Nieuwpoort ten tijde van de Romeinen
In 1971 schrijft de Nieuwpoortse historicus René Dumon een indrukwekkende geschiedenis van zijn stad. Wij gaan mee met René in zijn boeiend verhaal. Nieuwpoort bestaat al ten tijde van de inval van Caesars Romeinen in Gallië. Oorkonden die dat kunnen bewijzen zijn er niet overgebleven. Maar kunnen we uit het oog verliezen dat talloze documenten door de vlammen verteerd worden als Terwanen, hoofdstad van het gebied der Morinen, en zetel van het bisdom van dit zelfde gebied, door de Noormannen wordt verwoest? Dumon levert hier eigenlijk een omgekeerd bewijs. De streek van Nieuwpoort is in dit zelfde gebied gelegen, zegt hij. En de archieven van het Sint-Bertinusklooster te Sint-Omer ondergaan precies hetzelfde lot. Hij vraagt zich af wat de Nieuwpoortse bodem eventueel prijs geeft over dat verleden. Aanvankelijk wordt hier niet veel aandacht aan geschonken. Kleine zaken worden niet opgemerkt, grotere vondsten veroorzaken wat tijdelijke en onbelangrijke sensatiegevoelens bij de sporadische lokale geschiedschrijvers. Zo bijvoorbeeld het geval van Adolf Kempynck. In zijn huis te Nieuwpoort bezit hij vanaf 1870 een rijke verzameling van allerhande oude voorwerpen. Allemaal afkomstig van de streek van Nieuwpoort. Naar verluidt bevinden er zich onder de verzameling voorwerpen van heidense afkomst. Spijtig genoeg worden de vondsten na zijn dood niet geïnventariseerd en worden ze door liefhebbers meegenomen en verspreid over de provincie.
De zandbodem waarop Nieuwpoort gebouwd is
In 1925 wordt in de Kokstraat een oude begraafplaats van rond de jaren 900 blootgelegd en tijdens de afbraakwerken van versterkingen in de loop van de 19de eeuw worden 6 Romeinse amfora’s opgegraven. Die worden tot op vandaag bewaard in het Brugse Gruuthuse museum. En er zijn die gebeurtenissen van juni 1960. Tijdens de bouw van een woning in de Astridlaan worden 3 zware gelijklopende muren aangetroffen waarvan er één een breedte heeft van 2,90 m. Ze zijn zo robuust gebouwd dat de aannemer besluit deze niet af te breken. De muren kunnen maximaal 500 jaar oud zijn, maar de grondvesten waarop ze werden gebouwd, zijn ongetwijfeld veel ouder. Opnieuw wordt er vrij slordig omgegaan met de eerste bevindingen van de oude fundamenten. Een aantal grote donkerrode stenen, met witte mortel gemetst, doen het vermoeden wekken dat ze van Romeinse herkomst te zijn. Enkele uren na die vaststelling worden de openliggende grondvesten met beton overgoten en blijft hun geheim achter in de Nieuwpoortse bodem. Als de Vlaamse zee zich veel duizenden jaren geleden uit onze gewesten terugtrekt, laat ze een smalle strook stevige zandbodem achter die zich uitstrekt tussen Koksijde en Nieuwpoort en dan landinwaarts naar Sint-Joris en Mannekesvere. Later, rond 270, keert de zee terug. Ze dringt de Westhoek binnen en veroorzaakt er overstromingen en de vorming van lokale meren en moerassen. Onze gewesten krijgen een nieuw uitzicht. De zandbodem waarop Nieuwpoort is gebouwd, biedt weerstand tegen de oprukkende zee en kan die weerstand volhouden tot aan de 8e eeuw wanneer het water er op 2 plekken doorbreekt en de hele noordoostelijke kant van de stad blank zet. Het fenomeen herhaalt zich nog een keer in de 12de eeuw wanneer de hele zandketen ten oosten van Nieuwpoort door het water wordt overweldigd. De westelijke kant van Nieuwpoort blijft echter overeind. Op deze zandketen tussen Nieuwpoort en de zee zijn er voldoende middelen aanwezig om er een goed bestaan te leiden. Er is voldoende mogelijkheid tot landbouw en visvangst. De zee en het Vloedgad, de waterloop tussen Oostduinkerke en de zee, bieden aan de inwoners een uitstekende verkeersas.
De linkeroever van de Onie
Dumon verwijst naar een boek van 1314 met de titel ‘Het Boec vanden hofsteden lande van der Nieuwerpoort’. Het Vloedgat wordt er 3 keer in vermeld. Maar dan wel onder de naam ‘Onielootland’. Er is duidelijk sprake van het land dat gewonnen is op het ‘loot’, de waterloop met de naam ‘Onie’, de naam van de stroom die toen langs Nieuwpoort voorbij stroomt. De naam Onie is minstens van Keltische oorsprong en nauw verwant met riviernamen zoals de Saöne, de Seine, de Garonne en de Rhône vertelt René Dumon. De doorgebroken zee en het water van de zee vermengen zich in de 8e eeuw met het water van de Onie. Langzamerhand zal de term ‘Onie’ vervangen worden door de naam ‘Ijzer’. De samenvoeging van de 2 wateren en het groeiend geweld van de zee leiden er toe dat er zich ten noorden en ten noordoosten van Nieuwpoort een uitgestrekte delta vormt. Een tekst van 840 omschrijft die als ‘in sinum qui vocatur Isere Portus’. In 961 luidt het ‘Isere Portus in finibus Menapum’. De linkeroever van de Onie, tot nog toe een gewone oever aan een gewone rivier, gaat voortaan het uitzicht en de allures krijgen van een strand. Het duinenzand zal er zich gaandeweg komen ophopen tot een immense zandheuvel waar later het centrum van Nieuwpoort zal ontstaan. De aanvoer van zand zal ook het peil van de bodem doen rijzen, en zal die voor overstromingen vrijwaren. De noordkant van de zandbodem wordt blootgesteld aan de noordoostelijke wind. Overvliegend zand. Springvloeden. Beslist geen goede plek om er te wonen. In de vroege tijden is de hele zandketen aan de zuidkant van Nieuwpoort echter bebost en bijzonder geschikt voor de landbouw. De scheepvaart biedt de bewoners toen al de nodige levenskansen. De Onie die uit het noordoosten komt, zorgt voor rechtstreekse verbindingen met de streek van Brugge, met Walcheren, met de Schelde, de Maas en de Rijn.
De ideale ligging van Nieuwpoort tegenover Engeland
En dan is er nog de ligging ten opzichte van Engeland en de Franse kusten! Een korte overvaart naar Koksijde biedt de mogelijkheid om via de toenmalige Ijzermonding koers te zetten naar de locaties waar later Diksmuide, Ieper en St.-Omer zullen ontstaan. De solide zandbodem van Nieuwpoort biedt de scheepslui de mogelijkheid om hun schepen aan te meren, zich te bevoorraden, herstellingen te verrichten en de gunstige winden af te wachten om hun reizen verder te zetten. Er ontstaat een bloeiende handel van nieuwe bedrijven en neringdoeners. Nieuwpoort dankt zijn bestaan aan de scheepvaart. In het jaar 20 schrijft Strabo in zijn boek ‘Geographia’ dat er in totaal 4 havens zijn die de relaties tussen het vasteland en Engeland onderhouden. Hij geeft geen plaatsnamen op maar heeft het over de Rijn, de Seine, de Loire en de Garonne. Engeland is op dit moment nog niet onderworpen aan de Romeinen en het lijdt geen twijfel dat andere en kleinere havens ook hun rol spelen in die verbinding tussen het Europese continent en Engeland. De zeeschepen van die tijd kunnen ongeveer 80 ton goederen verschepen. Ze zijn aangepast voor de binnenwateren en de grote rivieren maar lange zeereizen zijn niet vanzelfsprekend. Een directe verbinding tussen bijvoorbeeld de Rijn en de Thames loopt volgens Strabo niet via de monding van de Rijn, maar via een kortere weg: de binnenwateren van de Vlaamse kust. In plaats van de Rijnmond uit te varen, kiezen de schepen de binnenwateren achter de kust tot dat ze in het land van de Morinen aankomen. Op de grens tussen de Morinen en de Menapiërs, zo schrijft Brabo, wagen de schepen de oversteek naar Engeland. We citeren Strabo: ‘qui a Rheni partibus trajiciant, ii non ex ipso solvant ostis, sed a Morinis, Menapio-rum conterminis’.
Het kanaal van Corbulo
Tacitus, een schrijver overleden in het jaar 120, schrijft dat de Romeinse veldheer Corbulo een 47 km lange vaart laat graven achter de Nederlandse kust (Kanaal van Corbulo – Fossa Corbulonis) om een betere verbinding tot stand te brengen tussen de Rijn en Maas. Tacitus wil absoluut de perikelen van de oceaan en het ongewisse van de zee vermijden. Men spaart in die tijd dus moeite noch kosten om de zeereis naar Engeland te verkorten en om de vaart via de binnenwateren te optimaliseren. Nadat Engeland onderworpen is aan de Romeinse overheersing, neemt het belang van die binnenwateren nog in ruime mate toe. In het jaar 85 richten de Romeinen een nieuw vlootstation op in Arentsburg (Voorburg), ergens halverwege de nieuwe vaart. Op basis van de Romeinse Peutinger wegenkaart kan afgeleid worden dat die plaats toen bekend staat als Forum Hadriani. De zeebasis, bekend als een onderdeel van de Classis Germanica, wordt opgericht om de waterwegen in onze gewesten te beschermen tegen barbaarse invallen. De vloot patrouilleert op de binnenwateren en voor de kust en zorgt voor de veiligheid van de scheepsvaart op de Noordzee. De Romeinse garnizoenen in Engeland rekenen op de vloot voor een behouden aankomst van de schepen die hun voedsel en voorraden aanbrengen.
Nieuwpoort luistert naar de bisschop der Morinen
Het station blijft bestaan tot in 240. Op zee heeft de Romeinse vloot af te rekenen met een oneindige doolhof van zandbanken en eilanden. Dat zijn dus de perikelen van de oceaan waar Tacitus over schrijft. De zandbanken en eilanden strekken zich uit langs de kusten, en op sommige plaatsen vrij ver in zee. Tussen de monding van de Onie ter hoogte van Groenendijk en de kust ten noorden van de Rijn. Het leidt geen twijfel dat zelfs de Classis Germanica zich via deze hindernissen niet zo graag in zee gewaagd zal hebben. Strabo verklaart dat de gebruikte haven zich bevindt in ‘het land der Morinen, die wonen vlakbij de Menapiërs’. Hij voegt eraan toe dat de Menapiërs palen aan de Morinen tegen de zee. De Morinische haven bevindt zich dus logischerwijze aan de kust tegen de grens van het gebied der Menapiërs. Nieuwpoort staat gedurende vele eeuwen onder de bevoegdheid van de bisschop der Morinen, die zijn zetel heeft te Terwanen. Nieuwpoort ligt aan de uiterste grens van dit bisdom. Wat verderop, in Lombardsijde, bevinden we ons al in het bisdom van Doornik. Het bisdom van de Morinen wordt opgericht rond het jaar 600. Volgens de toen bestaande gebruiken vestigt men de zetel van het bisdom in dezelfde stad die, onder de Romeinen, en nog in de Frankische tijd, de ‘Civitas’ of hoofdstad is van het burgerlijk bestuur van het land der Morinen, met andere woorden in de stad Terwanen (Terwaan-Thérouanes). Het Concilie van Antiochia heeft vroeger inderdaad besloten dat de grenzen van de nieuwe bisdommen moeten overeenstemmen met de grenzen van de Romeinse gebieden die bij de Civitas behoorden. Aangezien het gebied van de Morinen zich op kerkelijk gebied uitstrekt tot aan Nieuwpoort, moet het burgerlijk gebied van dezelfde gouw zich dus in de Romeinse tijd ook tot aan Nieuwpoort uitgestrekt hebben. En als we het op geografisch vlak bekijken is het niet verwonderlijk dat de Onie de natuurlijke buitengrens vormt van het bisdom van Terwanen.
De Onie scheidt de Morinen van de Menapiërs
De Onie scheidt de Morinen van de Menapiërs in de Romeinse tijden. Nu wordt het ook duidelijk wat Strabo heeft verklaard: de Morinen en de Menapiërs bezitten een gemeenschappelijke grens aan de zeekust. Hier ligt de haven van waaruit de Rijnschepen hun reis naar Engeland ondernemen. De Onie komt dus hier te voorschijn als de voorhaven van de Rijn, de Maas en de Schelde. Als voorhaven van de Rijn speelde de Onie dus, in het gewest van Nieuwpoort, een uitzonderlijke rol in de economische betrekkingen met Engeland en ook met verafgelegen streken in het binnenland. Deze toestand bestond trouwens al vóór de komst van de Romeinen. Ik denk spontaan aan de kronieken van Marcus van Vaernewyck en zijn verhalen over Britania nog lang voor de nieuwe tijdrekening. Deze betrekkingen zullen alleen nog toenemen tijdens de Romeinse era. Voor het handelscentrum dat onvermijdelijk langs de oevers van de Onie moet bestaan hebben, moet de toekomst er veelbelovend uitgezien hebben. De overtocht van de schepen gaat meestal van Nieuwpoort naar de Engelse haven van Rutupiæ (vandaag heet de stad Richborough). Richborough is een plaats in het graafschap Kent in het zuidoosten van Engeland. Het ligt aan de monding van de Thames iets ten noorden van Sandwich. Het is waarschijnlijk in Richborough dat de Romeinen aan land komen tijdens hun invasie van Engeland in het jaar 43. De economische omstandigheden voor de inwoners van Nieuwpoort zijn uitstekend met deze belangrijke handelsroute. De economie floreert dan ook en die gunstige situatie zal eeuwenlang blijven bestaan. Zo zien we dat, duizend jaar later, in 1052, de Engelse graaf Godwijn, op weg van Brugge naar Engeland, zijn schepen aanmeert in de Ijzer (de latere naam voor de Onie), om vandaar bij de eerste gelegenheid de reis naar Engeland voort te zetten. De wind zit goed op St.-Jansdag. Op die dag is de vloot uitgevaren. Zo wordt het in 1052 geschreven: ‘Da gewende Godwine eorl ut fram Brycke mid his scipum to Yseram and let ut ane daege oer midsummers maesse aefene’. De woorden ‘midsummer maesse’ zijn de Engelse uitdrukking voor St.-Jansdag. De serie ‘Midsummer Murders zouden dus bij ons kunnen vertaald worden in de ‘Sint-Jansmoorden’.
Sandeshoved aan de Onie
Hoe wonen onze voorouders in de vroegere tijden? Tot ver in de jaren 1000 wordt er helemaal niet gebouwd in steen. Stenen zijn niet verkrijgbaar. De Romeinen kenden bakstenen maar hun bouwmateriaal raakt na de Romeinse bezetting volledig in onbruik. Hutten, steden en openbare gebouwen wordt gebouwd in hout en leem. Het is natuurlijk erg vergankelijk bouwmateriaal en schrijver René Dumon schrijft dat het tevergeefse moeite is om in Nieuwpoort op zoek te gaan naar sporen van bewoning in de zeer vroege tijden. Sporen van het verblijf van onze voorouders zijn niet zozeer fysiek terug te vinden maar wel in de afkomst van de plaatsnamen die men ter plaatse aantreft. Ik ben het met hem eens. Hoewel de meeste benamingen uit de verafgelegen tijden, door tijd en sleet, en door velerlei omwoelingen, worden uitgewist, zijn er gelukkig enkele lang genoeg blijven voortbestaan, om te kunnen opgemerkt en opgetekend worden in middeleeuwse documenten die op vandaag nog beschikbaar zijn. Die benamingen leveren op zichzelf al een stevig bewijs dat er mensen woonden. Nieuwpoort telt 3 namen die teruggaan naar de Keltische tijden. Dus naar de periode voor het begin van het nieuwe jaarstelsel. Eén ervan is de Onie. Een tweede benaming uit de vroegste tijden vinden we in Sandeshoved en in het verwante Sandascuad. De naam Sandeshoved verschijnt voor het eerst in een document van 1112 en Sandascuad vinden wij in een oorkonde opgesteld tussen 1083 en 1093 in geschriften van de abdij van Sint-Winoksbergen. Beide namen bevatten het woord ‘Sand’, een woord dat tot Keltische tijden teruggaat. De term ‘Sand’ heeft hier helemaal niet de betekenis van zand volgens Dumon. Sandeshoved en Sandascuad liggen op dezelfde voorhistorische zandbodem die zich uitstrekt tussen Groenendijk, Nieuwpoort, Sint-Joris en verder. Deze zandbodem is bespoeld door de Onie. Om de oever of het strand van deze stroom te beschrijven, bezitten onze Keltische voorouders een gepaste term: Ouissan of Wissan.
Ouessant, Wissant en de brug van Cuetewyc
Als plaatsnaam treffen wij het vandaag nog aan in Frankrijk en wel in de vorm Ouessant en Wissant. Onze voorouders zullen die plaatsnamen in de loop van de tijden uitspreken (en er bestaat alleen een mondelinge overlevering) als Quissan of Wissan wat later onder invloed van de Saksen en de Germaanse inwijkelingen zal evolueren tot Ouissande of Wissande. Later nog, toen bepaalde plaatsen die er op ontstonden, als ‘Wissandeshoved’ of ‘Wissandascuad’ bekend geraakten, heeft het volksgebruik deze namen verkort door het laten wegvallen van het voorvoegsel ‘Wis’. In 1269 verschijnt een grafelijk decreet in verband met het onderhoud van de waterlopen in Veurne-Ambacht. Daar staat de naam ‘Cuetewyc’ voor de eerste keer vermeld. Cuetewyc blijkt volgens het document dichtbij Nieuwpoort te liggen. Het Langelis (de volkse naam voor Langeleed, een afwatering die uitmondt in de Ijzerhavengeul te Nieuwpoort) wordt in 1269 Dunval genoemd. Volgens de tekst van het decreet komt de Dunval aan in Nieuwpoort aan de brug die vermeld staat als ‘pont de Cuetewyc oost’ waarna het water verder stroomt tot aan de ‘dusques a Nuefport’ (de haven van Nieuwpoort). Schrijver René Dumon identificeert in zijn geschiedenis van Nieuwpoort de ‘pont de Cuetewyc oost’ met de plaats die anno 2000 bekend staat als de Arkebrug. Aan de Arkebrug bevindt men zich nog niet in de stad van Nieuwpoort. Maar het is de enige weg om vanuit de richting Pervijze, Ramskapelle, Wulpen en Oostduinkerke in Nieuwpoort te geraken.
De beboste gronden van Cuetewyc
Cuetewyc Oost is dus al een plaats van belang voor de 13de eeuw want alle verkeer moest er langs. En de term ‘Oost’ wijst er bovendien op dat het een afgescheiden gehucht is van het moederdorp Cuetewyc dat verder in het westen ligt. Westwaarts van de Arkeburg (waar zich nu de Kalkovenburg bevindt) ligt in de vroege tijden het dorp Cuetewyc. Maar welke betekenis heeft de naam Cuetewyc? In de Keltische taal van onze voorouders kent men het woord ‘Coed’. Bos. Deze betekenis stemt letterlijk overeen met de beschrijving van het grondgebied waar Cuetewyc gelegen is, namelijk op de beboste gronden aan de zuidkant waarop Nieuwpoort is gebouwd. Alle getuigenissen wijzen er op dat sommige gronden, nu door de westwijk ingenomen, door een Keltisch sprekend volk als woonplaats werden gekozen. Meer dan 2000 jaar geleden. De Kelten noemen de plaats Coed. Ze zullen er bomen vellen, houten hutten bouwen, het land bewerken en zich toeleggen op de visvangst. Aan de zuidkant van de zandbodem staan hun woningen en leggen ze zich toe op de landbouw. Aan de noordkant meren ze hun boten aan in het water van de Onie. Het ontstaan van Nieuwpoort vindt dus waarschijnlijk plaats vóór de komst van de Romeinen. Hier op een beboste plaats in de huidige westwijk van de stad. Coed is de eerste naam die men er aan gegeven heeft. Het achtervoegsel ‘wyc’ wordt er achteraf bijgevoegd. Onze oudst bekende voorouders behoren tot de Keltische stam van de Morinen.
Caesar wil de kustbevolking onderwerpen
Het Morinisch territorium grenst hier ter hoogte van de Onie aan dat van de Menapiërs. Als de Romeinen Gallië binnenvallen zijn de Morinen en de Menapiërs de laatsten om zich aan Rome te onderwerpen. In hun verzet tegen Julius Caesar worden ze in grote mate geholpen door de vele bossen en moerassen die men in de streek aantreft. Maar Caesar wil de volkeren kost wat kost onderwerpen. Het stevig bezit van de kustlijn is een must wil hij succesvol een expeditie organiseren tegen Engeland en wil hij het meesterschap verwerven over de Noordzee. Alle kustbewoners, van de Schelde tot aan Brest, spannen samen om hem dit meesterschap te betwisten. Een machtige vloot wordt verzameld, maar bij de zeeslag ter hoogte van het Franse Quiberon, op de kusten van Bretagne, worden de kustbewoners verpletterd en verslagen. Voor Caesar ligt in 56 voor Christus de weg naar Engeland wijd open. In deze nederlaag hebben onze voorouders zo veel schepen en zo veel volk verloren, dat ze niet in staat zijn Caesar nog verder het hoofd te bieden. In augustus van het volgende jaar onderwerpen ze zich aan Caesar. De Romeinse era is nu definitief aangebroken. Ze zal 400 jaar duren. Aanvankelijk gebeurt die onderwerping niet met echte overtuiging. Met lange tanden dus. Veel families wijken liever uit naar Engeland dan te leven onder de dwingelandij van de Romeinen. Het aanvankelijk passieve verzet verandert geleidelijk aan in gewapende rebellie. De Romeinen zijn echter te sterk, de opstanden worden keer op keer onderdrukt en stilaan sterft het verzet uit. Met de evolutie van de tijd en de komst van nieuwe generaties begint de lokale bevolking zich aan te passen aan de bestaande situatie. Geleidelijk aan zal zelfs de dag aanbreken dat de jonge Morinen vrijwillig dienst zullen nemen in het Romeinse leger, en ver van huis en haard, hun trots zullen opofferen voor de glorie van Rome.
De Romeinse expeditie naar Engeland in -55
Na de slag van Quiberon bezit Caesar het volledige meesterschap over de zee. Al snel zullen expedities opgestart worden om Engeland te veroveren. Het verhaal van de expedities naar Engeland is een niet onbelangrijk onderdeel van de wereldgeschiedenis en speelt zich af in onze Westhoek. Onze voorouders hebben dan ook die gebeurtenissen meegemaakt. In het najaar van 55 voor Christus wordt een eerste verkennende expeditie uitgevoerd. 10.000 Romeinen wagen de oversteek en ontschepen aan de zuidoostkust van Engeland. Ze ondervinden weinig tegenstand, maar de tijd om Engeland te veroveren is nog niet rijp. Caesar besluit zijn grote kans te wagen in de lente van het volgende jaar (54 voor Christus). Met een armada van 36.000 soldaten, 4000 ruiters en 600 schepen wil hij Engeland binnenvallen. Op enkele maanden tijd moet alles klaargemaakt en verzameld worden. In alle kusthavens worden met man en macht schepen gebouwd, wegen aangelegd en gebeurt alles wat nodig is om de invasie van Engeland tot een succes te maken. Langs de Onie gonst het van de bedrijvigheid. Caesar koestert geen illusies over de……


