banner
sep 16, 2021
524 Views

Die vervloekte kou!

Written by
banner

14 oktober 1917. Zondag. Omgeving Poelkapelle. Vandaag nam het slecht weer even een pauze, hoewel het gisteren na de gevechten van vrijdag nog altijd geregend had en het er uitgezien had alsof het dat zou blijven doen tot maart of april van volgend jaar. Onze soldaten vervloekten het weer, ze verketterden het met gemeende en lugubere eden, vervloekten de kou die er dag en nacht bleef hangen bij de balken onderweg, langs de sporen van de muilezels, de granaatkraters en de moerasgebieden bij de Ravelbeek, de Broenbeek en de Lekkerboterbeek.

Het slecht weer had hun overwinning vrijdag eigenhandig afgepakt en hen nu overgelaten aan de grootste ellende van een winteroorlog terwijl ze daar vastkleefden in de modder terwijl hun harten alleen maar een positie daarboven hadden verlangd. Ze waren verslagen door de modder. Elk van de mannen die ik gisteren ontmoet had vertelde me dat. Een Australiër beaamde dat ook, ‘de Fritzen zouden ons nooit afgestopt hebben’, zei hij terwijl hij zijn handen en zijn lichaam wat probeerde op te warmen bij een veldkacheltje, na een nacht in het koude smurrie die hem helemaal vol gepleisterd had. ‘Het was de modder die de Duitsers een tweede kans om te overleven geboden had!’ Een officier was het met de jongen eens.

De modder had er voor gezorgd dat ze het spervuur niet hadden kunnen volgen en dat had de Duitse sluipschutters de tijd gegeven om hun mitrailleurs op gang te brengen. Ze hadden verdomd veel geluk gehad. Een jonge Scottish Borderer rilde zo erg dat zijn tanden er van klapperden, hij voegde er met een schorre stem aan toe dat ze een vreselijke tijd beleefd hadden. Ze waren blijven steken in het slijk en de Duitsers hadden daar van geprofiteerd. ‘Overal waar we dicht bij de vijand kwamen, sloegen ze op de vlucht’, gaf een jonge sergeant van de East Surreys aan. ‘Met vaste grond onder de voeten zouden ze geen schijn van kans gehad hebben, maar we bleven overal steken in het water toen ze op die momenten uit hun bunkers gekomen waren en ons mitrailleerden terwijl ze probeerden om over die bomkraters te sukkelen die opgevuld waren met verse vijvers. Ze beschoten ons terwijl we ons ene been niet na het andere konden plaatsen’.

Al die mannen moesten hun moed niet meer bewijzen. Ze hadden de voorbije drie jaar al uitvoerig bewezen tot wat ze in staat waren om de hoogste pieken van menselijke moed te bereiken in de meeste vervloekte en dodelijke omstandigheden van deze oorlog. En toch waren de gesprekken die ik gisteren met hen voerde nog maar eens een extra bewijs van hun kwaliteiten. Hun woorden en hun instelling nadat ze de hele vrijdag gevochten hadden, na eerst een hele nacht blootstelling aan de gietende regen en daar onder het Duits spervuur in hun waterpoelen gelegen hadden. En nadat ze nu gisteren teruggekeerd waren. Gewond, uitgeput, bebloed en vol modder, stijf en verkrampt, verstijfd tot op het beenmerg, afgemat na de agonie van de lange weg terug door de kale velden. Deze mannen verkeerden in geen algemene toestand van wanhoop hoewel ze natuurlijk op de zege hadden gerekend. Ze zouden de vijand wel een andere keer krijgen en somden alleen maar de redenen van hun tegenslag op.

Telkens ze afstapten van de stapbalken – de duck-boards – zonk je meteen tot aan de knieën in de blurp en op dergelijke momenten moeten afrekenen met een invallende granaat was inderdaad geen lachertje geweest. Dat kwam uit de mond van een jonge soldaat die 50 meter ver bewusteloos was weg gekatapulteerd uit een groepje kameraden waarvan geen enkele de grote granaatexplosie overleefde. Hij was weer bij zijn zinnen gekomen en hij herinnerde zich nog vaag wat er gebeurd was. Het geloof en de overtuiging van die mannen, het vertrouwen in hun eigen vechterskwaliteiten was allerminst uitgedoofd omdat ze op vrijdag niet zo ver gekomen waren als ze dat gewenst hadden.

Het vuur in de ogen van deze mannen was er nog steeds, die jongens die wel overal pijn leden en haast gek werden door de modder die doorgedrongen was tot in de diepste poriën van hun lijven, zij die geteisterd werden door de herinnering aan zoveel tragische gebeurtenissen die zich rond hen hadden afgespeeld. Het bevel te mogen voeren over soldaten zoals zij dat waren moest een opperste vreugde betekenen voor hun officieren. En er was hier inderdaad geen enkele officier die niet deze mening was toegedaan en die zelf niet trots was op zijn team en de kameraadschap die er heerste.

Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw

Article Tags:
· · · · · · · · ·
Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *