13 juli 1647. Na een beleg van acht dagen geeft Diksmuide zich over. De bevelhebber van de Fransen laat de stad direct versterken, een reden te meer om de kasselrij van Veurne af te lopen om overal bomen te kappen die ze nodig hebben voor de palissaden van hun nieuwe verovering. De natuurschade is aanzienlijk. Vooral langs de Ijzer. Ze gebruiken de rivier om de boomstammen mee te voeren. De vijanden vellen het meeste deel van de bomen langs het water, tot over de parochie van Stavele en terwijl ze daar toch aan het werk zijn laten ze goederen die ze potentieel kunnen gebruiken zeker niet liggen.
Rond die tijd woedt er ter hoogte van La Bassée een felle strijd tussen de Fransen en de Spanjaarden. Maarschalk de Rantsau beslist na 16 dagen om nu over te gaan tot de belegering van Nieuwpoort. Op 29 juli 1647 kampeert zijn leger rond de havenstad. De Fransen nemen vervolgens de schans van Duivelshoorn te Sint-Joris, gevolgd door het fort van Nieuwendamme.
De Spanjaarden van hun kant voorzien Nieuwpoort van extra veel volk. De Rantsau krijgt het bericht dat zijn collega in La Bassée tot de overgave werd gedwongen waarop hij zijn aanvallen op de muren van Nieuwpoort staakt. Zijn troepen verhuizen nu via de Ijzer, op het traject tussen Duivelshoorn en Schoorbakke. De maarschalk geeft tevens de opdracht om de Duivelshoorn-schans en het fort van Nieuwendamme te slopen. De landlieden slaan ijlings op de vlucht en laten hun verlaten woningen natuurlijk over aan de willekeur van de soldaten.
De schade is niet te overzien. De vijandelijke ruiters snijden de onrijpe granen af voor hun paarden, en ze dorsen alle tarwe die nu al rijp is. Toch blijft hun aanwezigheid slechts beperkt tot enkele dagen want op 2 augustus is er al sprake van hun vertrek. De buitenmensen keren allengskens terug naar hun huizen om verder te werken met het inhalen van de oogsten, maar door het gedurig heen en weer trekken van de Fransen die hun weg nemen door de kasselrij ondervinden ze daarbij grote hinder.
September 1647. Terwijl de Fransen van maarschalk De Gassion de stad Lens belegeren laten de Spanjaarden zich evenmin onbetuigd. Op de 29ste arriveert markies de Fondrati met 3.000 mannen om Diksmuide te komen ontzetten. Hij maakt zich al terstond meester van de Hogebrug en de nabijgelegen halve maan. Zijn collega, markies de Caracena blokkeert ondertussen met zijn eigen legerkorps de toegangswegen naar de stad. De Fransen zitten door dat manoeuvre met hun garnizoen van 3.060 mannen opgesloten en vragen nu natuurlijk om hulp.
Maarschalk de Rantsau is zo te zien de aangewezen persoon. Op 11 oktober slaan hij en zijn 15.000 soldaten hun kamp neer te Lo. Twee dagen later verhuizen ze naar de Knokke, maar het blijkt al snel dat ze via deze route Diksmuide nooit zullen kunnen ontzetten, vandaar ook zijn beslissing om al na twee dagen terug te keren naar Lo. Het is enkel maar gissen waarom de Fransen op de 16de al beslissen om Diksmuide in de handen van de Spanjaarden uit te leveren. De stad zal vermoedelijk van onvoldoende strategisch belang zijn om er een hevige confrontatie en veel mensenlevens aan op te offeren.
Tijdens hun belegering van Diksmuide strippen ze als het ware het hele Blootte. Daarbij maken de soldaten alle huizen in de streek zowat gelijk met de grond. Ook het Houtland ondergaat een gelijkaardig scenario. Dat omvangrijk Frans leger te Lo is al net zo schadelijk voor mens, dier, oogsten en eigendommen. Als 15.000 vreemde snuiters aan het plunderen slaan, dan zal je dat wel geweten hebben. Er moet vermoedelijk geen enkele landman in heel Veurne-Ambacht zijn die het nog aandurft om in zijn huis te blijven.
De buitenmensen vluchten naar besloten steden of concentreren zich op enkele parochies waar ze zelf wachten organiseren maar hoe dan ook in de penarie zitten en het riskeren om op elk moment van de dag of de nacht hun goed te verliezen. Het is amper te beschrijven welke armoede al die verwoestingen met zich meebrengen voor de inwoners van de kasselrij. De oogsten worden vervreemd, het meeste vee weggedreven terwijl de mensen en in het bijzonder de vrouwen uiterst kwalijk behandeld worden.
Nadat de Spanjaarden hun posities enkele dagen hebben aangehouden voor en rond Diksmuide en ze de stad van alles voorzien hebben, trekken ze weer naar andere oorden. Het Frans leger blijft nog ter plekke in Lo tot de 3de november van 1647, wanneer het regenachtig en koud weer het garnizoen verplicht om te vertrekken. Het signaal voor de weggebleven landlieden om nu eindelijk het thuisfront op te zoeken. Ze vinden er alleen maar lege schuren en daardoor moet hun vee de hele winter buiten blijven staan, in de weiden waar het gras in overvloed teert.
Het arm volk moet echter niet denken van eindelijk eens met rust gelaten te worden. Groepjes Spaanse huurlingen zwerven op en af door de kasselrij en ze zorgen op hun vertrouwde manier wel weer voor dat ze nemen wat ze vinden, overlast of hoe kan je hun praktijken anders catalogeren? En ze zijn dan nog niet de enigen die zorgen voor eindeloze ellende. De soldaten krijgen nog het kwalijk gezelschap van allerhande slecht volk, schelmen en staatschenders die nog meest van al kwaad aanrichten. Ze houden zich meestal op in de omgeving van de bossen bij de Moeren.
In tijden van nood zorgen ze dat ze er rap de plaat kunnen poetsen. De plek blijkt uiterst geschikt voor de schoelies. Want van zodra de Moeren vol water lopen, vloeien de meersen over waardoor de nietsnutten zich met bootjes kunnen verschansen tussen het riet. Bij het minste onraad varen ze verder dieper de Moeren in, langs de grachten tussen het hoog riet tot ze buiten het zicht van hun vervolgers zijn. Ze maken zich daarmee baas over de diepe Moeren. Veel mensen en voorbijreizende lieden die door de schelmen gekidnapt worden belanden hier op verborgen plekken tussen het riet. De sukkelaars ondergaan er de meest extreme pijnigingen en folteringen tot het crapuul de grote sommen bekomt welke ze opeist.
Een bende van zeven rovers vindt er niets beter op dan zijn verblijf te kiezen op de zoldering van de kerk in de Moeren. Ze slepen er hun gevangenen naartoe, op de gewelven van de bewuste kerk waar ze hen dan twee à drie dagen zonder eten of drinken laten zitten. Dat de Moeren vol water staan zal de gevangenen niet helpen om hun dorst te lessen vermits het water hier uit de zee komt en dus absoluut ondrinkbaar is.
Al die dagen zwerven de kwaaddoeners dan door de streek op zoek naar nieuwe gijzelaars en extra buit. En wanneer ze dan eindelijk terugkeren mogen hun hongerlijdende gevangen verder op hun kin kloppen. Tot ze uiteindelijk met geld over de brug komen. Dat zijn een beetje de verderfelijke en ongeoorloofde praktijken die ze toepassen in die winter van 1647-1648.
Tijdens de decembermaand arriveren de schelmen met hun bootje aan de kerk van de Moeren na een rooftocht in de streek. Ze ontschepen hun buit en knopen hun boot vast aan de steeger van de gewelven van hun kerk. Maar ’s nachts krijgen ze onverwacht te maken met een zware noordwesterstorm die hun sloep losrukt van de rand waardoor die wegdrijft op het water van de Moeren. De rovers hebben er de hele nacht gerust zonder te beseffen dat ze de volgende ochtend met een probleem zullen ontwaken.
Wanneer ze willen vertrekken stellen ze tot hun ontzetting vast dat hun boot verdwenen is en zijn ze dus wel verplicht om op hun ‘eiland’ te blijven. Hun voorraad aan proviand is niet bepaald groot zodat ze niet lang kunnen wachten om hun probleem kenbaar te maken. Roepen en schieten in de lucht, een geluid van alle duivels dat wel een beetje bij hen past. Ze hopen vooral om bevrijd te worden door enkele vissers die met hun schuiten door de Moeren varen. Maar die zitten met de schrik dat de rovers wel eens hun schepen in beslag zouden durven nemen.
En bovendien beseffen ze natuurlijk wel dat de inwoners beter af zijn als ze die schurken netjes ter plekke laten. Het resultaat is dan ook wel ontnuchterend. Ze laten de rovers droogjes aan hun lot over, tot ze zullen verhongeren en van de honger gaan sterven. Of die mannen dan al dan niet gijzelaars bij zich hadden interesseert Pauwel niet.
Feit is wel dat de vissers onder de leiding van Joos Leeuw van Ghyvelde na enige tijd – drie weken – niet langer geruchten horen vanuit de kerk en nu durven ze zich eindelijk te wagen om naar Moerkerke te varen. Ze vinden er de nietsnutten op de gewelven van de kerk, zo dood als pieren, ontkleden de lijken, plunderen wat ze er aantreffen en delen de buit onder elkaar. Later zal het gerucht van deze toestand de gouverneur ertoe aanzetten om de Moerkerke tot aan het watervlak af te breken.
Nadat de Almachtige God onze stad en kasselrij zo ongenadig getrakteerd heeft met alle onheil van de oorlog en sterfte maakt hij nu zijn trio compleet: de inwoners krijgen nu ook nog te maken met een derde plaag, meer bepaald een dure tijd. De eetwaren stijgen zo in prijs dat ze voor geld nog nauwelijks te bekomen zijn. Te veel vraag en amper aanbod, God de Vader heeft er natuurlijk niets mee te maken maar krijgt toch de schuld.
De tarwe kost nu 26 gulden per zak of razier. Voor het schapenvlees vragen ze nu al 10 stuivers per pond en voor de boter 14 stuivers. Met de rest van de eetwaren is de prijs navenant. Onbetaalbaar en die situatie veroorzaakt natuurlijk grote ellende onder de gemeente. Het merendeel van de landlieden is al zijn graan kwijtgespeeld aan de woekerende soldaten en ziet zich nu verplicht om er zelf te moeten kopen om brood op de plank te kunnen krijgen.
Daarbij komt nog dat de kwaliteit van de tarwekorrels abominabel is, zo licht dat er nauwelijks meel in zit. Gelukkig zijn er nog de Hollanders die nogal wat graan, vlees, boter en andere eetwaren aanvoeren vanuit Engeland, Schotland en andere landen, want anders zouden de mensen zeker gestorven zijn van de honger. Vooral de arme mensen lijden het meest, op het platteland leven er duizenden mensen die alles kwijt zijn en die de voorbije drie à vier maanden geen brood meer gegeten hebben. Ze moeten zich in leven proberen te houden met gezoden paardenbonen, boekweitkoeken, gezoden wortelen, appelen en andere minderwaardige spijzen.
8 januari 1648. Na een oorlog van maar liefst 82 jaar tussen Spanje en de Generale staten van de Verenigde Nederlanden geeft onze koning er de brui aan en sluiten de partijen vrede met elkaar. De vrede van Munster. Deze gebeurtenis verwekt grote blijdschap in Vlaanderen. Het land is eindelijk verlost van deze nachtmerrie met al zijn desastreuze vernielingen. De stad en de kasselrij van Veurne kregen het de voorbije jaren zwaar te verduren. De grootste blijdschap ligt hem in het feit dat de koning nu nog maar één vijand te bevechten heeft. En dat is natuurlijk Frankrijk. Wanneer zal het Westland eindelijk verlost worden van het Franse juk?
Met de komst van de lente en de warme dagen blijkt al snel dat de algemene volksverzuchting vooral ijdele hoop met zich meebrengt. De Fransen laten er hun slaap niet voor dat ze niet meer moeten rekenen op de Hollanders. Ze bereiden zich nu voor op een nieuwe campagne om een nieuwe veldtocht uit te voeren in Vlaanderen. De stad Ieper blijkt het eerste target te zijn. Op 16 mei 1648 starten de Fransen de belegering van Ieper, dat gebeurt onder het bevel van de prins van Condé. Terwijl de gevechten hier aan de gang zijn neemt aartshertog Leopold de stad Kortrijk in voor de Spanjaarden.
Hun poging om Ieper te ontzetten mislukt evenwel waardoor Ieper zich op 28 mei 1648 moet overgeven. De oorlog rond Ieper veroorzaakt grote verwoestingen in de kasselrij van Veurne. De Acht Parochies en de gebieden ten zuiden van de Ijzer wordt voortdurend afgelopen door de troepen. De bewoners van deze gemeenten welke in vijandelijke handen vallen krijgen een uiterst kwalijke behandeling. De meeste landlieden slagen er echter in om in de bossen te vluchten en slagen er in om hun eigendommen en hun vee te vrijwaren van de Franse ellende.
Pauwel voegt er nog een opmerking aan toe: uit Duinkerke vertrekken er dagelijks veel schepen naar Ieper, geladen met eetwaren en krijgsmateriaal die onder sterke bewaking via de Lovaart varen. De soldaten behandelen de landbevolking ongelooflijk slecht. Het volk van de kasselrij slaat op de vlucht, best te vergelijken met hazen op de loop voor de jagers. Deze toestand houdt gelukkig maar enkele dagen aan. Nu Ieper in hun handen is verlaat het gros van het Frans leger nu onze streek en rukt het op naar Henegouwen. De buitenmensen kunnen weer naar hun woningen terugkeren.
Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek


