banner
sep 15, 2025
99 Views
Reacties uitgeschakeld voor Alveringem op een boogscheut van Veurne

Alveringem op een boogscheut van Veurne

Written by
banner

We vervoegen de jaarboeken van Veurne die het hebben over het jaar 137. Keizer Adrianus verplicht in dat jaar dat alle Galliërs de Roomse wetten dienen na te leven. De ‘Lingua Franca’, het Latijn, wordt de enige officiële taal. Wetten en verordeningen worden opgesteld in het Latijn. Boeken worden geschreven in de taal van de Romeinen en ook de Rooms-Katholieke kerk gebruikt het Latijn om de christelijke boodschap onder de mensen te brengen.
De mensen van de Westhoek leren noodzakelijkerwijs omgaan met die nieuwe taal, maar onder elkaar blijven ze hun eigen volkstaal spreken. Ondertussen ontwikkelt de Lingua Franca zich stilaan tot het Frans dat gaandeweg de officiële ambtelijke taal wordt. Vanaf de 3de eeuw gaan er zich ook Friezen vestigen in de Vlaamse kustregio.

Rond 270 na Christus breekt de Noordzee echter met vol geweld opnieuw door de duinenrij en overspoelt het niets ontziende springtij de achterliggende lage landen. De geweldige kracht van het water verwoest alles wat het op zijn weg ontmoet. Bomen worden ontworteld en als luciferstokjes met het woeste water richting binnenland meegesleurd. De roemrijke bossen van de Menapiërs worden van de aardbodem gerukt door het meedogenloze natuurgeweld.

De ’tsunami’ van het zilte water zet hele gebieden van (Frans-)Vlaanderen en Nederland onder water. Het ononderbroken spel van vloed en eb vult de laaggelegen gebieden van de Moeren met duizenden tonnen afgebroken takken, bomen, struiken die er in metershoge lagen verder zullen verteren en verrotten tot het organisch materiaal dat eeuwen later turf of darink (deirink) genoemd zal worden. Het zal tot de 7de eeuw duren tot er in het uitgestrekte kustmoeras enkele plaatsen droog zullen komen te liggen.

De volgende vijfhonderd jaar zullen de lokale kustbewoners er geleidelijk in slagen zowat drieduizend hectaren polderland te heroveren op het water. In dat verzopen polderland gaan zich nu druppelsgewijs groepen Friezen en Saksen vestigen. Soms uit eigen wil maar evengoed worden ze als krijgsgevangenen door de overwinnaar van een of andere oorlog naar deze desolate streek gedeporteerd.

In 308 krijgt keizer Constantinus te maken met een opstand van die kustbewoners. Constantinus is de eerste christelijke keizer van Rome. Hij moet afrekenen met de Berber Arius die met een nieuwe leer, het Arianisme, komaf maakt met de goddelijke afkomst van Jezus. Volgens de christenen staat het Arianisme synoniem met ketterij. Die ketterij verspreidt zich vanaf 315 in de Westhoek. Het sterkt de landmensen in hun overtuiging dat hun eigen eeuwenoude bijgeloof beter is dan dat nieuwe – opgedrongen – christelijke gedoe.

Vreemde volkeren hebben in het jaar 420 al ferm geknabbeld aan het Romeinse imperium. De Salische Franken hebben zich de voorbije eeuw gewapenderhand gesetteld aan de Maas. Vanuit Taxandrië, ’s Hertogenbosch, verspreiden deze Germanen zich westwaarts naar de Westhoek en nemen ze ongegeneerd het land over van de Romeinen. Hele groepen Franken gaan zich vestigen langs de terugtrekkende Noordzee en in de vruchtbare leemstreek tussen de Leie en de Canche.

Bij ons krijgen ze hierbij de hulp van de Gallische Belgen die een samenwerking met de Franken tegenover de Romeinse heerschappij best zien zitten. De Franken sluiten akkoorden met de Goten, de Vandalen en vooral met de Romeinen. Ze komen aan de macht in zowat heel West-Europa. De Frankische hertog Marcomar laat een zoon na. Zijn naam is Pharamond. Hij wordt koning van Frankenland. Pharamond, de eerste koning van Frankrijk, wordt grote baas over ons Gallië. Het christelijk geloof sijpelt eeuwenlang beetje voor beetje binnen in de Westhoek.

De Vlamingen blijken echter bijzonder moeilijk te overtuigen om hun vertrouwde ‘afgoderie’ af te zweren en over te stappen naar dat nieuwe geloof. Predikers zoals St. Vitricius, St. Fusciaen en St. Eleuterius doen de grootste moeite om bij onze streekgenoten de heidense gedachten te laten overgaan in de christelijke religie. Ze worden hierbij geholpen door de kerstening van Clovis in het jaar 499 die meteen ook de eerste christelijke koning wordt van Frankrijk. St. Amand, bisschop van Tongeren in 634 en St. Elooi, bisschop van Doornik in het jaar 649 slagen uiteindelijk in deze opdracht. Het over de streep trekken van het ruwe volk aan de zeekant heeft bloed zweet en tranen gekost.

De eerste forestier van Vlaanderen, Liederik de Buck, geeft de doorslag en zorgt er voor dat de inwoners van Veurne-Ambacht tot het christendom bekeerd worden. De tijd is aangebroken om kerken te bouwen. Om parochies te stichten in de Westhoek. Zo ook in Furnu in het jaar 649! Naast de Burg en op de plaats van de vroegere afgodentempel wordt de Onze-Lieve-Vrouwkerk gebouwd. Later zal ze herdoopt worden tot Sint-Walburgakerk. Het gebrek aan predikanten heeft er voor gezorgd dat de mensen al snel hervallen in de ‘oude doolinge ende afgoderie’.

Met de komst van St. Odomarus, de bisschop van Terwaan komt daar in 665 verandering in. De stad en de casselrie van Furnu (Furnus-Veurne) vallen vanaf dit jaar in het bisdom van Terwaan, onder de voogdij van Odomarus. Hij stuurt zijn monniken Mommelinus en Bertinus naar de afvallige streek. In de regio van Veurne-Ambacht zwaait Adalfridus de plak. Hij is een rechtstreekse nazaat van de eerste koning van Frankrijk Pharamond die in 427 is overleden. Pharamond geeft de kroon door aan Chlodion die koning wordt.

Zijn zuster Blesinde erft het gebied van de Morinen en de Menapiërs. De man van Blesinde heet Falander die zijn naam schenkt aan de naam ‘Vlaanderen’. Hun zoon heet Flandbert. Hij is de heer van Buck, de heer van de Menapiërs en de Morinen. Flandbert overlijdt in het jaar 439. Flandbert wordt opgevolgd door zijn zoon Charocus die sterft in 475, daarna door zijn kleinzoon Leodegarius (overleden in 511) en zijn achterkleinzoon Sygiuldus (530).

De kleindochter van Sygiuldus, Emergarde van Roussillon, heeft één illustere zoon: Liederik De Buck. Liederik de eerste Forestier van Vlaanderen (600-692). Uit het huwelijk van Liederik De Buck en zijn vrouw Ydonea komen vijftien kinderen voort. De 10de zoon wordt Saladru genoemd (Saladranus, Sabedin). Hij krijgt het domein van Sichis (Sithiu – Sint-Omaar). Adalfridus is de zoon van Saladru, telg van een eeuwenoud geslacht en sowieso nauw verbonden met Terwaan en Sint-Omaars.

Adalfridus woont met zijn volk op een boogscheut van Veurne, in Adalfridinghem. Volgens de legende heeft Adalfridus een baby van amper drie maanden. Het kindje is blind geboren. St. Odomarus vertelt hem dat zijn kind niet beschikt over het ‘innerlijke licht’ en stelt voor om het te laten dopen in het bijzijn van al het volk van Adalfridinghem.

De legende gaat verder! Er gebeuren vreemde dingen bij dit doopsel dat in openlucht doorgaat. Er is een gebrek aan water. Bisschop Odomarus graaft met zijn staf een put in de grond die prompt gevuld wordt met vers doopwater. Wanneer Odomarus de gebruikelijke vraag ‘Abrenuntias Sathanae?’ (doe je afstand van Satan??) stelt, gebeurt het. Nog voor de peter ook maar enigszins de kans krijgt om te antwoorden op de vraag van de bisschop, opent het kindje de ogen en zegt tot stomme verbazing van de omstaanders ‘Abrenuntias’ (Ja, ik doe afstand).

Wanneer de bisschop de woorden ‘Ego te baptiso’ uitspreekt, opent het kind de ogen en kijkt het iedereen aan. Een wonder is geschied. De mare van het mirakel verspreidt zich als een lopend vuur door heel het land van Vlaanderen. Veel mensen van Veurne-Ambacht die voordien niet moesten weten van het evangelie veranderen door dit wonderlijke voorval van mening en laten zich overtuigen tot de christelijke leer.

De kleine put met doopwater groeit gestaag tot een heuse bron en wordt voortaan de Sint-Omaarsput genoemd. De bron bevindt zich op een boogscheut van de toekomstige kerk. Vele eeuwen lang zal op Sint-Omaarsdag jaarlijks het water herwijd worden en zal de Sint-Omaarsput een bedevaartsoord zijn voor ‘het wassen van de ogen’ van blinden en slechtzienden. Adalfridus is nu sterk overtuigd van de katholieke leer en schenkt tussen 665 en 703 al zijn eigendommen aan de Sint-Bertinusabdij van Sint-Omaars. De schenking is niet min. De abdij van Sithiu verwerft land in Lampernisse, Diksmuide, Steenkerke, Oudekapelle, Loo en in andere parochies buiten de casselrie van Veurne.

Zoals bekend, bezitten de monniken van Sithiu eveneens aanzienlijke eigendommen in Poperinge en Ieper. Het erfgoed van Adalfridusheim is gelegen aan de rivier Saltanawa (soeten waterloop, vandaar later Zoetenaaie). Het behelst een schoon kasteel met aanzienlijke renten, tienden en andere inkomsten. Binnen zijn domein, de priorij van Sint-Omaars, beschikt de abt over een eigen rechtspraak.

Hij bouwt er de Sint-Audomaruskerk. Adalfridus wordt door Odomarus en Bertinus aangesteld als gouverneur van Veurne-Ambacht. Veel later zal zijn oorspronkelijke landgoed met de Sint-Audomaruskerk de naam van Alfrynghahem, Alveringem krijgen. In 690 reist de tweeëndertigjarige prediker Willebrordus van Engeland naar Grevelingen, een kleine voorhaven van Sint-Omaars, om hier het evangelie te verkondigen. Hij predikt doorheen de hele westkant van België en Nederland tot in Friesland.

In Wülpensand treft hij een levendige gemeenschap van vissers en kooplieden aan. Het is één van de oudste plaatsen in het ‘Blootte’. Ze leven langs een zee-ader waardoor ze van hier met hun schepen de Noordzee kunnen bereiken. Volgens een gelijkwaardige overlevering als die van Alveringem, steekt Willibrordus zijn pelgrimsstok in de grond, waardoor er direct een bron van helder water ontspringt. Het water van die bron, in de volksmond het Willibrordusputje genoemd, wordt sindsdien nog altijd als beschermend water tegen alle brandende ziekten gebruikt. Nog elk jaar wordt in Wulpen het Willibrordusputje ter gelegenheid van de Sinksenprocessie door de lokale pastoor gewijd.

Het land dat al tientallen jaren lang geteisterd wordt door herhaalde invallen van de Goten en de Vandalen, krijgt nu met nieuwe terreur te maken. Rond 690 worden onze streken gekloot door noordse wildemannen die de haven van de Ijzer gebruiken om landinwaarts alles wat ze aantreffen te verwoesten en te plunderen. Het gaat er zo bloeddorstig aan toe dat de inwoners van Veurne en van de hele casselrie zich verplicht voelen te vluchten en rond te dolen in voor hen onbekende oorden. Veurne-Ambacht blijft zo goed als honderd jaar braak, desolaat en onbewoond achter.

Er is over de periode tussen 690 en 790 is zo goed als géén informatie beschikbaar over onze kuststreek en zijn hinterland. Daar komt verandering in als Karel de Grote aan de macht komt in Frankenland en onze streek in 792 toevertrouwt aan forestier, woudgraaf, Liederik van Laudunum die het gebied van West-Vlaanderen toegewezen krijgt. Liederik is een nazaat van de eerste Liederik de Buck, de allereerste forestier van Vlaanderen.

Om de nieuwe woudgraaf te helpen bij de ontginning van de woeste streek, stuurt hij hele groepen krijgsgevangen Saksen naar de gebieden westelijk van de Leie. Er komt opnieuw bewoning in de Westhoek. Liederik en zijn opvolgers Ingelram en Audacer zullen de grondleggers zijn van het graafschap Vlaanderen. Vele tientallen jaren lang krijgen we het ongewenste bezoek van bandietenbenden uit het noorden die met niets ontziend geweld moorden, verkrachten en plunderen. In 861 is Boudewijn met de Ijzeren Arm de forestier in dienst van de Franse koning Karel de Kale.

Hij moet zorgen voor orde in Vlaanderen. In 861 is er opnieuw ‘een dergelijke desastreuze inval van de Noormannen. Een omvangrijke vloot van 200 Vikingschepen is via de kusten van Engeland het kanaal overgestoken. Met duizenden piraten tegelijk ontschepen ze in de haven aan de Ijzer en staan ze klaar om het hinterland van Vlaanderen en Noord-Frankrijk binnen te dringen.

Ze halen vernietigend uit in het hele gebied van Veurne-Ambacht waar ze de machtige burg van Veurne veroveren. Noch de koning van Frankrijk, noch zijn forestier kunnen beletten dat de huizen en kerken van de Westhoek genadeloos verwoest en verbrand worden. Van Veurne trekken de bendes naar Groenberg, nu Sint-Winoksbergen of Bergues genoemd, en naar Sithiu (Sint-Omaars).

De inwoners van Sithiu zijn hun stad ontvlucht en de Vikingen kunnen de stad probleemloos innemen. Kerken en kloosters worden verwoest. De vlammen verteren de zorgvuldig neergeschreven kronieken van de voorbije eeuwen. Het titanenwerk van de monniken is verloren moeite geweest als de neergeschreven geschiedenis van onze streek in rook en as omgetoverd wordt.

Van Sithiu trekken de legers naar Cassel waar ze hevig verzet ontmoeten. De bloedige raid gaat nu richting Terwaan waar bisschop Hunfridus de grootste moeite van de wereld heeft om te voorkomen dat de hoofdstad van de Morinen afgebrand wordt. De plundertocht eindigt in de haven van Mardyke waar de Noormannen inschepen om verderop in Frankrijk nieuwe gewelddaden te plegen. Boudewijn schopt het tot eerste graaf van Vlaanderen als hij in op 13 december 863 na veel verwikkelingen trouwt met Judith, de dochter van Karel de Kale.

Als huwelijksgeschenk krijgt hij het bestuur over de ‘pagus Flandrensis’, het door de Vikingen geteisterde gebied tussen de Somme, de Schelde en de Noordzee, een gebied dat de Franse koning liever kwijt is dan rijk.

Dit is een fragment uit Boek 1 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 1
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.