banner
apr 23, 2026
2 Views
Reacties uitgeschakeld voor Moord op de Tempeliers

Moord op de Tempeliers

Written by
banner

28 mei 1291 is een niet onbelangrijke datum voor de orde van de tempeliers. Er komt een einde aan de kruistochten naar het Heilig Land. Een kleine tweehonderd jaar geleden, in 1099, viel de stad Jeruzalem in de handen van het Westen. Een heerschappij die duurt tot in 1187, tot ze, (dankzij het gebrek aan medewerking van de tempeliers die uit geldbejag weigeren om de westelijke legers te ondersteunen), uitgedreven worden door de Islamitische legers van Saladin. De val van Jeruzalem in 1187 veroorzaakt een schokgolf doorheen Europa.

Uit schuldgevoel nemen de tempeliers deel aan een poging tot een nieuwe herovering die echter uitloopt op een eerste grote nederlaag voor de orde. Velen vinden er de dood. Hun reputatie dat ze vechten onder de bescherming van God, ligt voorgoed aan diggelen.

Bij een derde kruistocht wordt het noorden van (het huidige) Israël heroverd. Omdat de kruisvaarders niet in staat zijn Jeruzalem opnieuw te veroveren, promoveren ze de havenstad en de voornaamste zeehaven Akko tot hun nieuwe hoofdstad. Akko wordt nu dé pleisterplaats van de westerlingen om te bezoeken, te vechten en te bidden in het Heilige Land.

De havenstad zal gedurende honderd jaar een periode van grote bloei doormaken. In het jaar 1291 belegert sultan El Ashraf Akko met een leger van 200.000 man en krijgt hij de stad in handen. Het leger van de Sultan steekt haar in brand en doodt de meeste van de inwoners op een genadeloze manier. De val van Akko betekent het einde van het 200-jarige kruisvaardersrijk in Palestina (1099-1291).

Akko wordt verwoest zodat het voor westelijke machten onmogelijk gemaakt wordt om ooit nog voet aan wal te zetten in Palestina. 28 mei 1291 betekent het doodvonnis, de zwanenzang voor de tempeliers. Het aanvankelijke internationaal enthousiasme voor de eerste generatie tempeliers is gaandeweg afgegleden tot afgunst en jaloezie voor de immense rijkdom van de orde.

Waar ze aanvankelijk als bankier konden functioneren voor de adel en koningen in het Westen, zijn ze geleidelijk aan voer geworden voor heftige maatschappelijke discussie. Ondertussen verzeilt Filips de Schone in een oorlog met Engeland en met Vlaanderen. Om aan geld te komen neemt Filips IV in 1291 de bezittingen van Italiaanse bankiers in Frankrijk in beslag en hij bemoeit zich met het ongegeneerd aanmaken van nieuwe munten. Oorlog voeren kost geld. Filips leent hiervoor spectaculaire bedragen bij de tempeliers, méér dan hij ooit zal kunnen terugbetalen.

Grootmeester Guillaume de Beaujeu, de neef van Margaretha van Constantinopel, sneuvelt in Akko in 1291. De tempelorde trekt zich noodgedwongen terug in Cyprus waar Jacques de Molay in 1292 tot grootmeester wordt verkozen.

De val van Akko. Tja. Het begin van het einde. De christelijke wereld is diep ontgoocheld. De nieuwe grootmeester Jacques de Molay koestert wel nog megalomane en tevergeefse plannen om een nieuwe en grootschalige kruistocht op getouw te zetten. Maar de paus en het westen hebben de idee opgevat om de tempeliers te laten fuseren met de hospitaalorde. 1302. In Kortrijk verslaan de Vlamingen verrassend het machtig Franse leger van Filips de Schone.

De tempeliers stellen hun diensten ter beschikking bij beide kampen. De Franse tempeliers houden zich tijdens de slag afzijdig. Na ferm aandringen van de Franse koning, beslissen ze om niet te vechten tegen leden van hun eigen orde. Dat kan niet gezegd worden van de Vlaamse tempeliers die onder aanvoering van de broers Willem en Boudewijn van Bornem met drie elitedivisies (de zwarte, witte en grijze tempeliers) meestrijden en er innovatieve gevechtstechnieken hanteren.

Naar verluidt staan onder andere vijfhonderd Ieperlingen onder het bevel van de meester-tempelier en gevechtsdeskundige Henri de Montigny. De aan de tempeliers gelinkte atletische monnik Willem van Saeftingen doodt tijdens de legendarische veldslag op de Groeningekouter tientallen Franse edelen onder wie de belangrijkste van allen, de graaf van Artois. Amper twee jaar later, in augustus 1304, zet de Franse koning de puntjes op de i. Hij revancheert zich en verplettert de Vlamingen in de veldslagen van Zierikzee en van Mons-en-Pévèle. Vlaanderen en de Westhoek worden opnieuw bezet door de Fransen.

Tijdens de vrede van Athis in 1305 worden er draconische maatregelen genomen tegen de Vlamingen: een verplichte afbraak van de stadsversterkingen van Brugge, Gent, Ieper, Rijsel en Douai. Een astronomische boete van 400.000 Parijse ponden, 3000 Bruggelingen moeten verplicht op pelgrimstocht. De familie van Dampierre moet zelf 20.000 Parijse ponden ophoesten. De steden weigeren de betaling van de boete en daarover zal er tussen 1305 en 1314 een hevig geschil woeden tussen de Fransen en de Vlaamse steden. Ook de Ieperse inwoners van het Tempelland worden in 1305 uitgenodigd om tussen te komen in de kosten van de Frans-Vlaamse oorlog.

Het financieel geschil zal eindigen in 1314 als Vlaanderen de heerschappij over Lille, Douai en Béthune aan de Fransen afstaat. Cassel komt opnieuw in Vlaamse handen. Filips de Schone is nog altijd verbitterd om de steun van de Vlaamse tempeliers tijdens de Guldensporenslag.

De Franse koning start een hevige lastercampagne tegen de orde van de tempel en dat is olie op het vuur van de Ieperse burgerij die een bittere haat koestert tegenover de tempeliers. Filips de Schone schuift op 26 maart 1307 de schuld van een reeks schanddaden en heiligschennis in de schoenen van de tempeliers. Willem van Saeftinge die de Franse graaf van Artois doodde, wordt in 1308 in de ban van de kerk geslagen en naar verre oorden verbannen.

Alles heeft natuurlijk te maken met de tegoeden die Filips nog aan de orde moet, en niet kan terugbetalen. Paus Clemens laat in juni 1306 de grootmeesters van de hospitaalorde en van de tempelorde bij zich roepen in zijn verblijfplaats te Poitiers. Grootmeester Jacques de Molay meldt zich pas een jaar later, op 21 mei 1307 en duidelijk met grote tegenzin aan. Hij ziet een samensmelting met een andere orde helemaal niet zitten.

De koning van Frankrijk is al sinds 1304 een lastercampagne gestart met als opzet om de orde in diskrediet te brengen en de organisatie onder druk te zetten. Hij verwijt de tempeliers dat ze zich inlaten met ketterij, afgoderij en sodomie. Filips stuurt zijn kat naar Poitiers en laat zich vervangen door twee raadsheren. Het feit dat Filips de Schone al sinds zijn overwinning op de Vlamingen in 1304 gestart is met een lastercampagne tegenover de tempeliers, is niet onbelangrijk om het getuigenis van een Ieperse tempelier volledig te begrijpen.

Is het erg gedetailleerde verhaal van Lieven Wemaere dat zich tijdens de nacht van 7 mei 1307 in Ieper afspeelt waarheid of fictie? Betekent de moord op de Ieperse tempeliers de Franse weerwraak voor de deelname van de orde aan de Guldensporenslag vijf jaar eerder? Is de aanslag op de tempeliers een samenzwering tussen de Fransen en de Franstalige Ieperse burgerij? Ik weet het niet en laat het antwoord over aan uw fantasie, beste lezer!

‘Beschrijvinge van de moord der gewezen tempeliers in de prochie van de Heilig Kruyskerke, buiten de tempelpoorte, voorstad van Yper’. ‘ Ik Lieven Wemaere , filius Zacharias, geboortig van Poperinge, door het afsterven van mynen vader gestelt zynde in voogtey, hebbe ik al myn weezegeld gegeven aen den grootmeester van de Tempeliers, met Blasius Vandermatte, om broeder te worden in het zelve klooster, welkers proefjaer ik ben ingetreden op den feestdag van O. L. V. Lichtmisse ten jaere 1307.

Aldaer nu dry maenden in myn novitiaet geweest hebbende, is het gebeurd op den zevende van de bloeimaend, dat onzen grootmeester zyne jubilé vierde, over 25 jaer grootmeester geweest te hebben in het klooster der Templieren binnen Yper, ter welker oorzaeke in ons convent vele vreugdeteekens betoont wierden ende eene groote kermisse wiert gehouden.

Daer waeren twee jonge dochters van het gebeurte ontboden, om des avonts een groot deel wafelen te bakken. Naer dat ik als novitius den ganschen dag als een slave gediend hadde, men gaf my des avonts geene van die wafels te proeven, waerover ik by myn zelven zeer spytig was. ‘S nagts ontrent den twaalf ueren zyn onze broeders eerst gaen slaepen, wel versterkt zynde van den wyn en wafels; en die twee dochters , vermoeyt zynde van wafels te bakken, bleven in ons klooster slapen boven op een gastekamer, ende aen my wiert het last opgeleyd van alle de deuren wel te bezigtigen, of zy naer behooren wel verzekert toegesloten waeren, ende lest van al te gaen slapen.

Ik was vermoeyt van den gantschen dag over en weder te loopen, ende in myn zelven mistroostig dat ik tot nog toe geen wafels geëten en hadde, om welke reden ik nu merkende dat zy al in bun eersten en vasten slaep waren, hebbe getracht in de keuken eenige wafels te krygen, daer ik lustig van geëten hebbe.

‘T was nu omtrent den een uren en half als ik noch eens naer bachten gink, mits het zeer schoon weder was; maer, buyten de deure komende, zoo hoorde ik ontrent de Tempelpoorte een groot gedruys van peirden, ende nauw toeziende, zag ik dat het fransche ruyters waren, en, zoo ik naderhant gehoort hebbe, daer waren dry honderd fransche ruyters en honderd voetgangers, de welke agter de ruyterie opvolgden.

Ik, niet wetende wat sulks beduide, liet my voorenstaen dat het mogelyks een fransche partie was, de welke kwaem om deze voorstede ende ons klooster te plunderen. Dus lag ik op den loer om te zien waer zy zouden henen trekken. Ten lesten ik zag dat alle die ruyters naer ons klooster quamen. Op dit gezigt liep ik naer boven, niet wetende wat doen, zynde in beraet of ik wilde allarme maeken, ofte niet; maer ik dachte : gaen ik geraes maeken, de franschen zullen my vangen of vermoorden.

‘T is dus best dat ik my verberge; maer ik peysde: alleer alles geplunderd wort, dat ik wat geld konde krygen, het zoude my beter te passe komen als de franschen. Met dit gedacht liep ik al stillekens naer boven op de geldkamer, en met den eersten sloter, die ik bezag, gonk de deure open, dan met dry ander sloters deed ik een groot buffet open, ende naem met haesten daeruyt twee lynen sackxkens vol gelt, ondertusschen zag ik dóor de glásvensters alle die fransche ruyters rontom ons klooster staen met de bloote zweirden in de hand, ende het voetvolk braken al stillekens de poorte open.

Ik liep verbaest naer de gastkamer alwaer die twee dochters sliepen, wel wetende dat achter de deure derzelve kamer een heymelyk zolderken was, die boven het vertrek kwam, welken ingang bedekt was met het behangsel der goude leiren. Ik hefte de goude leiren op en kroop al stillekens op dat verborgen zolder daer geen ander licht in en kwam, als door een mazegat, door welk gat ik vol schrik naer bachten zag ik hoorde, dat zy al binnen waren ende naer boven naer onze cellen! Korts naer dien hoorde ik een lomelijke lamentatie ende geschreeuw tusschen het geklank van de degens der Soldaten, die alle onze religieuzen ellendiglijk elk in hunne kamers waeren vermoordende.
Onder ander hoorde ik op eene kamer, die omtrent bij my was, alwaer dat sliep broeder Michiel Finket, zijnde een grooten sterken man, dat dezen ontwakende op het aenkomende gerugt zig in posture stelde ende van den eersten soldat, denwelke in de kamer drong, zijn degen ontweldigde ende zig daermede zoo deftig verweirde, dat hy vier soldaten daermede omverre stak, welk geval ik hoorde van de soldaten in ’t fransch, welke tale ik wel verstond, maer door den loeloop van vele anderen wiert hy ten lesten overrompelt ende deirlijk vermoort.

Ik zag dry verscheyde religieuzen uyt de vensters springen om te konnen ontvlugten, maer deze wierden ter plaetze daer zy gevallen lagen van de omstaende ruyters door hunne zweirden gedood. Men hoorde door geheel ons klooster niet anders als een lamentatie van moord schreeuwen ende het geklank der wapens, tusschen het gedruys van de op en nederloopende soldaetcn.

Ten leste hoorde ik de gastkamerdeure open doen, van dewelke den ingank van mijn schuylplaetse alleenelijk afgeschut was met het behangsel van de gouden leiren, ik konde door den naed van die leiren in de kamer zien ende ik zag een deel soldaten indringen, dewelke ik tegen malkander hoorde zeggen: ziet daer zijn nog Tempeliers!

Deze twee dogters, tusschen al dat geruchte, waeren nog in hunnen eersten ende vasten slaep, als de soldaeten, by het ledekant gaende, het deksel aftrokken en met hun degens naer de slaepende dochters verscheyde mael staken, van dewelke eene, met name Francisca Volbrecht, al slapende gedood wiert, maer de andere eenigzins ontwaekt zijnde, ende noch niet doodelijk gewont, met name Zusanna Lauwers, spronk al schreeuwende uyt den bedde, maer ik zag haer aenstonts door een ander soldaet de borst doorbooren ende van veel ander met hun degens doorsteken. Ik hoorde de soldaeten zeggen: Morbleu ce sont des filles! dander antwoorden: ce sont leur puteins!

Aenstonts trokken de soldaten van die twee vermoordde dochters de goude ringen van hunne vingeren en scheurden de pendanten uyt de ooren. Ik laet een ygelyk denken in wat een schroomelijken angst ende benauwtheyt dat ik alsdan las op dat gezichte. Ik schuylde aldaer als een muys zonder roeren, uyt vreeze dat zy my gewaer zijnde ook zouden mijn ooken kout gemaekt hebben. Mijn herte bezweek door den schrik ende alle mijne litmaten, behangen met het kout zweet, die beefden als een riet voor den stormwinden.
Naer dezen moort liepen de soldaten uyt de gastekamer, latende die vermoorde lichamen daer zwemmen in het bloed; van daer liepen de soldaeten naer alle de andere kamers en vertrekplaetsen tot boven op de zolder, met hunne degens in d’ handen, alle hoeken en gaten doorsnuffelende, ende naer dat zy op die wijze alle de Tempelieren ongenadelijk hadden om hals gebragt, hoorde ik voorts dien resterenden nacht niets anders als soldaten, die met den gevonden wijn hunne moorddadige vreedheyd afspoelden ende lustig dronken ende zeer zongen, terwijl ik, met de dood op de lippen, als een gevangen in de muyte schuylde.

Het was nu dry ueren geslagen van den 8sten bloeymaend, alswanneer ik hoorde ende door het mazegat van mijn schuylplaetse zag, dat die bende ruyters, die geheel ons klooster zoo nauw hadden omringeld, zoo dat er nog katte nog hond en konde de dood ontvlugten, wederkeerenden naer de stad, als verzekert zijnde dat alle de Tempelieren waeren ter dood gebragt, laetende alleenlijk ons klooster in de bewaerenisse van de voetgangers, dewelke hantdadig aen die grouwelyke moort hadden geweest. ’s Morgens ten vier uren de poorten der stad open gegaen zijnde, zag ik zoo een menigte van borgers geduerig uyt de stad komen, dat zy ontelbaer waeren, dewelke op de maere, dat de Tempeliers vermoort waeren, naer ons klooster kwamen, maer alle poorten en deuren gesloten zijnde, wierden zy door de schildwagten verre van ons klooster gehouden.

’s Morgens ten thien uren hoorde ik al de doode lichamen van mijne gedoode medebroeders uyt de kamers beneden dragen, dewelke al te mael begraven wierden op het kerkhof van de H. Kruyskerke, maer de twee doode lijken van de twee gezeyde dochters wierden van hunne ouders gehaelt. Ik zat daer dien geheelen bedroefden dag in mijn schuylplaetze, geheel desolaet vol droefheyd, met het herte vol angst en vreeze, terwijl de soldaeten beneden alles opaten en lustig dronken. Op den naermiddag kwamen eenige commissaerheeren in alle kamers om alle de goederen op te schrijven en het geld, behalven de twee zakken, die by my verborgen waeren, ende die my wonderlijk wel te passe hebben gekomen, aen my dienende in de plaetze van mijn weezegeld, dat ik gegeven hadde om broeder tempelier te worden.

‘T was nu ’s avonte thien uren geslegen van dien ellendigen dag , alswanneer ik eerst bedagt hebbe om middel te zoeken van mijne ellendige schuylplaetse te verlaten ende mijn leven te beschermen door de vlugt. Daer vielen my duyzent gepeyzen in om te weten wat ik alderbest zoude aenvangen. Op eenen bot zoo vielt my in dat terwijlen ik boven geen volk en hoorde, dat ik uyt myn schuylplaetse in de gastekamer zoude gaen, dewelke gelijk als de andere kamers door de commissaerheeren zeer zorgvuldig waeren vergezegelt.

Ik hefte dan stillekens de goude leren op en gonk in de kamer alwaer de twee dochtere geslapen en vermoort hadden geweest, en ik zag aldaer hunne kleederen liggen. Ik nam een g’heel kleetsel, stropte mijn tempeliers kleederen uyt en ik verkleede my geheel in de kleeren van een vrouwmensch ende ik bond met een koorde de twee gezeyde geldbeurzen rontom mijne lenden.

Dan nam ik twee slaeplakens, die noch bebloet waren van de twee omhals gebragte dogters, en ik sneed deze met mijn mes in riemen en draeyde deze als een koorde; met deze gink ik in mijn schuylplaetse, dewelke met pannen gedekt was, van dewelke ik zes pannen aftrok en dan, met mijn mesken de latten in stukken gesneden hebbende, maekte ik mijn gezeyde koorde vast aen de ribben van het pannedak, ende gemaekt bebbende het teeken des H. Kruys, zeyde ik: Heere, in uwe handen bevele ik mynen geest, en kroop door het gat ende ik liet my op Godts genade al stillekens afdalen, nu zijnde ontrent den elf uren ’s nagts. Aldus gelukkiglijk beneden gerocht zijnde, ende niemant my ziende ben ik vol benauwtheyd langs den hof door de haege ongehindert uyt het kloosterlijk begryp outvlugt.

Nu zijnde op ’s heeren straete ben ik van daer gegaen naer de prochie van Onze Vrouwe ter Brielen, in de voorstad van Yper, alwaer ik een nichte hadde, jonge dochter aldaer woonende met haeren ouden vader. Naer verscheyde mael geklopt te hebben, dede zy ten lesten open, maer zy en kende my niet, om dat ik in de kleedinge van een vrouwmensch was. Naer dat ik mijn avonture aen haer verhaelt hadde, stont zy verbaest my noch in het leven ziende, mits zy gehoort hadde dat alle de Tempeliers door order van zyne heyligheyd Clemens den vyfden paus van Roomen, en Philippus le bel, konink van Vrankryk, doodtgeslagen waren. Ik bleef acht dagen in haer huys verborgen en van daer gink ik naer Brugge woonen, tot dat, ten jaere 1312 op den 3 mey, eene brieve by maniere van eene bulle, van den paus Clemens den vijfden alom verkondigt wiert, dat het order van de Tempeliers t’ eenemael vernietigt ende afgeschaft was.

Dan ben ik wedergekeert naer de stad van Ypre, naer het huys van mijne voornoemde nichte, wiens ouden vader afgestorven was, en ik ben met haer in houwelijke getreden op de prochie van S’-Michiel, in de voorstad van Yper, op den 8 van bloeymaend 1312, naer dat ik vijf jaren en een maend was uyt het klooster der gewezen Tempeliers gevlucht. Ik en mijn huysvrouwe, met name Paulinneken Voorschepen, hebben altyd verzwegen dat ik tempelier hadde geweest uyt vreeze dat er mogelijks iets kwaets daer door aen ons zoude overkomen; maer ik hebbe dit op mijn hantboek geschreven, op dat de nakomelingen zouden konnen weten, hoedanig deze moort ende vernietinge der laetste Tempeliers binnen Yper is geschiet, van welke vernietinge ik ooggetuyge ben geweest, zijnde van hetzelve order, in hetzelve klooster en in een uyterlijke gevaer van mede vermoort te worden.

Hier volgen de namen van de laeste Tempelieren in het klooster van hetzelve orden, woonende in de voorstad binnen Yper: ‘de grootmeester was genaemt Blasius Vandermatte. Michiel Tinket – Lazarus Witmelk – Passchier Rommelaer – Barnabas Van Zanddrijk – Robert Meirelaer – Daniel Mollinck – Lauwen Soetaert – Maerten Vanden Broucke – Denis Korewinde – Valentijn Vallinck – Guido De Blende – Jan Vandersterre – Germanus Zallaen – Steven Van Bavinckhove – Eloy Sevekind – Macharius De Wetten – Adolf Van Neerhove- Pauw De Biebuyck- Petrus Bierebroek – Barnabas Akkerman- Gilles Van Dudzeele – Germaen Vander Tempel – en ik, Lievinus Weemaere, t’ zamen uytbrengende het getal van vier-en-twintig religieuzen Tempeliers.’ Dit verhael, wiens echtheid te betwisten of te bewyzen ik gaerne aen anderen overlaet, bevindt zich in het handschrift : Beschryvinge der doorluchtige stad van Ypre, berustende ter Archieven van die stad. Tael en spelling zyn door den afschryver vernieuwd.

Dit is een fragment uit Boek 1 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 1
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.