banner
okt 30, 2015
2677 Views

Gevecht op het patattenveld

Written by

Geheel het hoekig, gekapt wezen kwam te stuurder en te koppiger uit, doordien het voorhoofd in de muts verdween tot aan de oogen, die brandden onder de verstreuvelde winkbrauwen, met lang, wit koeihaar bezet. Anders was Seven altijd glad geschoren; geen haartje op geheel dat Bretoensch wezen, uitgezonderd in den neus en de ooren, alwaar de witte krullen in futsel uitboorden.

banner

Indereeuwigheid had de oude Seven zijn blauwe slaapmuts aan, waarvan het puntig einde, uitloopend op een truis, langs de linkere kaak slingerde, juist boven de oneffenheid, gevormd door de tabakspruim in den mond.

Geheel het hoekig, gekapt wezen kwam te stuurder en te koppiger uit, doordien het voorhoofd in de muts verdween tot aan de oogen, die brandden onder de verstreuvelde winkbrauwen, met lang, wit koeihaar bezet. Anders was Seven altijd glad geschoren; geen haartje op geheel dat Bretoensch wezen, uitgezonderd in den neus en de ooren, alwaar de witte krullen in futsel uitboorden.

Een sture, sterke, stalene boer! Een jonkheid van zeventig jaar, boutrecht nog, wel wat stijf in de leen en in de beenen bij rusttijd, doch slap en plooibaar in het werk. Seven’s groote muts had een groote rolle gespeeld in het kweeken van zijn jongens; ’t was wél met die mutse dat hij zijn bende dresseerde; als zijn spoken van de duivels droomden, gooide hij die in den hoop, en: breng dat terug! grolde hij.

Dien het aanging sprong met het ding tot bij vader, al wist hij zeker van op zijn minste een dozijn treffelijke kletsen op zijn gespannen broekgat te krijgen. En nu, aan zijn zeventig was Seven nog Peetje Negenman gebleven, putbaas van de bende, en, als hij gesproken had, mochten ze al zwijgen.

Ze waren pertank geen katten om zonder handschoenen te pakken, zijn drie knappers : Katen, de oudste, Jan, de tweede, een reus lijk Karel, even grate-mager, hoekig en beenderig, maar gememberd en gespierd lijk de ruin in den stal. De derde, Siske, was minder – ze noemden hem ook daarom Siske – maar hij was toch even taai en sterk als de twee ouderen en hij had handen, handen, waaraan elke duim met het platte een vijffrankstuk kon dekken.

Barbara en Marie – Babbe en Merrie – de dochters, trokken meest op Karel en Jan, groot en machtig, maar z’n hadden het stuur uiterlijk van de broers niet; op die twee wezens speelde de zoetheid van een goed hert, dat dag aan nacht waakte, om vader en de broers en iedereen te voldoen en te verblijden; zelfs, als zooveel zorg en oppas met een snak of een bete betaald werd, stribbelden ze niet tegen, omdat ze zeker wisten dat vader en de broeders, als ’t nood deed, zich voor haar hadden laten vierendeelen.

Snakken en bijten en er ruw doorgaan, was dagelijks brood op dat hof, maar dat ging niet dieper dan het vel en geheel het zestal hing aan malkander lijk een druivenkrabbe. Met zijn kudde eenlijk volk had Seven méér dan genoeg om zijn peerdegedoentje te begaan in gewone tijden; zelfs de groote werken van zaaierij, oogst en eerdappeluitdoen sponnen z’r af met kleine hulp, en, als ’t nood deed, stak de oude Seven een handie bij, al prutteden zijn knechten er om.

Dat jaar ook – Seven was dan te kloppe zeventiger – wilde en zou hij de pataters helpen uitkappen; tegenstribbelen hielp niet en op een morgen trokken ze : Seven, Karel. Jan, Barbara en twee buurvrouwen naar het Bekestuk. Siske reed voorop met peerd en karre, en, Marie, die ’t huis bleef om den kost gereed te maken, stond preutsch in het hofgat geheel die processie eigen volk na te kijken.

Vader moest het werk inzetten en voorganger blijven en dan volgden Karel en Jan. Barbara, de twee buurwijven en ’t koeiwachtertje schudden het loof en raapten knollen, die ze effenaan in manden smeten en dan op de karre gooiden.

Rond acht ure in den voormiddag trokken ze naar het hof om te eten, en, bijdewijle kwam Marie op het eerdappelland de wacht houden, om jongens en schoelies, doe op roof zouden uit zijn, te verschuwen.

Als Seven en z’n bende nu bezig waren met hertelijk te smullen, kwam Marie het hofgat ingestormd al tierend, dat er wel zeven deugnieten uit de bijgelegene stad, bezig waren met de uitgekapte knollen te stelen. – Blijft maar allemaal hier, zei Karel, ‘k zal, ik, gaan.

– Jamaar, ze zijn er wel met zeven, zeg ik, hijgde Marie. – Dat ze! Karel stapte gejaagd de dreve door naar het Bekestuk, en, als de dieven hem zagen opkomen, loechen z’hem uit, maar niet één die uitscheidde met rapen.

– Is ’t er haast meê t’enden, hé? vroeg Karel, nog koelbloedig doch stuur.

– En als niet t’enden is, wadde? spotte ‘r een, dicht bij Karel.

Karel beet op zijn pruime, spoog in zijn handen, sprong toe en vaagde den twintigjarigen snotter bij het gat van zijn broek met de eene hand, met de andere greep hij het nekkevel, en : kchu! steende hij en de snotjongen vloog met lijf en ziel alover de gracht en den voetwegel, op het land van den gebuur.

Rispe! deden de anderen, juist gelijk een bende verschuwde musschen en ze waren de pijp uit, alover de velden weg, met ijselijke beensmeten.

Twee dagen later kwamen ze met zeven en twintig gedokkerde manskerels terug, gewapend met drietanden en rakels, al het luid schreeuwend, dat ze die boeren zouden te koelen leggen.

Seven was kappende nevens Karel en Jan, als dat leger, met een vaandeldrager aan den top, huilend en moordend, over de gracht op het eerdappelland sprong en de uitgekapte knollen begon op te rapen en in balen te vullen. Seven rechtte hem, schoorde zijn oud lijf tegen den drietandsteert, en:

– Is dat spel gedaan, perdjieters! riep hij.

– Houd het tegen, ijsbeer! baste een soort van Herkuul, met den drietand in de hoogte.

– Meeninge? vroeg Karel.

– Slaat dien boer dood! Slaat dood! huilde de bende.

– Kchu! steende Karel en zijn drietand beet in den schouder van den dief en hield gesloten wat hij vasthaakte.

– Gauw! beval Seven.

Gauw, Jan en Sissen, tierde hij.

– Hier! moorelde Sissen, zijn peerd aan de karre vastleggend.

– Jesus Maria! huilde ’t vrouwvolk, Jesus Maria, staat ons bij! Ze vielen op de knieën, baden luid op, om redding en genade, maar hun gebed ging verloren tusschen het ijselijk lawijt, met vloeken en verwenschingen doorspekt.

Karei had zijn drietand los gekregen en sloeg nu met den hiel van ’t alaam te koppewaarts in.

– Kcheu, steende hij

– Nnngu!, pugde Jan.

– Zoeve! schuifelde Siske

– Perdjieters! vloekte Seven

– Bid voor ons! bad het vrouwvolk.

Zeven en twintig drietanden stoven op en neer. Vier drietanden ketsten er zeven en twintig af en vielen raak op de koppen en schouders van huilende, moordende, dubbelplooiende, tuimelende, witbestovene sloebers.

Zeven en twintig drietanden hielden algauw op van kappen en, op het slagveld, lagen negen vijanden uitgestrekt nevens hun verfronselde vlag, achttien liepen hinkelend en kreupelend door hagen en grachten weg.

Generaal Seven stond bebloed zijn pruime te knabbelen tusschen zijn gekneusde en bebloede strijders; hij monkelde en wierp een zegevierenden blik op zijn zonen, op de gesneuvelden en ook op hemel en aarde in het ronde, wijl hij grolde lijk een peuzelende kater.

’t Vrouwvolk was nu ook recht gesprongen en ze stonden preutsch haar volk te bezien en medelijdend de gekwetsten.

– Legt dat van kante en kijkt wat er aan mankiert, beval Seven, met de eene hand de gekwetsten aanwijzend en met de andere het bloed uit zijn oogen vagend.

Er mankierde toen nog niet te veel aan; na een, geraakten ze uit hun bezwijming; acht trakelden denzelfden dag nog op stokken weg en de negende werd op Sevens’ hof verzorgd lijk een kieken op een berdelke, tot hij ook kon wegkreupelen.

Op het hof zelf was het slechtst gesteld met Siske; ’t had een gapende wonde in den kop, hem toegebracht met de rkuine van een drietand, maar, kwaad kruid ’n bederft niet – en Siske’s groote kopwonde was algauw toegegroeid.

Eenige maanden later werden de zeven en twintig schavuiten erg gestraft en Seven met al zijn zonen vrijgesproken. ’s Avonds, na dien fameuzen tribunaaldag, was Seven eivol, en;

– Daar zi, perdjieters!, zegetierde hij, dat ze nu nog komen.

Ze zijn nooit meer teruggekeerd.

Warden Ooms (Edward Vermeulen)

banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *