Er lijkt trouwens geen einde te komen aan de malaise. De soldaten van het geuzengarnizoen van Oostende beginnen nu ook uit te lopen in de Veurnse kasselrij. Het bolwerk van Oostende ontwikkelt zich van langs om meer als het laatste bastion van de Staten der Nederlanden. Dat gebeurt van langs om hardnekkiger en fanatieker, iets wat ze in de West-Vlaamse buitengebieden weldra zullen ondervinden.
Bij hun strooptochten in de provincie vangen ze lieden die ze naar Oostende meeslepen en hen opsluiten tot hun rantsoen betaald wordt. Het magistraat van Veurne-Ambacht klaagt deze praktijken aan bij het koninklijk hof en smeekt dat de Spanjaarden deze praktijken zouden beletten. Het zou nuttig zijn om in dit verband een fort te bouwen in Nieuwendamme, pal op de plek waar die van Oostende gewoonlijk voorbijkomen tijdens hun raids. Dat fort zou dan kunnen dienen als bescherming voor Veurne-Ambacht, Nieuwpoort, Diksmuide en natuurlijk Veurne-stad zelf.
Alexander Farnese geeft nog in 1584 het bevel aan de wethouders van de betreffende gemeenten om een ontwerp van ‘het bolwerk van Nieuwendamme’ effectief te bouwen en elk voor zijn deel in te staan voor de kosten hiervoor. Na het afwerken van de constructie zal een compagnie soldaten er zijn intrek nemen en zou de toeloop van de Oostendenaars nu aan banden moeten gelegd zijn. Het is een nobele gedachte.
1585. Veurne-Ambacht blijft slecht bewoond. In principe verdeelt het magistraat de landkost (een soort onroerende voorheffing op eigendommen) over de verschillende parochies en heerlijkheden en voorziet de keure in totaliteit 100.000 ponden. De opbrengst voor 1585 is slechts 8.178 pond en daaruit blijkt dat de er nog altijd maar een goede 3.000 hectare beboerd wordt.
De opbrengsten voor het vee en het zaailand bedraagt nog geen 4.000 pond. Veel aandringen op extra belastingen heeft niet het minste zin want anders zou het land nog veel minder bewoond zijn. Het moet gezegd dat de diefstallen en de roofpartijen van de soldaten uit de garnizoenen van Nieuwpoort, Diksmuide en de Reducto van Veurne ook niet bijdragen tot meer activiteit.
Ze teisteren de landman zo vaak dat het bestuur zich nog maar eens verplicht ziet om klachten neer te leggen bij het hof. Die zijn specifiek gericht op kapitein Bouloigne die met zijn compagnie het fort van Nieuwendamme bezet en zijn mannen vlotjes toelaat om allerhande soorten van moedwilligheden te bedrijven. Allemaal met de bedoeling om geld af te troggelen.
De parochies die deze schatting betaalden zouden van zijn troepen met rust worden gelaten. Maar diegenen die weigerden schattingen te betalen werden brutaal geplunderd. De geviseerde kapitein mag het komen uitleggen aan het hof dat zich dan te Beveren bij Antwerpen bevindt. Bouloigne staat er met zijn mond vol tanden en dat is voldoende voor Alexander Farnese om in te grijpen en zijn man gevangen te zetten.
Wanneer zijn proces een tijdje later moet voorkomen wordt de man onder een aanzienlijke militaire begeleiding naar Veurne gestuurd waar ze de uitspraak in het publiek voorlezen. Hij wordt om zijn misdaden die hij door zijn eigen mensen heeft laten bedrijven en tot voorbeeld van de andere bevelhebbers in het midden van de markt onthoofd.
De soldaten en de arme burgers van Nieuwpoort en Diksmuide lopen voortdurend rond in de nabijgelegen parochies van de kasselrij om er de hagen en bomen te kappen die her en der op de braakliggende gronden groeien. Ze sleuren de takken en het hout naar hun woningen om zich te verwarmen, er zijn er zelfs die hout kappen en het op het veld zelf tot kolen verbranden om die dan achteraf aan de man te brengen.
Daardoor gaat er bijzonder veel houtgewas in de buitengebieden verloren. Het magistraat van Veurne-Ambacht zoekt mogelijkheden om die illegale houtkappingen te beletten en dient klacht in bij de stadsbesturen van Nieuwpoort en Diksmuide. Een klacht is het feitelijk niet, eerder een waarschuwing dat er wel eens rechtszaken kunnen volgen.
De verwittiging heeft toch wel wat effect, de gemeentebesturen proberen wat te doen aan de houtkap maar eveneens aan het uitlopen van de soldaten die vaak veel meer dan hout scheefslaan want ondertussen is het brandhout zo goedkoop geworden dat men het haast gratis kan kopen. Zo spreekt Pauwel Heinderyck, de schrijver van de jaarboeken van Veurne over amper tien stuivers voor een volwassen iepenboom.
Buiten de Oostendenaars die van langs om meer de (liefst bemiddelde) inwoners van Veurne-Ambacht oppakken, opsluiten en rantsoeneren lopen er in de kasselrij ook van langs om meer vrijbuiters rond die hun manier van werken kopiëren. Ze leiden de personen die ze kunnen vatten naar de bossen. Hier gaan ze over tot allerlei vormen van pijnigingen en marteling om hen geld af te persen.
De wethouders proberen daar iets tegenover te stellen. Op de dijk van Veurne-Ambacht bouwen ze her en der kleine versterkingen waar ze wat volk stellen om er de wacht te houden en een doortocht van het kwaad volk te beletten. Daar knelt wel het schoentje want in deze verlaten streek is het bijzonder moeilijk om voldoende buitenmensen te vinden die deze versterkingen kunnen bemannen. Waardoor de vijand altijd wel manieren vindt om op de meeste sluikse manieren binnen te dringen in de kasselrij.
Dat resulteert maar al te vaak in het verbranden van huizen en hofsteden en allerhande wrede toestanden om de landlieden te dwingen tot het betalen van ‘contributies’. De inwoners zijn zo verschrikt van deze rovers dat ze nauwelijks nog durven te gaan slapen. Vooral omdat het van overheidswege verboden is om belastingen te betalen aan de geuzen. Weerstand bieden in groep ligt ook al moeilijk. De gebruikelijke manier om met de kerkklokken alarm te slaan om de naastliggende parochies te verwittigen is niet mogelijk omdat er in de hele kasselrij nergens nog klokken te vinden zijn.
De Oostendenaars en de vrijbuiters dringen ook maar al te vaak binnen vanuit Ieper-Ambacht. Vertegenwoordigers van Veurne-Ambacht, en het al even geplaagde Waasten en Belle contacteren de wetheren van Ieper om met elkaar te bespreken hoe ze hun streek kunnen bevrijden van al die zwervende soldaten, landlopers en vrijbuiters. Tijdens die vergadering beslissen ze om gemeenschappelijke middelen te voorzien om een brigade van twintig mannen te voorzien die door de streek moeten zwerven en op zoek zal gaan naar ongewenste sujetten. Vooral de kwaaddoeners die binnendringen via de kasseiweg Ieper-Waasten zullen door het nieuw team aangepakt worden.
Op 1 april 1585 verlaat Juan Arias met zijn bende volk de Reducto van Veurne. In hun plaats komt Frans de Mamez met een bende voetvolk om de sterkte te bewaren. Die nieuwe bezetters beginnen nu zelf haast dagelijks rond de zwerven in de kasselrij waar ze ook al niet te veel goeds uitrichten. Om dat te beletten beslist het magistraat van Veurne-Ambacht om de mannen dagelijks een hoeveelheid brood te overhandigen.
De wethouders van de stad engageren zich om de soldij van de soldaten te betalen, een bedrag dat in lijn ligt met wat er voorzien is in de andere garnizoenen. Tijdens het jaar 1586 is er alvast sprake van een stijgende bevolking. De opbrengsten van het land (34.000 pond) zijn nog altijd niet van die aard om zelfvoorzienend te zijn voor het magistraat dat de rest van de budgetten moeten bijlenen. Het aantal raids van de Oostendenaars gaat in 1586 in stijgende lijn. Hun uitlopen zijn veelvuldiger en feller dan vorig jaar.
Er komen enkele nieuwe kleine versterkingen bij, twee op de Veurne-Ambachtse dijk, met name in Schoorbakke en in ter Vate die beiden bemand worden door manschappen van Adriaen Blomme. Twee andere verschansingen komen er ook in Steenstraete die een bezetting krijgen onder het bevel van Lioen Spierynck. En omdat de Oostendenaars soms wel eens via bootjes op zee op de stranden belanden stelt het magistraat hier zes mannen aan die dag en nacht te paard moeten patrouilleren langs de vloedlijn. Ze moeten meteen alarm slaan als ze vijanden spotten. Ondanks al die inspanningen echter kunnen ze amper beletten dat de vijand verscheidene keren binnendringt om inwoners van Veurne-Ambacht uit hun bedden te lichten en te ontvoeren.
Tijdens de voorbije jaren werden de inwoners van de stad en de kasselrij van Veurne geplaagd door die frequente diefstallen, brandstichtingen en moordpartijen en nu komt daar de dure tijd zich bij vervoegen. Zulke hoge prijzen hebben de mensen nog niet eerder meegemaakt in hun miserabel bestaan. De tarwe kost 35 gulden per rasier, een zak van 245 liter.
De gerst (sucrioen) kost de helft daarvan maar ook de prijs van de andere levensmiddelen scheert hoge toppen. Best vreemd dat op het moment dat zelfs de bemiddelde lieden financieel uitgeput zijn deze hoge prijzen hun intrede maken. Dat heeft natuurlijk alles te zien met de schaarste. Veurne-Ambacht mist zijn gebruikelijke vruchten van de aarde. Tijdens de oogst regent het zo geweldig dat een groot deel van de granen gaat rotten op de akkers. Veel mensen overleven op gekookte appelen, peren en andere vruchten die ze gaan plukken in de boomgaarden van de onbewoonde hofsteden.
Zieke en uitgemergelde beesten worden opgegeten, net zoals honden en katten. De bonen en erwten aangeplant door de landlieden worden uitgerukt door het hongerig volk in verwoede pogingen om de honger te stillen. Bejaarde mensen vertellen tragische verhalen die hun eigen ouders nog hebben horen vertellen. Dat er veel landlieden zijn die de bonen in twee snijden om alleen de helft met de kiem te sparen en te planten terwijl de andere helft kon dienen als eten. Zo groot is de armoede.
De voorbije dertig jaar hebben de magistraten van de stad en de kasselrij van Veurne vaak samen vergaderd om de toestanden aan te pakken. De roep om hun afzonderlijke besturen te fusioneren onder een en dezelfde jurisdictie klinkt luider en luider. Ook het hof vindt deze samensmelting aangeraden. Na de nodige onderhandelingen komen ze eindelijk overeen om die stap te zetten. Maar dan moet het magistraat van Brugge wel meewerken. Alle Veurnse vonnissen zijn immers onderhavig aan een hogere evaluatie van de Brugse wet.
Op de vraag van de Brugse wetheren om daarvan ontlast te worden krijgen ze een negatief antwoord. De Veurnenaars wenden zich daarop tot de geheime raad van de koning. Ze leggen omstandig uit welke voordelen de stad en de kasselrij zouden krijgen met deze unie en dat die samenwerking zeker zou helpen om de verwoestingen van de voorgaande oorlogen te kunnen herstellen. Met daarbij de ootmoedige vraag of ze de Brugse magistraten niet op andere gedachten kunnen brengen. Dat verzoekschrift verhuist nu van de geheime raad naar de raad van Vlaanderen én naar de Brugse wethouders om bijkomend advies.
Na rijp beraad laat de geheime raad op 1 maart 1586 weten dat de magistraten het recht van consultatie krijgen indien daarom gevraagd zou worden en dat processen en rechtszaken in beroep zouden kunnen hernomen worden te Brugge, maar dan pas als beide partijen daartoe verzoeken. Voor de rest krijgen de stad en de kasselrij de volledige vrijheid om hun eigen rechtspleging eigenhandig te organiseren.
Deze beslissing is helemaal niet naar de zin van de Bruggelingen. Ze bezitten al van in de oude tijden de gerechtelijke supervisie op de Veurnenaars en zien dat voorrecht nu plots vernietigd. Maar de geheime raad blijft bij zijn beslissing. De welvaart van de stad en het platteland staat op het spel en moet voorrang krijgen op de Brugse gevoeligheden.
Het magistraat van Veurne aarzelt niet als ze de vermelde brieven in hun bezit krijgen. De wethouders van de stad en kasselrij bundelen hun krachten en stellen een traktaat van 25 artikelen op om hun unie te officialiseren. De lopende procedures verhuizen naar de nieuwe rechtbank onder de supervisie van de rekenkamer van Rijsel. Jaarlijks verkiezen de commissarissen 22 notabele en bekwame personen die op hun beurt de eerste en tweede burgemeester, zeg maar de landhouders van de commune en de wet zullen aanduiden.
De resterende twintig wethouders treden dan in functie als ‘schepenen’ of ‘keurheren’ van de stad en de kasselrij van Veurne. Op de dag dat de eerste vernieuwde wet van start gaat zien we de heren terug in een plechtige misviering in de kerk van Sint-Niklaas en beweren ze de nieuwe samenwerking bij het Te Deum. Het zal nu niet lang meer duren voor de nieuwe wetten er zullen aankomen. De fusie is in alle geval voordelig voor die van Veurne-stad. De wedden van hun magistraten en suppoosten zullen voortaan betaald worden met penningen uit de hele kasselrij.
En dat is ook het geval voor alle kosten die door de wethouders gemaakt worden of bijvoorbeeld voor de geschenkwijnen en veel andere zaken die vroeger allemaal voor hun rekening waren. Van zodra de buitengebieden er beter aan toe zullen zullen de stedelingen mogen rekenen op hun financiële inbreng voor de bouw van openbare gebouwen en het leeuwendeel van de kosten voor de aanleg van nieuwe kasseiwegen.
Anno 1587. De prijs van de levensmiddelen blijft torenhoog. Dat komt omdat Veurne-Ambacht meer en meer bewoning krijgt en de pot dus nog meer moet gedeeld worden. Ondanks de wetenschap dat meer en meer mensen van de honger sterven. Een ander fenomeen is de wetenschap dat nogal wat stedelingen terugkeren naar het platteland met de bedoeling een graantje mee te pikken van de hoge voedingsprijzen. Het land ligt er nog meestal braak bij en kan voor een spotprijsje gehuurd en bezaaid worden.
Bovendien zien we een toestroom van landbouwersgezinnen uit Artesië die tuk zijn op de goedkope vruchtbare gronden die hier zomaar ter beschikking liggen. Tijdens 1587 is er dus al sprake van dat de helft van het land al weer geëxploiteerd wordt. Het resultaat zal in de loop van het jaar duidelijk worden. De Veurne-Ambachters kunnen nu eindelijk nog eens rekenen op een vruchtbare oogst. De prijs van de granen en de eetwaren zakt spectaculair, tot grote vreugde van de gemeente en voornamelijk van de mensen die moeten leven van dagwerk. In Veurne kost een rasier Veurne nu 5 gulden, dus welgeteld nog 1/7de prijs van vorig jaar.
Door de ontvolking en de verwildering van het land zien we een grote toename van het aantal wolven en andere wilde dieren. Dat komt natuurlijk omdat ze al veel jaren niet meer aangepakt worden door de kasselrij. De streek is er zodanig er door gekweld, voornamelijk dit jaar, dat het er wel op lijkt dat ze een straf van God zijn. Het moet zo te lezen toch wel erg gesteld zijn: hele roedels wolven zwerven door de velden en verslinden tijdens hun tochten ontelbaar vele koeien, schapen en ander vee. Daardoor zien de landlieden zich verplicht om dag en nacht in de wapens te blijven om hun beesten te bewaken.
De mensen voelen zich allerminst veilig als ze zich langs de wegen begeven want ze kunnen zowat elk moment door de wolven verscheurd worden. Daarbij komt nog het fenomeen dat veel honden door de verwoestingen en de honger totaal verwilderd zijn. Op vrij kort tijd is hun aantal ontzaglijk uitgebreid en nu zwerven ze door het land als razende en uitgehongerde roofdieren op zoek naar beesten die ze gretig verslinden.
Het garnizoen van Oostende houdt zich in 1587 evenmin gedeisd met hun raids. Hoe vaak komen ze niet dievelings binnendringen in het Veurne-Ambachtse om ter plekke mensen te ontvoeren? En dat ondanks alle inspanningen en wachtposten die langs alle passages en toegangen van de kasselrij geposteerd staan. De hele toestand baart grote zorgen voor de inwoners en de overheid.
Alexander Farnese probeert de hele tijd om Sluis te veroveren terwijl de geuzen de belegering van de katholieken proberen ongedaan te maken. Wanneer ze vaststellen dat hun pogingen niet echt goed lukken beginnen ze dan maar te roven en te branden op het land van de koning. De graaf van Leicester die met zijn Engelse troepen vruchteloos geprobeerd heeft om de geuzen te komen bijstaan, komt dan maar op het einde van juli 1587 zijn kamp opslaan tussen Nieuwpoort en Oostende.
Men kan zich wel inbeelden dat de kasselrij van Veurne-Ambacht daardoor in rep en roer staat. Groot alarm. Het magistraat beveelt terstond aan al het landvolk dat ze dringend en zeker voor einde van dezelfde maand met hun wapens naar de Ijzer moeten komen, tussen Nieuwendamme en Diksmuide om de doortocht van de vijand te beletten.
Jacob Valcke, de burgemeester en landhouder van de commune, de schepenen Gillis Vanden Clichthove en Nicolaes Sperynck en de griffiers van de wezerie en het notariaat (Jacob Obbensone en Gillis Vander Meere) worden door de wet aangesteld om het bevel over hun streekgenoten te voeren. Het bestuur van Veurne-Ambacht vraagt hulp aan de collega’s van Cassel, Sint-Winoksbergen en Hondschote, meer bepaald bijstand van volk. De Casselnaars sturen 200 mannen terwijl Hondschote ook 80 man veil heeft, die laatsten komen af onder het bevel van Pieter Vander Waterleet.
Ik hoop dat het daar aan de Ijzer geen waterleed zal worden. De hulptroepen krijgen posities aan de Veurne-Ambachtse dijk. Verder krijgen de bewoners van de Acht Parochies en die van Poperinge en omgeving de opdracht om de passages tussen Ieper en Knokke te bewaren. Ieper zelf krijgt de bewaking van de zeehaven en het strand tussen Nieuwpoort en Nieuwendamme toegewezen. Dat zal gebeuren door het garnizoen van de stad. Het volk van de graaf van Leicester probeert zowat dagelijks uit te lopen tot aan de Ijzer maar durft de stroom niet over te steken, het betekent alvast een succes in deze moeilijke tijden.
Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek


