Op 21 april 1569 worden de edelen, de notabelen en de gezanten van de Acht Parochies uitgenodigd voor een algemene vergadering. Iedereen mag zijn advies verstrekken en reageren op de aangekondigde belastingmaatregelen.
Op 21 april 1569 worden de edelen, de notabelen en de gezanten van de Acht Parochies uitgenodigd voor een algemene vergadering. Iedereen mag zijn advies verstrekken en reageren op de aangekondigde belastingmaatregelen. Na het voorlezen van de brieven van Alva. De aanwezigen komen tot het besluit om een tegenvoorstel te doen om alsnog te kunnen ontsnappen aan de ongehoorde schattingen. Ze zijn bereid om de bestaande belastingen en toelages aan het hof wat te verhogen, in de mate dat dit mogelijk is en conform de noden van het land. Er wordt een brief opgesteld en opgestuurd naar de Raad van Vlaanderen. Veurne wil best praten over de vermogensbelasting maar verzoekt om in geen geval de vermelde heffingen op omzet door te voeren. De leden van de Raad van Vlaanderen komen op hun beurt tot een overeenkomst met Alva. De vermogenstaks kan afgekocht worden voor de som van achttienhonderdduizend gulden. Tijdens de oktobermaand krijgt het bestuur van Veurne-Ambacht hun quota in de lasten binnen: 184.069 ponden, te betalen in drie keer: een eerste betaling op 2 februari 1570, een tweede deel einde juni en de rest met kerstdag van hetzelfde jaar.
Pauwel Heinderycx buigt zich nog even over die fameuze honderdste penning die zal betaald worden zolang Alva zich in de Nederlanden ophoudt. Na zijn vertrek zal de schatting van de Raad van Vlaanderen plaats ruimen voor een effectieve inventarisatie van de eigendommen. Enkele taxeerders van het hof zelf zullen de baan opgaan om alles te schatten. Landerijen, huizen, molens, renten, huisraad, juwelen, beesten, zaden en alle andere soorten van goederen. De afgezonden mannen proberen steevast alles zo hoog mogelijk te taxeren. De landhouders en de schepenen doen wat ze kunnen om af te dingen op de schattingen en zo regelen ze veel zaken in het voordeel van hun inwoners.
De hertog van Alva ondervindt grote problemen bij het ophalen van zijn tiende en zijn twintigste penning. Je weet wel; de btw op omzet en de taks op verkoop van onroerend goed. Een van de grootste obstakels van de povere opbrengst is uiteraard de wetenschap dat de commerce op zijn gat zit. Wat wil je? Het grootste deel van de neringdoenden en stielmannen zijn het noodgedwongen afgetrapt naar het buitenland uit vrees voor de genadeloze represailles van diezelfde Alva en zijn Bloedraad. De hertog signaleert de problemen die hij ondervindt en ziet maar één mogelijkheid. Kan de koning de spons niet gooien over het verleden zodat de bewoners weer naar hun huizen zouden durven terugkeren?
Je moet maar durven. Ik onderbreek even om eens goed te lachen met Alva en zijn Spaanse koning Filips II. Als het over geld gaat dan mogen de principes best even overboord. Zonder scrupules. Zonder gêne die vraag om algemene vergiffenis. Alsof de mensen ooit nog enig vertrouwen zullen hebben in deze twee sujetten. Maar goed, ik kijk terug naar de goedkope demagogie van deze Alva. ‘Hij verzocht aan de koning dat hij aan zijn onderdanen in de Nederlanden zou believen een algemeen pardon over alles wat er in het verleden gebeurd was zodat de gevluchte Vlamingen en Nederlanders die op den vreemde doolden nu naar huis zouden kunnen keren. Hij hoopte daarmee de harten van de inwoners terug te winnen en vooral de zo belangrijke tiende penning te kunnen ophalen.’
Ik blijf de toestand met het nodig cynisme bekijken. Vooral nu ook de paus op de pinnen komt. ‘De koning keurde het verzoek van zijn hertog goed en hij zond aan Alva een bulle van paus Pius V waarbij men opnieuw in het land mocht binnenkomen. Men moest genade schenken aan al de gevluchte onderdanen, ook aan diegenen die zich verwijderd hadden van de katholieke religie. Met uitzondering wel te verstaan van hun ministers, diakens, consistorianten en ook de beeldenstormers en de kerkbrekers moesten op geen genade rekenen.’
Op 21 juli 1570 wordt de pauselijke bulle voorgelezen in Veurne. ‘Dit gaf oorzaak dat er veel gevluchte ingezetenen naar de kasselrij terugkeerden. Ondanks het algemeen pardon kon de hertog de staten van het land er niet toe bewegen om zijn zo begeerde tiende penning aan hem te betalen.’ Net zoals ik gedacht had. De mensen zijn misschien wel gek maar zeker niet dom. En net nu ik in een sarcastische bui ben, komt er nog zo’n leuk hebbedingetje uit het verleden naar me toegewaaid. Ik kon het me niet beter wensen. De benedictijnen van de abdij van Sint-Jan ten Berge binnen Terwaan bezitten al van oudsher een privilege om twee varkens te laten rondlopen langs de straten van Veurne. De zwijntjes voeden zich met alles wat ze op hun weg vinden en opvreten.
In zijn voetnoot heeft Pauwel het over de Sint-Antoniusvarkens. Een zekere Anthony van Wachendorff heeft er in 1775 een interessant artikel over geschreven. In geen tijd heb ik het bewuste kleinood te pakken. De beesten lopen hier rond ter ere van Antonius van Padua, de beschermheilige van de varkens in de rooms-katholieke kerk. Ik voel me direct aangesproken! De varkens die dus in Veurne en de andere steden rondlummelen doen dat als een vorm van verering voor diezelfde Antonius. Als je iets niet vindt moet je ook bidden voor Antonius. Wel dat is dus de man van de zwijntjes. Uiteraard kunnen dat geen gewone dieren zijn. Ze zijn natuurlijk gewijd, gewijde varkens verschillen van de gewone exemplaren omdat ze met bellen geringd worden, één oor ontbreken en gesigneerd zijn met het teken van Antonius. In elk geval: de heilige varkens lopen vrij in de stad wegens een toegekend privilege van de heilige stoel van Rome.
Sommige inwoners proberen trouwens hun eigen varkens een upgrade te bezorgen en transformeren hen in namaak Sint-Antoniusvarkens. Bedrog is van alle tijden. Met de obligate bellen, de tattoo’s en het oor af zijn ze niet te onderscheiden van de echte gewijde. Zo pogen ze God en zijn heiligen te verschalken. Tot de Raad van Vlaanderen ingrijpt. De varkens zelf zijn bestemd voor gestichten en godshuizen toegewijd aan diezelfde heilige kwast. Een nobel doel dus voor armen en behoeftigen. Ware het niet dat sommige geestelijken spottend omschreven worden als zelf zijnde Sint-Antoniusvarkens omdat ze beweren tot acht keer per dag te moeten eten ter ‘erkentenis der behoeftigheid van de mens.’
Ik kom terug op die varkens van Terwaan die hier meeleven met de poorters van Veurne-stad. Keizer Karel heeft tijdens zijn leven datzelfde Terwaan met de grond gelijkgemaakt, maar heeft eigenlijk die varkens over het hoofd gezien. Jaren na zijn dood wordt de vergissing duidelijk en wordt het geregeld dat het Sint-Antoniusklooster van Belle nu de licentie krijgt om de varkens over te nemen en te laten vetmesten met het straalvuil van Veurne. De overeenkomst wordt op 9 maart 1570 ondertekend door broeder-abt Jan Vander Heyden. Wat een sappige entr’acte toch tussen al dat dwaas godsdienstgeweld.
Het jaar 1570 brengt al bij al beschouwd toch wel de nodige overlast. Vooral het garnizoen Spanjaarden die Alva naar Veurne heeft gestuurd, zorgt voor erg veel ongemakken bij de burgers. De soldaten moeten natuurlijk ergens te slapen gelegd worden en dat jaagt de Veurnenaars deftig in de kosten. Om die grote onkosten en de moedwilligheden te voorkomen zijn er nogal wat poorters die hun hebben en houden op karren laden en met de noorderzon vertrekken. Op zijn beurt zorgt dat er natuurlijk voor dat de globale kosten moeten opgevangen worden door altijd maar minder burgers. Op 5 november legt het stadsbestuur een boete van zestig ponden op voor diegenen die de plaat willen poetsen. Met bovendien een arbitraire correctie, wat dit ook in werkelijkheid mag betekenen. Huisgezinnen worden verplicht om met hun goederen binnen de stadsmuren terug te keren en krijgen ook nog eens de tiende penning van de waarde van hun eigendommen aangesmeerd.
In 1571 hernieuwt de hertog van Alva zijn pogingen om zijn geplande taksheffingen te realiseren. Er komt een nieuwe vergadering van de Staten-Generaal. Hij heeft nu al flink wat water in de wijn gedaan maar nog altijd weigert de hoogste instantie van het land akkoord te gaan met deze nieuwe belastingen. ‘Daarom was de hertog zo kwaad dat hij zwoer dat hij zijn die belastingen goedschiks kwaadschiks zou binnenhalen en dat hij zijn landen daartoe zou dwingen. Daarom bleef hij ook zijn legertroepen in het land houden.’
Tussen het geruzie om de tiende penning door blijven de weggevluchte geuzen zich wapenen. ‘Ze schuimden de zee af, maakten dagelijks grote buit op de Spaanse en de Nederlandse schepen die ze kaapten, waardoor ze zowel in macht als in rijkdom wonnen.’ De wilde geuzen en de bosgeuzen hebben zich getransformeerd tot watergeuzen. Ze worden door iedereen gevreesd omwille van hun stoutmoedigheid. De watergeuzen beletten nu grotendeels de koophandel op de kusten. De thuisbasis van de kapers zijn de Franse havens waar de hugenoten, hun Franse calvinistische broeders het voor het zeggen hebben. Ook in Engeland kunnen ze met toestemming van de koningin aanmeren, laden en lossen. In Veurne kijken ze verrast op dat de zeeschuimers ook nog de steun krijgen vanuit het noorden van het land. Niemand minder dan de prins van Oranje, de admiraal ter zee voor de koning van Spanje blijkt sympathieën te koesteren voor de piraten. Ik maak de geboorte van de Oranjevloot mee.
De jaarboeken hier in Veurne getuigen over de grote malheuren die ze er aanrichten. ‘Deze zeerovers, nu zeer sterk zijnde, kwamen tot in de havens van de Nederlandse steden om buit te zoeken en ze werden altijd maar stouter en driester waarbij ze nu ook al via de binnenwateren doordrongen tot in het binnenland op zoek naar roof. Ze deden dat op het einde van de meimaand wanneer ze op de parochie van Oostduinkerke arriveerden waar ze enkele huizen plunderden. Na de gevangenname van drie landlieden namen ze die mee op hun schepen. Ze hadden datzelfde scenario trouwens al enkele dagen geleden al uitgevoerd in de parochie van Adinkerke.’
De magistraten van Veurne-Ambacht moeten wel reageren om deze vijandelijke aanrandingen in de toekomst te verijdelen. Een militie van tachtig man te voet staat in de steigers. Louis de Loueuse, de hoogbaljuw van de kasselrij neemt de leiding van de militie op zich. Het komt er op neer dat er dag en nacht gewaakt wordt langs de stranden. Enkele mannen te paard onder leiding van Francisco Martin moeten voortdurend heen en weer galopperen langs de waterlijn. Op de kerktorens van Adinkerke, Wulpen en Ramskapelle houden bewakers de regio in de gaten en bij het minste onraad slaan ze alarm.
Wat ik daarnet nog vertelde over de prins van Oranje dringt nu echt door tot in het hart van de Westhoek. Terwijl de watergeuzen de scepter zwaaien over het Kanaal is Willem van Oranje blijkbaar volop bezig met de uitbouw van een calvinistisch leger. Hij wil de macht in de Nederlanden overnemen, waar de turbulentie en de oproer omwille van de tiende penning nog altijd hoge toppen scheert. De steun vanuit het noorden zorgt voor extra zelfvertrouwen voor de geuzen. Groepjes verzetsleden dringen opnieuw het land binnen waarbij ze op zoek gaan naar pastoors en andere geestelijken.
Tijdens de junimaand van 1571 laat Alva een plakkaat publiceren waarbij de religieuzen beter beschermd zullen moeten worden. In al de parochies van de kasselrij worden er maatregelen in die zin genomen, maar toch blijft de ellende voor de priesters aanhouden. Op 18 december 1571 verwittigt Alva de magistraten nog eens extra. Wie de mishandeling van geestelijken niet kan voorkomen zal persoonlijk verantwoordelijk gesteld worden en dat geldt ook voor de magistraten in functie.
Die doen er nu natuurlijk nog een schepje bovenop. ‘Het magistraat wilde absoluut nog verdere invallen vermijden en liet op de kosten van de gemeenschap versterkingen aanbrengen op al de kerktorens van de kasselrij. Er werd een borstwering met schietgaten voorzien. Men verzocht aan de geestelijken dat ze zich overnacht bij hun wachten moesten ophouden. Deze versterking ziet men hedendaags nog altijd in de kerken van onder andere Leisele en Houthem waar ze nog altijd intact herinneren aan die tijden.’
Het jaar 1572 is ondertussen al aangebroken. Alva is er nog altijd niet in geslaagd om zijn belastingwetten door het parlement te loodsen. De ‘Generale Staten’ blijven zich verzetten. De hertog probeert nu stad per stad zijn wil op te leggen en de tiende penning met geweld af te dwingen. Hiermee zorgt hij voor een verdere escalatie van de onrust in het land. Waarom Alva zo fanatiek bezig is met het ophalen van nieuwe middelen heeft alles te maken met de politieke toestand in het noorden en het zuiden van Vlaanderen. De naam van de ‘hugenoten’ valt opnieuw. In 1570 hebben ze vrede gemaakt met de Franse koning. Hun aanvoerder Coligny sluit een deal met Willem van Oranje om de Spaanse macht in de Nederlanden om zeep te helpen.
Coligny zou met zijn leger van hugenoten de Franse grenssteden aanvallen terwijl Oranje net hetzelfde zou doen in het noorden. Limburg en Brabant. Hij zou zich laten bijstaan door Duitse hulpbenden. De bewuste vrede van 1570 zorgde ervoor dat ook de Franse koning deze plannen steunt. Alva ziet zichzelf in de tang geplaatst en moet zijn leger doelmatig uitrusten en daarvoor ontbreken natuurlijk de middelen. Hij moet rekening houden met een lange en een slopende oorlog maar slaagt er dus helemaal niet in om zijn broodnodige tiende en twintigste penning bij elkaar te harken.
Pauwel vat de situatie goed samen: ‘door de nood en door de komst van zijn vijanden werd hij wel gedwongen om zijn geldmiddelen op te eisen. Alva besloot op eigen kracht en tegen de wil van de staten deze belastingen te bevelen en gebood aan de ambtenaren dat ze zouden beginnen met de heffing van de fameuze penningen.’ In het noorden is de aanval van de geuzen al een realiteit voor Alva. Graaf Willem Vander Marck, de heer van Lummen en viceadmiraal van de Oranjevloot zeilt begint 1572 met zijn machtige vloot via de Maas landinwaarts tot bij de stad van den Briel welke hij verovert en laat voorzien van een eigen garnizoen.
De inwoners van de andere steden van Holland en Zeeland beseffen dat de oorlog tegen de Spanjaarden begonnen is en kiezen prompt de zijde van Oranje. Dat heeft vooral te maken met de dwingende maatregelen die Alva neemt om toch maar aan zijn tiende penning te geraken. De hertog beseft dat hij de zaken niet langer met geweld mag forceren en doet nog maar eens een diplomatieke poging bij de Generale Staten. Hij kan de afgevallen staten niet terugbrengen onder het gezag van de koning zonder dat hij daarvoor niet de nodige middelen ter beschikking krijgt.
Dit keer plooien de Leden van Vlaanderen wel. Het heeft wel ongehoord veel voeten in de aarde. Onderhandelingen, overwegingen, overleg, maar de hertog krijgt voor wat Vlaanderen betreft wel zijn zin. Korte tijd later krijgen de Vlaamse steden het nieuws te horen. In het noorden mag Alva het op zijn buik schrijven om daar geldmiddelen in te zamelen. Integendeel zelfs. Sinds dat Holland en Zeeland de kant van Oranje hebben gekozen, voeren ze nu hun verzet op tegen de andere steden van de Nederlanden.
–
Dit is een fragment uit deel 7 van De Kronieken van de Westhoek


