4 augustus 1583. Het is de Walen menens met hun beleg. We hebben hier heel lang voor gevreesd en nu is het plots realiteit. De nieuwsgierigheid van gisteren heeft plaats gemaakt voor een knagend gevoel dat er nu toch wel groot onheil boven onze hoofden hangt. Het is een heldere morgen en we kunnen de belegeraars perfect zien in de verte. Het merendeel ervan bevindt zich in de zone tussen de Boezingestraat en de Komenstraat.
Maar over de grote vesten bij ‘Drie Meulens’ liggen er toch ook wel veel. Duitsers en de Walen houden de Pille en de overdracht bezet. Vanuit de watermolen wordt er met musketten op de stad gevuurd. Ons zwaar geschut richting Pille schijnt hen niet echt veel te deren. De vijand wordt er al voor een eerste keer afgelost. Twee molens zijn wel al in brand geschoten door het stadsgeschut. Diegene op de Zonnebekestraat bij het Schuttershof en de andere bij het Sint-Janskerkhof.
5 augustus 1583. De Tempelpoort wordt voorzichtig opengesteld om enkele poorters en soldaten naar buiten te laten. Een zoektocht naar vruchten in de dichte omgeving van de stad. Ons paardenvolk waagt zich op de weg naar Waasten, tot bij de versterking op de steenweg waar ze af te rekenen krijgen met een of andere tegenslag. Meer kan ik niet vertellen. Al van heel vroeg in de morgen krijgen we het bedenkelijke nieuws dat het leger van Alexander Farnese gesignaleerd werd aan het Wieltje.
Rond de middag stuurt de prins van Parma een trompetter in onze richting. Een boodschap van de Spanjaarden, ik kan me inbeelden dat ze ons vragen om Ieper over te geven. Ons stadsbestuur wil niet eens luisteren naar wat de boodschapper te vertellen heeft, ons antwoord is klaar en duidelijk: vijf of zes schoten achter de man zijn gat. Die worden afgevuurd vanaf het bolwerk aan de Diksmuidepoort.
6 augustus 1583. Zaterdag. De Walen houden zich gedeisd, rond 14u gaat de Tempelpoort weer even open. De poorters mogen even naar buiten om vruchten te oogsten. Best gevaarlijk vind ik en mijn woorden staan nog niet eens op papier als de vijand plots opduikt aan de Capucienenstraat. Het komt tot hevige schermutselingen op de paardenmarkt, onze soldaten slagen er gelukkig in om de meeste burgers in veiligheid te brengen. Maar diezelfde dag klinkt de poortklok met de boodschap dat de vijand zich nu al tot tegen de stadsmuren waagt. Op zondag blijven de poorten dicht. Bevel van de overheid. De vijand beschiet ons vanaf de watermolen en de Pille. Musketten die onze mannen met grof geschut beantwoorden.
Maandag 8 augustus 1583. De Tempelpoort gaat weer open. De koeien en paarden mogen even grazen op de galgenweide. Hier in de stad is er gewoonweg te weinig eten voor die beesten. Een bondel hooi kost al drie pond. Koren, boter en kaas zijn fortuinen waard. Terwijl de beschietingen hun gang gaan betrekken de Walen een nieuw kwartier. Aan het Lavendelhof waar ze rond 18u met vlaggen en trommels intrekken. En ook vandaag wordt hier en daar geschermutseld met soldaten vanuit onze stad.
Dinsdag 9 augustus 1583. Tot 16u blijft het verdacht stil. Dan staan de Walen plots met paardenvolk en voetvolk aan onze paardenmarkt. Er volgen hevige gevechten met enkele doden en gewonden. Rond 21u vallen de katholieken het bolwerk aan de buitenzijde van de Diksmuidepoort aan. Dat bastion wordt zo goed en zo kwaad mogelijk verdedigd door een mix van burgers en soldaten.
De aanval blijkt een schijnmanoeuvre. Terwijl iedereen zich focust op de gevechten aan het bolwerk zijn de Walen stilletjes opgerukt tot net buiten de Boezingepoort die ze op subtiele manier in brand steken zodat er nu natuurlijk een algemeen alarm over de hele stad afgaat. Al de beschikbare mannen moeten zich onmiddellijk naar de vestigingsmuren haasten. De aanval duurt zeker tot middernacht. Onze burgers krijgen kruit en lood en verweren zich zoals het hoort zodat de vijand eigenlijk meer schade oploopt dan onze stad zelf. Rond 24u houden de belegeraars het voor bekeken en kunnen de poorters weer hun bed gaan opzoeken. Ik vrees dat er nog veel slapeloze nachten zullen volgen.
10 augustus 1583. 4u in de morgen. We krijgen versterking. Onder de Mesenpoort rijden De Schotten binnen, samen met volk van kapitein Costere en kapitein Brand. De extra soldaten werden door Marquette opgeëist in Brugge. Er worden daar vijf vendels gelicht die nu op komst zijn met driehonderd paarden. De ruiters blijven veiligheidshalve in Torhout terwijl het voetvolk verder marcheert richting Ieper.
Via Roeselare en Beselare gaat het naar de Nonnenbossen waar ze afgesproken waren met die Schotten, maar die bleken al verder gestapt tot in Ieper. Zo blijven daar in Zonnebeke tweehonderd soldaten bivakkeren, uiteindelijk raken ze toch in Ieper en bij de lakenhalle krijgen ze eten en drinken. Kapitein Brand is meegekomen naar hier terwijl Costere ziek achtergebleven is in Damme.
11 augustus 1583. De katholieke huizen krijgen Schotten te logeren. Calvinisten en roomsgezinden onder één dak is vragen om problemen. Hier en daar komt er ook groot geweld van. Veel eigenaars zijn ondertussen al wel wat gewoon. In zo’n dure tijden kan elk centje helpen. Na één dag lopen de bevoorraders samen met enkele mensen van de wet langs om de toestand te evalueren. Dat de katholieken nu plots moeten instaan voor andersgezinden heeft veel te maken met de wetenschap dat er veel huizen zijn waar de pest al binnen zit. Hier kunnen de soldaten onmogelijk verblijven.
Het gezicht van de belegering verandert de volgende dagen niet wezenlijk. Hier en daar een aanvaring. Zo wordt de zoon van meneer van Leeuwenberge die luitenant is in het vendel van kapitein Dupres tijdens een gevecht in de dij geschoten. Twee dagen later, de 16de sterft de man aan zijn verwondingen. Net buiten de Tempelpoort komt het tot een ernstige aanvaring tussen ruiters van beide kampen en het moet gezegd worden: het zijn onze mannen die moeten wijken.
15 augustus 1583. Maandag. Omsingeld of niet, ons stadsbestuur ziet er geen graten in om weer een deel weerloze mensen uit Ieper weg te sturen. De straten worden al van in de vroege morgen afgezet. Schamele gezinnen met hun kinderen, wat kunnen ze anders dan gehoorzamen? ‘Buiten’. Hoe hardvochtig kan je als burgemeester zijn om dergelijke maatregel te nemen? En dat veel poorters die maatregel stiekem steunen kan er bij mij niet in.
Het dierlijk instinct van ‘elk voor zich’ maakt me mistroostig. En het ergste van dat allemaal is dan nog dat die arme gezinnen niet eens verder kunnen trekken door de blokkade van de Walen. Ze blijven noodgedwongen buiten de poorten liggen waar ze vergaan van de angst en de armoede. Een van die drommels is zodanig wanhopig dat hij zich verdrinkt in het water van de vestingen.
16 augustus 1583. Een tamboerijn van de Walen brengt een boterbriefje van de vijand nader. Of er eens kan gepraat worden? De oorlog zal even voor één uurtje stilgelegd worden. Aan de Boezingepoort stapt gouverneur Marquette, geflankeerd door enkele kapiteinen van de Schotten via de loopschans over de vestingen naar buiten. Enkele van onze soldaten schudden de handen van een paar Walen alsof er geen vuiltje aan de lucht is.
De Walen vertellen Marquette dat ze niet van plan zijn om te vertrekken en onze gouverneur zegt daarop dat hij niet van plan is om de stad uit handen te geven. Daarmee is alles in één keer gezegd, het bestand is meteen afgelopen, elk keert terug naar zijn mannen en de belegering kan weer worden verdergezet.
17 augustus 1583. Voor het bezant wordt de ladder rechtgezet. Rond 9u. Zowat dertig ruiters mennen hun roestbruine paarden tot aan de markt. Het zijn mannen van Schakels’ compagnie die opgeëist werden om de veiligheid te verzorgen bij de executie van één van de Schotten, een zekere ‘Scotsman Hans’ die verbleef in het huis van de weduwe Troupers. De beklaagde moet betrokken geweest zijn bij de moord op de kolonel van Menen toen die door de Schotten werd belaagd. Zijn opknoping duurt niet lang. Moord is moord, zo eenvoudig is het in onze tijd. Zijn dode lichaam blijft nog zes uur hangen voor het weggehaald wordt en deze Hans ter aarde besteld wordt.
18 augustus 1583. Een nieuwe time-out in het beleg. Een staakt-het-vuren van twee uur. En als dat afgelopen is geeft de klok op de lakenhalle aan dat we verwacht worden op de markt. De voogd heeft wat te vertellen. Enfin, het gaat er wel wat formeler aan toe. We zijn met velen afgezakt, de klok heeft een half uur lawaai gemaakt en dat toont toch wel aan dat het menens is. De schepenen tekenen allemaal present, net zoals de griffier en de baljuw en de voogd natuurlijk. Het is verdorie al een hele tijd geleden dat de roedestok nog van de partij was, maar vandaag zwaait onze griffier vervaarlijk met het bewuste kleinood.
Terwijl hij ondertussen zijn grote boodschap declameert. De staten hebben besloten om een grote devaluatie van de munt door te voeren. ‘Het geld zal verhogen’, schreeuwt hij uit en om dat plan te realiseren worden de burgers verplicht hun geld binnen te brengen om dan achteraf hun nieuwe valuta te krijgen. Het komt neer op een ontwaarding van minstens twintig percent. Buiten wat mompelen blijft het stil in de massa. De meesten van ons maken de bedenking dat de waarde van het geld hen gestolen kan worden want er is amper nog iets om het aan uit te geven.
19 augustus 1583. De Spaansgezinden hebben er een nieuw bolwerk bij. Het werd opgetrokken aan Hoge Zieken. Ieper raakt nog meer in de wurggreep. Het Italiaans leger lag aanvankelijk tussen Hoge Zieken en de Langemarkstraat. Het grof geschut van onze stadsmuren slaagde er toch nog in om hun linie te raken waardoor hun hutten verbrandden. Met dat bolwerk erbij kan het Italiaans leger nu een nieuwe positie innemen.
Ze vertrekken met driehonderd wagens naar het kruis buiten de Mesenpoort waar ze hun tenten en hutten opslaan. De Duitsers bezetten de kant achter de drie molenhoeves, de Spanjaarden houden Reigersburg, de Walen dus Hoge Zieken en de Albanezen houden zich bij Rozekensmolen. Ieper zit netjes gevangen door zes legers. Het voelt verschrikkelijk aan.
En alsof het nog niet allemaal zorgwekkend genoeg is vernemen we vandaag dat Sint-Winoksbergen zich overgegeven heeft aan de genade van de Spaanse koning. Ze hebben een goede deal gesloten waardoor de inwoners daar veilig en wel zijn. De Ieperlingen zitten nog gevangen. De prins van Parma stuurt wel elke dag een boodschapper met de vraag of wij ons ook niet zouden willen overgeven en dat er ook voor ons een veilige horizon is. Geloof me, de burgers zouden niets liever willen. Ik heb het dan natuurlijk over de katholieken. Het antwoord van de calvinisten ziet er natuurlijk anders uit.
Ze hebben kruit en lood genoeg en zouden liever sterven dan zich over te geven. De prijs van de voeding swingt verder de pan uit. Boter, kaas, koren, noem maar op, ik geef jullie de detailprijzen niet maar geloof me: dat hebben we nog nooit meegemaakt. De woekerprijzen vallen natuurlijk extra zwaar omdat de burgers wel moeten zorgen voor eten op tafel voor al die nieuwe Schotse soldaten die Ieper proberen te beveiligen tegen de Spaanse buitenwereld. En ook de pest blijft maar toenemen.
Zondag 20 augustus 1583. De Walen blijven aan de rustige kant vandaag. Een mooie zondag voor wie er kan van genieten. Lodewijk Bouteman uit de Recollettenstraat beslist om eens een wandeling te maken langs de vestingen. Hij is in het gezelschap van vrouw en kinderen, de jongste spruit zit in papa’s nek. De kleine moet het waarlijk fantastisch vinden, schatert het uit van de lol tot papa Lodewijk rond 14u ter hoogte van het bolwerk van de grauwe broeders een projectiel in zijn voorhoofd gekatapulteerd krijgt.
Een stuk lood dat wel twee vingers diep in zijn schedel doordringt en daar blijft steken. Vader en zoon tuimelen neer, de peuter krabbelt recht en huilt er op los. Zijn pa doet dat helaas niet meer. De arme man heeft nog maximum twaalf uur te leven. Veel zal het gezin van Bouteman er niet meer aan hebben dat de soldaten de schutter doodschieten en van zijn bezittingen beroven.
Dit is een fragment uit Boek 8 van De Kronieken van de Westhoek


