Het jaar 1584. Enige tijd na de overgave van Veurne krijgt de stad drie compagnies voetvolk te slapen gelegd. Vreemde garnizoenen zijn voor elke stad hoe dan ook een bangelijke ervaring. De vreemde soldaten staan onder het bevel van kapitein Villiers, van een zekere Moreau en van Jacob Valcke. Villiers is de algemene commandant en wordt in zijn taak bijgestaan door sergeant-majoor Vanden Clichthove. De troepen die hier het eerst waren binnengekomen onder leiding van kapitein Hannon verdwijnen naar andere oorden.
De nieuwe manschappen hebben nog maar pas de stad in hun bezit genomen of er komt al een bevel van het Hof aan de magistraten om op hun kosten de vervallen versterkingen aan de Oostpoort op te kalefateren. En ook het Oostbolwerk moet aangepakt worden. Na de afwerking van de vereiste werken zullen die versterkingen als een soort citadel dienen voor de stad. Van hieruit kunnen de Spanjaarden met relatief weinig volk de burgers onder controle houden. Dat kan volgens hun zeggen nodig zijn omdat ze enige achterdocht koesteren tegen een aantal inwoners die wel eens oproerig zouden durven worden. Om de magistraten van de stad en de kasselrij te adviseren bij de heropbouw van de Veurnse versterkingen stuurt het hof ingenieur Hercules Scottey naar de stad.
De werken zijn al aangevangen rond Allerheiligen van 1583. Elf maanden later verhuist het stadsgeschut en de oorlogsmunitie die in de stadsmagazijnen opgeslagen ligt nu naar de nieuwe sterkte. Juan Arias en een compagnie soldaten nemen hun posities in op de nieuwe constructie die ze ‘Reducto’ noemen. De inwoners van de stad zien zich zo deels ontlast van hun militaire gasten. De kapitein van de sterkte zal voortaan de titel van ‘kastelein van de Reducto’ dragen. De constructie heeft meer dan 5.000 gulden gekost, een bedrag die fiftyfifty betaald werd door de stad en de kasselrij.
Na een blokkade van ongeveer zeven maanden zonder enige hulp van buitenaf geeft Ieper zich op 9 april 1584 over aan Farnese. De Bruggelingen en de inwoners van het Vrije die bijzonder ontevreden zijn over de steun van de Generale Staten verzoenen zich op 25 mei met de Spaanse kroon. Het zal nog duren tot 17 september voor die van Gent zich onder de gehoorzaamheid van de (Spaanse) koning plaatsen. Daarmee lijkt de oorlog in West-Vlaanderen afgelopen.
Het magistraat van Veurne-Ambacht gaat er nu hard tegenaan om de inwoners naar hun huizen terug te lokken. En dat is zeker geen evidentie. Het leven is zeer duur en de rijkste eigenaars van de streek hebben fortuinen verloren, en bovendien vinden ze geen pachters om hun eigendommen uit te baten. Ze zien zich genoodzaakt om zelf hun pachteigendommen te exploiteren om aan de kost te geraken. Het jaar 1584 blijft hoe dan ook maar een pover beestje omdat er niet veel landvolk het ziet zitten om vanuit de andere Vlaamse gewesten terug te keren naar het Westland.
Amper 2.000 hectare gebruikte landbouwgrond in de hele kasselrij is inderdaad bedroevend weinig. Om de teruggekeerde inwoners wat te sparen proberen de magistraten het te redden met leningen waarop ze intrest moeten betalen. De lijst van onbewoonde parochies waar dus geen mens woont is veelbetekenend: Ramskapelle, Sint-Joris, Pervijze, Avekapelle, Kaaskerke (Casekinskercke), Stuivekenskerke, Valravenkinderenkercke, Rellemskapelle, Zoutenaaie, Haringe, Proven, Stavele, Krombeke, Oostvleteren, Westvleteren, Reninge en Gijverinkhove Een aantal andere parochies kennen daarbij een minieme bewoning. De weinige mensen worden hier dan nog gekloot door de pest die overal om zich heen grijpt, een gesel die veel mensen in het graf sleept.
Buiten de plagen die de Veurne-Ambachters kwellen, ondergaan de lieden natuurlijk ook nog dagelijks de slechte behandeling van de soldaten uit de omliggende garnizoenen. Die nietsnutten roven en stelen er op los zodat de mensen hun woningen er maar leeg laten bij liggen. En bovendien loopt de hele kasselrij vol van vrijbuiters en straatschenders die landlieden gevangen nemen en naar de bossen leiden om hen te pijnigen en te rantsoeneren. Dat laatste betekent dat ze enkel bij betaling van een vereiste som naar hun families kunnen terugkeren.
Het is dan ook helemaal niet verwonderlijk dat de mensen niet gehaast zijn om zich opnieuw te huisvesten in deze geteisterde Westhoek. Het magistraat probeert wat te doen aan de veiligheid langs de straten en de wegen binnen hun jurisdictie. Maatregelen tegen het kwaad volk. De raadsleden engageren een compagnie ruiters onder het bevel van kapitein Frans De Mamez. De mannen doorkruisen nu dag en nacht de kasselrij waardoor het aantal rovers en straatschenders toch een klein beetje begint te minderen.
Die grote bende ruiters kost natuurlijk een pak centen. Na twee maanden dienst vervangen ze de ruiters door een groep voetvolk die onder de leiding komt van Jacob De Reekemaecker, de stadhouder van de hoogbaljuw. Maar, ondanks het scherprecht dat wel dagelijks uitgesproken wordt tegen kwalijke individuen slagen ze er wel niet in om de streek ervan te bevrijden. Het duur leven en de armoede zijn zo uitgesproken dat een deel van het ‘klein’ volk verandert is in ‘wilde’ mensen, een fenomeen dat toch wel te verklaren is als men bekijkt wat ze allemaal al moesten doorstaan tijdens de voorbije oorlogstijd.
Er lijkt trouwens geen einde te komen aan de malaise. De soldaten van het geuzengarnizoen van Oostende beginnen nu ook uit te lopen in de Veurnse kasselrij. Het bolwerk van Oostende ontwikkelt zich van langs om meer als het laatste bastion van de Staten der Nederlanden. Dat gebeurt van langs om hardnekkiger en fanatieker, iets wat ze in de West-Vlaamse buitengebieden weldra zullen ondervinden. Bij hun strooptochten in de provincie vangen ze lieden die ze naar Oostende meeslepen en hen opsluiten tot hun rantsoen betaald wordt.
Het magistraat van Veurne-Ambacht klaagt deze praktijken aan bij het koninklijk hof en smeekt dat de Spanjaarden deze praktijken zouden beletten. Het zou nuttig zijn om in dit verband een fort te bouwen in Nieuwendamme, pal op de plek waar die van Oostende gewoonlijk voorbijkomen tijdens hun raids.
Dat fort zou dan kunnen dienen als bescherming voor Veurne-Ambacht, Nieuwpoort, Diksmuide en natuurlijk Veurne-stad zelf. Alexander Farnese geeft nog in 1584 het bevel aan de wethouders van de betreffende gemeenten om een ontwerp van ‘het bolwerk van Nieuwendamme’ effectief te bouwen en elk voor zijn deel in te staan voor de kosten hiervoor. Na het afwerken van de constructie zal een compagnie soldaten er zijn intrek nemen en zou de toeloop van de Oostendenaars nu aan banden moeten gelegd zijn. Het is een nobele gedachte.
Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek


