banner
Jul 9, 2021
610 Views

Duizenden bommen en granaten

Written by
banner

1740. Daags voor Driekoningendag begint het hier wel erg sterk te vriezen. Felle koude en vorst die zullen aanhouden tot in april. Het is zo erg dat de wateren dichtvriezen, de grote kreken dan toch. Op zee kan men tot ver de meest bizarre ijssculpturen zien opduiken, ongelooflijk volumineuze gedrochten die de Noordzee omtoveren tot een hallucinante ijswoestijn zo ver de einder reikt. Van de vruchten op het land moet dan al niet meer gesproken worden, die zijn allemaal naar de vaantjes.

Niet moeilijk dat de Oostendenaars grote honger lijden. Wees er maar zeker van dat dit ook het geval is in de rest van Vlaanderen. Om de mensen wat te ondersteunen in deze tijd van nood koopt het magistraat ladingen graan op om aan redelijke prijs te kunnen verkopen aan de inwoners. Getuigen beweren dat de winter van 1740 beduidend strenger is dan die van 1709. De zomer van 1740 zit er al lang op als de dood van keizer Karel VI bekend geraakt in de Nederlanden. De arme man stierf of 20 oktober en krijgt nu zijn oudste dochter Maria Theresia als opvolgster. Die is vier jaar geleden getrouwd met de in Oostende welbekende Frans I Stefan en dat belooft toch wel een en ander voor de toekomst.

In het jaar 1741 verordent en betaalt Maria Theresia alvast de afbraak van de vermolmde kazernes en de heropbouw van degelijke soldatenkwartieren voor de Oostenrijkse soldaten in Oostende. Op de plaats van de vroegere beestenmarkt rechtover het Santhillpoortje. Het bestuur van de nieuwe kazerne komt in handen van Carolus Ghyselynck. Op 4 augustus sterft eerwaarde heer Jacobus de Dauw de pastoor van de parochiale kerk van Oostende, een man die van iedereen zeer bemind was. Ik heb me tot nu toe weinig geïnteresseerd getoond in de opvolging van de Oostendse priesters en de abten maar nu maak ik toch wel graag een uitzondering.

De nieuwe pastoor Ludovicus Bosh krijgt een warm welkom in de stad. Schrijver Bowens zorgt nu toch wel voor een komische noot met zijn opmerking dat de nieuwe priester op een bepaald moment voor zijn schapen gepreekt heeft om onmiddellijk daarna te vertrekken naar de Thames waardoor hij zich hier zeer belachelijk maakt. En hoe ik dat nu moet interpreteren voor jullie lezers is toch wel een probleem. Van die Bosh vind ik niet de minste info en dus zie ik deze brave man (in mijn verbeelding) al zijn volzinnen debiteren aan een nest schapen; rammen, ooien en lammetjes, witte en zwarte. Of heeft Bowens het nu over de eigenlijke parochianen?

Hoewel hij zich vermoedelijk toch wel meer belachelijk kan maken door de term schapen letterlijk te nemen. Los van die schapentoestand kom ik wel te weten dat de inwoners van Oostende bibberen en beven als er op 27 november 1741 nog maar eens een potige storm losbreekt op de Noordzee. De zeedijken kunnen het elk moment begeven onder de druk van het water maar dit keer krijgt de Noordzee eens niet zijn zin. De première van het nieuwe jaar 1742 is trouwens niet eens weggelegd voor kwaad water. Op 1 en 2 januari neemt het vuur deze bedenkelijke rol op zich. Er ontstaat een zware brand in de Sint-Sebastiaanstraat, in het pakhuis bewoond door ontvanger Bossaert. De vlammen slaan zo wild om zich heen dat het pakhuis tot op de grond afbrandt. Met bijzonder veel moeite en het aanhoudend natspuiten van de omliggende woningen kunnen de Oostendenaars nog meer onheil voorkomen.

De fameuze ‘Pragmatieke Sanctie’
Er is helaas nog meer vuur op komst. Oorlogsvuur. Bowens is best fatalistisch: ‘alsnu zijn we tot het vermaard tijdstip gekomen op hetwelk onze ongelukkige Nederlanden al opnieuw in de beklaaglijkste rouw gesteld werden door de bloedige oorlogen die ontstonden na de dood van de Roomse keizer Karel VI in 1740 en van zijn ‘Pragmatieke Sanctie’ van welke onlusten de stad Oostende zeker geen van de minste slachtoffers is geweest, zoals we in het vervolg van deze jaarboeken zullen lezen.’ Die fameuze ‘Pragmatieke Sanctie’ regelt het dat Maria Theresia als vrouw het recht krijgt om de Nederlanden te erven, een erfenis die Frankrijk, Pruisen en Spanje niet accepteren. We beleefden vanaf 1740 dus het begin van de Oostenrijkse successieoorlog. Maria Theresia onze koningin van Hongarije was vorig jaar in oorlog getreden met de Lodewijk XV, de koning van Frankrijk die Duitsland het leven zuur maakte door een alliantie met de hertog van Beieren.

Dat had onze vorstin beter niet gedaan want de Fransen beginnen in 1743 zodanig veel druk uit te oefenen dat er wel eens een aanval op de Nederlanden kan van komen. Met dat netelig vooruitzicht roept Maria Theresia de Engelsen ter hulp. De koning van Engeland, George II belooft haar om 16.000 mannen naar Vlaanderen te sturen. Een belofte die bij ons zichtbaar wordt op 20 mei 1743 wanneer een eerste transport in Oostende aan land komt.

Dat zijn vier regimenten infanterie van elk 815 soldaten, te weten die van generaal-majoor Howard en van de kolonels Handersyde, De Roure en Peers. De Engelsen vertrekken in eerste instantie naar Brugge en trekken dan verder naar het Duits leger van hertog Aremberg. De samensmelting is voorzien te Hanau aan de Rijn. Een tweede militair transport arriveert op 10 en 11 juni. Vier regimenten onder het bevel van brigadiers Cornwallis en Pultney en van de kolonels Campbell en Johnson. Vier weken later meert een derde lading Engelsen aan. Nog maar eens vier regimenten onder de leiding van brigadiers Onslow, Huske, Ponsonby en van kolonel Bly. Die laatste acht regimenten blijven in garnizoen te Brugge en staan onder het bevel van de graaf van Dunurore.

Een plek voor man en paard
Dagelijks ziet men in de haven van Oostende nu wel Engelse schepen aankomen, geladen met krijgsmateriaal en bagage. Sommige schepen zijn integraal geladen met vrouwen en kinderen die ze hier aan land afzetten. De families moeten nu een voorlopig plaatsje zien te vinden in de stad, meestal in leegstaande woningen en pakhuizen voor de tijd dat ze hier zullen verblijven. Sommige transporten bevatten ook diverse regimenten van paardenvolk die in Oostende op zoek gaan achter een plek voor man en paard. De beschikbaarheid van stallen is in elk geval onvoldoende zodat het stadsbestuur twee nieuwe stallingen laat optrekken.

De eerste tegen de muur van de witte nonnen en de andere rechtover het klooster van de paters-kapucijnen. Het volk uit Engeland blijft maar toestromen, gewoonweg te veel soldaten van diverse pluimage en makelij waar ik niet al te veel details wil over spuien. Gardes, dragonders, grenadiers te paard, cavaleristen op hun witte of donkere paarden. En natuurlijk is er de gestage aanvoer van hun munitie. Kanonnen, buskruit, duizenden bommen en granaten, ik lijk wel kapitein Haddock. Al dat materiaal vervoeren ze direct met schepen naar Gent. Vreemd genoeg maakt al die munitie twee dagen later de omgekeerde beweging en belanden al die krijgsbehoeften weer in Oostende.

Het lijkt wel of de schrijver voortdurend rondzwerft in de stad en er de geuren van opsnuift. ‘Het is ongelooflijk welke baten en voordelen die schepen en hun troepen binnen Oostende en in heel het land brachten. Door de menigvuldige kosten die ze aan alle kanten deden zowel in het kopen van goederen als in hun vertering, voornamelijk van sterke dranken waarvan er dagelijks binnen Oostende een uitnemend grote hoeveelheid van gesleten werd.’ Bowens’ verslag van 9 augustus 1743 leest best grappig. Het gaat over de landing van Schotten die hij als volgt beschrijft: ‘Berg-Schotten of Wille-Schotten die zeer ervaren zijn in de krijgskunde. Bij hun aankomst was er een grote toeloop van volk omdat ze allemaal zonder broeken rondliepen en toch maar op een vreemde manier gekleed waren.’

Terwijl ik met mijn gedachten bij ‘great Scotch, great whiskey’ rondzwerf krijgen de inwoners in het begin van juli de zeer aangename tijding dat de bondgenoten een overwinning behaalden tegen het Frans leger. Dat gebeurde in het Duitse Dettingen op 27 juni. Die zege zorgt voor een uitbundig feestje in de Vlaamse steden waarbij Oostende zeker niet ontbreekt. In 1743 werken ze in de lokale scheepswerven hard aan de uitrusting van twee kleine kapersschepen die nu stilaan beginnen jacht te maken op de vijanden van de keizer. Hier en daar halen ze wel buit binnen maar de processen die hun piraterij uitlokken zorgen ervoor dat het financieel gewin toch maar pover is.

De bewuste schepen varen uit onder het beleid van de kapiteinen Kindersen en Bertram en beschikken elk over 6 à 8 kanonnen. Een felle uitbraak van een besmettelijke ziekte in Napels en Sicilië verplicht de keizer om een nauwkeurige controle te eisen bij de inkomst van alle schepen die vanuit deze regio aanmeren in zijn diverse havens. Voor wat betreft Vlaanderen verschijnen er wachters langs de duinen terwijl een sloep patrouilleert aan de monding van de Nieuwpoortse en Oostendse havens. Ook alle invoer vanuit Duinkerke en de andere Franse havens staat onder strikte controle en moet iedereen bij aankomst een periode van quarantaine ondergaan.

Uit deel 10 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

Article Tags:
· · · ·
Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *