonderd ridders en een onbekend aantal gewapende mannen die het te voet moeten doen. Ze worden achteraf uitgenodigd in het klooster om er uit te blazen bij de nodige innerlijke versterkingen. De Erembalden voelen zich in een prima stemming met hun overwinning en zwaaien met geld naar hun medestanders om die aan zich te binden en zo hun machtspositie in Vlaanderen verder te consolideren.

De hele bende vindt er niets beter op dan nu op plundertocht te trekken. Met de nodige geestrijke drank op is het hek nu helemaal van de dam. De lokale boeren zullen het wel geweten hebben. De koeien en het vee van de pachters worden afgemaakt. De neven van de proost tonen zich van hun beste zijde. Eersteklas crapuul dat al de bezittingen van het arme landvolk rooft en die daarbij het nodige geweld niet schuwt. Waar de vernielingen zich precies afspelen in Vlaanderen, laat Galbert in het midden. Hij geeft wel aan dat de graven van Vlaanderen nooit voordien dergelijke grootschalige vernielingen hebben meegemaakt op hun landgebied. Verschrikkelijke gewelddaden die leiden tot een nooit gezien bloedbad.

De graaf zelf bevindt zich op het moment van de feiten in Ieper. Tweehonderd boeren haasten zich tijdens het donker van de nacht om zich eerst voor zijn voeten te gooien en hem daarna om hulp te smeken. De plundertochten moeten zich dus in de Westhoek hebben afgespeeld. Kan hij het niet regelen dat ze hun bezittingen, hun vee, hun kleren en hun zilverstukken kunnen terugkrijgen? En natuurlijk ook hun meubelen en de huisraad die ze zijn kwijtgespeeld tijdens de raid van de Erembalden.

Karel is gepakt bij het horen van hun verhalen en voelt zich verbitterd als hij hoort wat de familie van zijn eigenste kanselier bij zijn landgenoten heeft aangericht. ‘Hoe kan ik dit onrecht ongedaan maken?’, vraagt hij aan de troosteloze boeren.

‘Steek de woning van die Bosschaert dan toch in brand’ wordt er geopperd. Hij is de aanstoker van deze gewelddaden. ‘Het bastion van de man is een roversnest van waaruit al die gruwel vandaan komt.’ Zo braaf en goed blijkt de graaf dus toch niet te zijn, want hij sluit zich aan bij de wraakgevoelens van de wanhopige boeren. Er blijft geen steen meer overeind van die woning van neef Bosschaert. De Erembalden zullen voortaan met hun neus op de feiten gedrukt worden dat ze in feite doodgewone horigen zijn en dat ze zich geen illusies hoeven te maken dat ze ooit tot de echte adel van dit land zullen behoren.

Dit is een fragment uit Boek 5 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

PS: In ‘De Grote Kroniek van Ieper’ preciseert men dat de bewuste woning van Bosschaert het Drietorenkasteel was aan de Meers te Ieper. Recent werden hier de grondvesten van aangetroffen bij een archeologisch onderzoek. Lees wat er neergeschreven staat;

Zaterdag 1 januari 1127. Graaf Karel de Goede kwam naar Ieper en hij liet er het kasteel van de Meers in brand steken, waar Boudewijn Vanderstraeten zijn verblijf hield. Deze eerste versterking bevond zich op het punt van een eiland dat gevormd was door de Ieperlee en werd gebouwd in 902 door Boudewijn de Kale, de 2e graaf van Vlaanderen.

Article Categories:
fragment uit deel 5
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.