Op Parijs na met zijn ongeveer 100.000 inwoners is Vlaanderen de dichtstbevolkte regio van Frankrijk. Gent is de grootste stad met 50.000 inwoners, gevolgd door Brugge en Ieper met respectievelijk 40.000 en 20.000 inwoners die gelden als grootsteden in het koninkrijk. Tussen de mastodonten Gent, Brugge en Ieper zijn eeuwenoude woonkernen verder uitgegroeid tot een netwerk van dorpen en steden zoals we die eigenlijk op vandaag nog steeds kennen.
Door dat grote netwerk van stedelijke concentraties zijn de oude feodale structuren in Vlaanderen snel aan het verdwijnen. De mensen leven niet langer onder het juk van lokale landeigenaren, maar gaan zich in alle vrijheid vestigen in de stad waar ze een ambacht kunnen uitoefenen of kunnen gaan werken in de “booming” textielindustrie. De overgebleven boeren zorgen op steeds grotere landbouwpercelen voor de nodige basisgrondstoffen om al de monden te voeden. De 13de eeuw is voor Vlaanderen grotendeels een periode van grote materiële welstand.
Vooral de verkoop van het Vlaams laken zorgt voor dynamiek in het graafschap. De kwaliteit en inventiviteit van de Bikkembergs en de Lacostes van de 12de en 13de eeuw verspreidt zich – dank zij de kruisvaarders – over heel Europa. Iedereen wil in het bezit komen van die Vlaamse exclusieve gewaden.
Als grondstof voor het Vlaamse textiel wordt meestal de onovertroffen Engelse wol gebruikt. De Engelsen beseffen de potentiële mogelijkheden van hun schaapsteelt die dan ook geweldige proporties aanneemt in die tijden. De Vlaamse lakenproducenten en de Engelse wolleveranciers zijn tot en met afhankelijk van elkaar. Maandelijks worden zo’n 3000 zakken schaapswol verscheept van de Engelse naar de Vlaamse havens. Londen en de Vlaamse steden zijn beste maatjes met elkaar.
Met de opbrengst van de lakenhandel kan de Vlaamse bevolking zich bevoorraden met graan vanuit de rijke graanschuren van Frankrijk en Henegouwen. Met het geld dat ze verdienen vanuit Engeland betalen de Vlamingen dus Frankrijk en Henegouwen. Frankrijk en Engeland kunnen mekaars bloed wel drinken. Op vrij korte termijn zal die combinatie een gevaarlijke en fatale cocktail blijken voor de Vlaamse steden.
Waar geld en welvaart worden gecreëerd gaan politici zich moeien. Dat leert de geschiedenis al vroeg. Handelsboycots, accijnzen, politieke inmenging zullen nog voor het jaar 1300 het nodige kwaad aanrichten in Ieper & Co. En natuurlijk staat de wereld niet stil. De technologische voorsprong van Vlaanderen zal in de 13de eeuw geleidelijk aan plaats maken voor een modale handelsplaats tussen alle andere.
Vanuit de streek van Italië en vanuit de Champagne komt de gewoonte van de jaarmarkten aangewaaid. Dergelijke jaarmarkt kan gerust tot één maand duren. Laken, ijzerwaren, juwelen, kruiden, kleurstoffen, wijnen worden er verhandeld door vooral buitenlandse kooplui. Het gebruik van geld gaat hand in hand met die nieuwe jaarmarkten. Het gebruik van wisselbrieven en banken dateert vanuit die tijd. Vooral de Italianen (Lombarden) blijken meesters in het introduceren van nieuwe financiële technieken en systemen. Al snel gaan de Lombarden nauw samenwerken met de vorsten van West-Europa.
Ook in Vlaanderen ontstaat dank zij Johanna van Constantinopel een netwerk van jaarmarkten. Die staan natuurlijk in functie van de lokale lakenhandel. In maart gaat er een markt door in Ieper, na Pasen volgt Brugge. Torhout, Mesen en Rijsel volgen later in het jaar. De graven van Vlaanderen stimuleren die ontwikkeling en zorgen er voor dat er munten zijn waarvan de koers eenvoudig te berekenen is. Een eeuw lang zullen die jaarmarkten een grote stempel drukken op de welvaart. Te midden van die economische wonderjaren spelen zich het leven en de dood van de graven van Vlaanderen af.
In 1244 sterft de kinderloos gebleven gravin Johanna. Ze wordt opgevolgd door haar zuster Margaretha van Constantinopel die gravin van de graafschappen Vlaanderen en Henegouwen wordt. Margaretha (42) heeft 2 kinderen uit haar eerste huwelijk met Burchard van Avesnes: Jan en Boudewijn. Johanna helpt haar zuster aan een fatsoenlijke partij als ze Margaretha linkt met legerbevelhebber Willem van Dampierre afkomstig van een bekende, maar ietwat verarmde adellijke familie uit de Champagnestreek. Ze bezitten er een landgoed tussen Châlons-sur-Marne en Tronies. Haar huwelijk met Dampierre resulteert in 4 kinderen: Willem (1225), Gwijde (1226), Jan (1230) en Johanna.
Er breekt vrijwel onmiddellijk een zware strijd uit tussen de Avesnes en de Dampierres rond de troonopvolging van moeder Margaretha. In 1246 wijst de Franse koning Vlaanderen toe aan de Dampierres en Henegouwen aan de Avesnes. De rust keert voorlopig terug. Voorlopig. Willem van Dampierre komt in 1251 om het leven bij een duel. Op 25-jarige leeftijd wordt zijn broer Gwijde op verzoek van zijn moeder de wettige troonopvolger als graaf van Vlaanderen. Gwijde legt zijn grafelijke leenhulde af in de handen van de Franse koning Lodewijk IX. Zijn bevoegdheden zijn aanvankelijk vrij beperkt.
Gwijde (vandaag zouden we Guido zeggen) is inmiddels getrouwd met Mathilda van Bethune en daardoor eigenaar geworden van de heerlijkheden Dendermonde en Bethune. Tijdens het huwelijk van Gwijde en Mathilde worden een tros kinderen geboren. De oudste, Robrecht van Bethune, is pas 2 jaar als Gwijde in het jaar 1251 de officiële troonopvolger wordt in Vlaanderen. De opa van Robrecht aan moederskant is een steenrijke landheer en rechterhand van de graaf. Hij komt om het leven op 48-jarige leeftijd tijdens de 7de kruistocht in Sardinië. Robrecht is amper één jaar.
Zijn grootmoeder Mathilda erft in 1248 alle eretitels van haar vader samen met het voogdijschap over Atrecht (Arras), Bethune en Dendermonde en talrijke domeinen in Vlaanderen en Artesië. Ook voor de kleine Robrecht wordt het pad om later graaf van Vlaanderen te worden hierdoor geëffend. Op 8 november 1263 sterft Mathilde van Bethune. Robrecht erft het voogdijschap over Atrecht (Arras), Bethune en Dendermonde en talrijke domeinen in Vlaanderen en Artesië.
Vader Gwijde van Dampierre hertrouwt 2 jaar later met Isabella van Luxemburg en wordt daardoor heerser over het graafschap Namen. Robrecht van Bethune zal er tijdens het nieuwe huwelijk van zijn vader nog 11 stiefbroers- en zusters bij krijgen.
In datzelfde jaar 1265 trouwt de 18-jarige Robrecht van Bethune met Blanche, een kleindochter van de Franse koning en de dochter van Karel van Anjou. Karel is koning van Sicilië dat zich in die tijd uitstrekt over heel zuid Italië. De jonge Robrecht moet vrijwel onmiddellijk aan de slag aan de zijde van zijn schoonvader in diens strijd tegen de Hohenstaufens. Tijdens de drie jaar die volgen bouwt hij zich een reputatie op van enerzijds een onverschrokken, succesvolle en edelmoedige krijger maar anderzijds ook die van een een impulsieve en snel opvliegende kerel.
Robrecht en Blanche krijgen in 1269 één kind dat ze de naam Willem geven. Blanche laat echter het leven op het kraambed. Robrecht en zijn vader nemen in 1270 deel aan de 8ste kruistocht naar Tunis. Bij zijn terugkomst in maart 1272 hertrouwt hij met de kinderloze 25-jarige weduwe Yolande van Nevers. Het jaar erop erft Robrecht het graafschap van Nevers van zijn schoonmoeder. Yolande baart in datzelfde jaar een eerste kind. Lodewijk is de tweede zoon voor Robrecht en stiefbroer van Willem. Tussen 1274 en 1280 worden nog 4 andere kinderen geboren.
Willem, het 11-jarig zoontje van Robrecht en Blanche sterft in 1280 onder verdachte omstandigheden. Bepaalde kronieken insinueren dat het kind omgebracht wordt door zijn stiefmoeder Yolande die absoluut zeker wil zijn dat haar erfdeel zal doorgaan op haar eigen kinderen.
Kroniek van het Zaelhof. “De mooie stad van Ieper is vaak de favoriete verblijfplaats van de graven van Vlaanderen. Filips van den Elzas die de Ieperlingen graag zag bouwde in hun stad een kasteel dat men het “Zaelhof” noemde ofwel het “prinselijk hof”. Volgens de kroniekschrijvers werd het kasteel oorspronkelijk gebouwd door een Engelse prins met de naam Yperbolus, maar het blijft natuurlijk onmogelijk om te achterhalen of dit effectief zo was.
Het kasteel waarvan er amper nog iets van is overgebleven is gelegen ten westen van de stad. Het Zaelhof wordt volledig omringd door grachten die gevoed worden door de Ieperlee. Een brug van steen en hout voorzien van een valhek vormt de enige toegang tot het kasteel. Het Zaelhof oogt imposant maar het is zoals alle kastelen in de oude feodale tijden in realiteit een povere plaats om te wonen.
In 1268 heeft Gwijde van Dampierre dicht bij de stad een klooster voor de Minderbroeders gesticht. Sinds die tijd leeft Robrecht van Bethune, de zoon van Gwijde, in het Zaelhofkasteel. Hij zal er een groot deel van zijn leven wonen en er uiteindelijk sterven in 1322.
Op 2 juni 1280 staat er een menigte van mensen voor de brug van het kasteel. Het geroezemoes aan beide kanten van de toegangsweg is opvallend. De aanwezige Ieperlingen vermoeden dat er wel iets heel speciaals aan de gang is binnenin het kasteel. Aan de overkant van de brug wappert een groot zwart laken ten teken van rouw. En dat prikkelt de verbeelding van de omstanders.
Robrecht van Bethune is niet aanwezig in het kasteel. Dat weten ze. De gravin, omringd door haar talrijke bedienden, is er wel. Er heerst inderdaad een rouwstemming. De oudste zoon van Robrecht, een beloftevol kind van 11 jaar is overleden terwijl Robrecht andere katten aan het geselen was met het stadsbestuur van Brugge.
De wachtende en roddelende menigte verwacht de terugkeer van Robrecht die zijn kind zal willen begraven. “Is die kleine engel werkelijk zomaar gestorven?” vragen ze zich af. “Binnen het uur” blijkt het. “Gisterenmorgen om acht uur was hij nog goed en wel. De jonge heer at er met smaak van zijn ontbijt. En om negen uur was het ventje dood!
Veel geruchten doen de ronde. “Zou Yolande de zoon van Robrecht uit zijn eerste huwelijk hebben vergiftigd?”. “Wil ze enkel haar zoon Lodewijk van Nevers als troonopvolger?”. Het volk roddelt er op los daar bij het Zaelhof.
De klokken van het kasteel luiden. Robrecht is op komst. In de verte zijn de grafelijke banieren al zichtbaar. Yolande haast zich naar buiten om haar man te verwelkomen. Robrecht van Bethune is inmiddels al op de hoogte van de dood van zijn oudste zoon. Hij is ervan overtuigd dat Yolande het kind heeft vergiftigd om haar eigen kind op het eerste plan te brengen en zijn erfdeel in te pikken.
De 33-jarige Robrecht wil wraak! Hij is nochtans een christen mens maar de oorlogen in Sicilië hebben hem hard en meedogenloos gemaakt en hebben eigenlijk zijn jeugd weggenomen. Hij schuimbekt van woede om de moord op zijn kind. Er moet gerechtigheid komen!
Getooid in stalen wapenuitrusting houdt hij halt bij het Zaelhof. Yolande begroet haar echtgenoot zoals gewoonlijk met een kushand in de hoogte. Robrecht, nog steeds te paard en Yolande ontmoeten elkaar midden op de brug. Zij staat op een trapje om haar man gepast te kunnen aankijken en te verwelkomen. Hij kijkt haar ijskoud aan. In plaats van de gebruikelijke omhelzing trekt Robrecht zijn vrouw tegen zich aan en wurgt haar zonder pardon met de teugels van zijn paard. De mensen aan de oprijweg kijken met verstomming toe.
Twee minuten later is Yolande gestikt. Robrecht van Bethune heeft zijn vrouw vermoord. Diepbedroefd gaat hij op zoek naar het lichaam van zijn dode zoon. Yolande wordt begraven in het klooster van de Minderbroeders. “
In december 1278 volgt de 52-jarige Gwijde van Dampierre zijn moeder definitief op als 21ste graaf van Vlaanderen. Hij wordt geïnstalleerd als nieuwe graaf door de Franse koning Filips III de Stoute. Margaretha sterft de 10e februari 1280 op 78-jarige leeftijd.
Vrij vlug daarna worden de ambitieuze Gwijde en Robrecht geconfronteerd met de macht van de steden van Gent, Brugge en Ieper. De grafelijke macht en gezag zijn in 1278 tot een dieptepunt gezakt en financieel zitten de graven aan de grond. En dat terwijl de steden dankzij de lakenindustrie rijk en machtig zijn geworden. Die macht hebben ze precies te danken aan de voorrechten die ze konden aftroggelen van de voorgaande graven die wanhopig op zoek waren naar financiële middelen om hun hofhouding in stand te kunnen houden. De rijke burgerij (de patriciërs) en de uiterst kapitaalkrachtige lakenhandelaars van Ieper, Gent en Brugge hebben zo hun kans genomen om een “macht in de macht” te worden en kunnen nu ongestoord de “lakens” uitdelen in de steden.
En natuurlijk mag gezegd dat de graven van Vlaanderen zich verheven voelen boven de gewone bevolking en zich eigenlijk niets aantrekken van hun levenssituatie. Er bestaat niet de minste affectie van de vreemde (van de Champagne afkomstige) heren met de lokale Vlaamse bevolking. Het enige wat de heren van stand telt is dat de bevolking zorgt voor geld in hun bakje.
De macht van de superrijke burgerij zorgt voor een belastingsstelsel dat zeer nadelig is voor de gewone man. Iedereen, arm en rijk betaalt een zelfde belasting aangevuld met een taks op eetwaren en drank die dan vooral het gewone volk treft. Het opgeld. Het ongenoegen van de bevolking in de steden groeit gestaag. Het volk wil inzicht in de rekeningen en eist transparantie van zijn stadsbestuur dat er eigenlijk voor spek en bonen bijzit.
Nog voor de machtsoverdracht van 1278 krijgen Margaretha, Gwijde en Robrecht te maken met het volksrumoer in Gent. Ze vervangen het volledig stadsbestuur door een nieuw college van 13 schepenen, 13 raadsleden en 4 ontvangers. Alle 30 komen uit de rangen van de rijke burgerij. De patriciërs blijven volledig buiten schot en de arbeiders blijven met lege handen achter.
De onrusten van Gent en Brugge steken ook in Ieper de kop op. De Bruggelingen hadden in 1279 een klacht ingediend bij de Franse koning omdat hun stadsbestuur weigerde inzicht te geven in hun financiën. Wat deed het bestuur met het geld van de mensen?
De Franse koning verwijst hen naar de graaf die de klacht moet onderzoeken. Hij maant de Brugse schepenen aan om hun rekeningen voor te leggen aan de vertegenwoordigers van de ambachten. En dat ligt moeilijk bij de magistraten want ze kunnen moeilijk toegeven dat ze eigenlijk diep in de schulden zitten. Ze leggen het probleem van de lege stadskas voor aan Gwijde die hen het recht toestaat om nieuwe belastingen te heffen.
Wanneer de ambachten het nieuws over de nieuwe belastingen vernemen, barst de hel los in Brugge. Zware en bloedige rellen breken uit en zullen weken aan een stuk voortduren. De graaf zou eigenlijk moeten tussenkomen maar die voert oorlog aan de zijde van de Franse koning. Hij stuurt Robrecht naar Brugge die orde op zaken moet stellen. De impulsieve Robrecht neemt keiharde en ondoordachte maatregelen zowel tegen de schepenen als tegen de vertegenwoordigers van de ambachten. Velen worden gevangen genomen. Enkelen worden opgehangen. Maar opnieuw wordt de elitaire klasse van de patriciërs ongemoeid gelaten. Olie op het vuur van de boze syndicaten.
Op 15 augustus 1280 wordt het houten belfort in brand gestoken. Stadsrekeningen en waardevolle documenten worden door het vuur vernietigd. Ook de keuren met de voorrechten die de Bruggelingen ooit verkregen van graaf Filips van den Elzas worden door het vuur verteerd. En dat betekent niet meer of niet min een regelrechte ramp voor het middeleeuwse Brugge! De stadsbewoners richten zich in paniek tot Gwijde van Dampierre om van hem nieuwe stadsprivileges te krijgen.
Gwijde lijkt echter niet geïnteresseerd om in te gaan op de vraag van de gefrustreerde Bruggelingen. In de plaats daarvan vertrekt hij voor vijf maanden naar het zuiden van Frankrijk om de Franse koning bij te staan bij zijn onderhandelingen met de koning van Castilië.
Het is niet meteen duidelijk wie precies brand gesticht heeft maar als de ambachten vernemen dat er geen sprake is van nieuwe privileges en dat er van de stadsrekeningen die ze nu al jaren willen inkijken, niets meer over blijft breekt er een nieuw oproer (een “wapeninghe”) los die later zal bekend blijven als de “Grote Moerlemaeye”.
–
Uit deel 2 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


