23 december 1587. De temperaturen zakken flink onder nul. De Ieperlee ziet er uit als een ijspiste, voor ons Ieperlingen niets ongewoon, voor de Spaanse soldaten moet dit weer zuivere gruwel betekenen. Boezinge krijgt tweeduizend nieuwelingen uit Sluis op logement, een dagje later vertrekken ze naar Waasten. In het Hollandse Leiden is er een grote muiterij ontstaan bij de geuzensoldaten. De ruzie gaat over het al dan niet inhuren van Engelse troepen. Drie kapiteinen, een drapeerder en nog iemand die ooit in Ieper gewerkt heeft krijgen de schuld van de rebellie en worden op de markt van Leiden onthalsd. Momenteel zijn dergelijke toestanden schering en inslag in Holland. Ook in Zeeland moeten ze hiervoor evenmin onderdoen.
De middernachtmis van kerstavond trekt zoals vroeger weer heel wat bezoekers. De parochiale kerken van de stad zitten vol met poorters. Veel Spanjaarden zien de pastoors niet. Hun liefde en affectie voor God en zijn heilige diensten is maar aan de magere kant. In de plaats van te bidden zitten ze de hele nacht onder elkaar te dobbelen en te kaarten, voorwaar een slecht voorbeeld voor de devote mensen. Het is tijd dat God dit zootje ongeregeld eens een lesje leert. Twee dagen daarna is het zondag. 27 december is meteen ook Sint-Jansdag, helemaal geen excuus om niets te doen voor de huurlingen van de dertien vendels die Ieper-stad in een wurggreep houden. De trommels staan strak gespannen, het lijkt er op dat de intense vrieskou het bonzen nog aanwakkert. En dat in de kouwelijke vroegte voor de lakenhalle. Er staat een troepenschouwing op het programma.
De stadspoorten blijven voorlopig dicht, de monstering zelf gaat door in de Sint-Jacobskerk. De misdiensten van vandaag en morgen zijn geannuleerd. Onze gouverneur geeft opdracht aan de kapiteinen van de verschillende compagnies om de zuidelijke en de noordelijke deuren van de kerk dicht te spijkeren. Een bijgeroepen smid last er een groot stuk ijzer op zodat de kerk potdicht zit. De kapiteinen vertrouwen blijkbaar hun eigen landgenoten niet, vooral diegenen die op komst zijn en straks hun doortocht zullen maken in deze stad.
Met die gesloten deuren zal er tenminste niet geplunderd worden. De Spaanse aanvoerders tonen zich erg veeleisend bij de troepenschouwing van hun eigen lieden. Een monstering die begint om 8u in de morgen en pas eindigt om 2u van de volgende morgen. Dat zootje ongeregeld moet niet denken om vandaag de teerlingen naar boven te halen. Die 28ste december vieren we de feestdag van de onnozele kinderen en opnieuw blijven de stadspoorten op slot. Dit keer heeft het te maken met de drieduizend slechtbetaalde Spaanse voetknechten die in Poperinge verblijven.
De mannen hebben veel goesting om rooftochten te ondernemen. Vandaar ook de noodzaak van de legerleiding om ook daar een scherpe monstering te houden. Achteraf verleggen ze hun standplaats naar Vlamertinge. Negentien vendels. Er is ook sprake van een achterhoede van vijfhonderd Duitsers die morgen weleens hun plaatsen zouden komen opeisen bij de Ieperse poorters.
De negentien Spaanse vendels zorgen op de 29ste december voor ontiegelijk veel overlast in Vlamertinge en Elverdinge. De landlieden zitten met de gebakken peren. Zeg nu zelf: in elke woning verblijven er tussen de dertig en de veertig soldaten, een ondraaglijke belasting, zo erg is het toch nog nooit geweest. En dat terwijl ze de voorbije jaren ongetwijfeld al een triest menu aan geweld, diefstal en plundering gepresenteerd hebben gekregen. Ik probeer me in te leven in hun situatie.
Grote families met kinderen die in het putje van de winter zelf al af te rekenen krijgen met het verwarmen van hun woningen en het voeden van de monden en nu plots zomaar die tientallen brutale mannen in hun huizen te verwerken krijgen. De volgende dag blijven ze ter plekke, zo’n hoop volk, iedereen verwacht dat ze spoedig zullen vertrekken naar Waasten, maar ze blijven hier maar voor overlast zorgen. Terwijl de schamele landsman dat allemaal moet bezuren. Vlaanderen heeft in zijn geschiedenis warempel nog nooit dergelijke overlast gekend. Geduld is een bizar begrip geworden.
Ook de laatste dag van 1587 staat in het teken van Spanje. We haten de bezetters nog veel meer dan we ooit de Hollanders hebben verwenst. Aan de Boezingepoort beleven we de doortocht van nog maar eens vier vendels zuiderlingen. Die gasten komen vanuit het Sas van Gent en hebben de voorbije nacht verbleven in Boezinge.
Ze stappen met hun bekakte arrogantie door onze straten, op weg naar Waasten. Ook met nieuwjaarsdag krijgen we een massa marcherende Spanjaarden te zien. In totaal negenenvijftig vendels, reken en tel maar, zeker tienduizend vreemde luizen die zich voordoen als meesters van de stad en de streek. Allemaal op weg naar Waasten. De lokale mensen daar zijn al met zijn allen op de vlucht geslagen, ze hebben er hun hebben en houden achtergelaten. Hier en daar hoor ik dat de troepenbewegingen iets te maken hebben met het akkoord van Kamerijk dat blijkbaar zou afgelopen zijn op 31 december.
- 1 januari, nieuwjaarsdag. Veel zin in een nieuw jaar heb ik eigenlijk niet. De komst van 1588 houdt alvast een zacht weertje in petto. De ijstoestanden van een week geleden zijn al vergeten. Verdwenen als sneeuw voor de zon, en dan nog letterlijk ook! De overheid van Waasten probeert zijn inwoners bij te staan voor al het Spaanse volk dat op komst is. Rechtover de steiger van de halle staat een volgestouwde wagen, allemaal zakken graan. De lokale gezinnen mogen elk twaalf razieren komen afhalen.
De maatregel van de voogd en de schepenen is een goedbedoelde poging maar er komt geen luis af op de voedselbedeling. Zelfs in de slechtste geuzentijd hebben ze hier geen dergelijk catastrofaal scenario meegemaakt. Ondertussen blijven we hier in Ieper nog maar een keer een doortocht van soldaten beleven. Het land van Vlaanderen moet zeker en vast zo desolaat zijn als de droogste woestijn!
Dit is een fragment uit Boek 8 van De Kronieken van de Westhoek


