En nu dwalen we terug naar het Veurne van 1300 waar ze het gelag betalen voor hun steun aan de graaf en hun voorrechten en eigendomstitels al opnieuw zijn kwijt gespeeld. De schepenen van de stad zijn immers samen met Gwijde van Dampierre als vijanden van de Filips de Schone aangehouden in Frankrijk. Er moeten grote smeekbeden bij de Franse koning te pas komen, om ten lange laatste deze maatregelen ongedaan gemaakt te zien. Er hangt wel een prijskaartje (zeg maar fikse boetes) aan vast.
Er wordt een ‘akte van verzoening’ opgesteld waarin de Veurnenaars ‘beteringe’ beloven en zich engageren om elk jaar en tot in de eeuwigheid de som van 400 Parijse ponden te betalen aan hun monarch. Daarbovenop komt er een boete van 6.000 ponden die over tien jaar dient betaald te worden. De akte wordt opgemaakt en ondertekend in de rekenkamer van Rijsel in de maand september van 1301. Het heeft bloed, zweet, onderdanigheid en onnoemelijke financiële inspanningen gevergd om opnieuw in het bezit te komen van hun vroegere eigendommen en vrijheden. Pauwel omschrijft het zo mooi in zijn jaarboeken: ‘ ’t gone een uutnemende sware last was voor een aerm ende verbrant stedeken’.
De hoge accijnzen en beenharde regering zorgen voor bijzondere misnoegdheid in Vlaanderen. Vooral in Brugge. Die zware belastingen in combinatie met de manier waarop de Fransen het volk minachten, leiden er in 1302 tot de Brugse Metten. Ze jagen het Franse crapuul de stad uit. Jan van Namen, de broer van Gwijde, komt aan het hoofd van de Vlaamse rebellen en roept ondermeer de mensen van Veurne-Ambacht en de Kasselrij van Veurne op om zich te keren tegen de Fransen en zijn kant te kiezen. De Veurnenaars rukken zich (nog maar eens) los van hun engagement ten opzichte van de Franse schatkist en kiezen als eersten resoluut de Vlaamse zijde. De rest van de Vlaamse steden en Kasselrijen volgt hun voorbeeld.
Er ontstaat een hetze tegen alles wat blauw- en Leliaardgezind is. De abt van Ter Duinen vlucht halsoverkop naar Parijs. In het seminarie van St.-Bernard sterft hij van verdriet. Tja. Verkeerde keuzes gemaakt in het leven zeker? De achtergebleven broeders van Ter Duinen eten de boter voor zijn Fransgezindheid. Er wordt grote schade toegebracht aan de eigendommen van de abdijen en aan de landerijen van ieder die betrokken was met de belastingsterreur op het Vlaamse volk. De burggraaf van Veurne en hoogbaljuw Reyfin, met in hun zog de ’treffelijkste’ van de Kasselrij, vrezen voor hun leven en vertrekken naar de Franse hoofdstad.
Ook hun goederen worden geplunderd. Van hun woningen blijven er geen twee stenen meer op elkaar staan. De Guldensporenslag komt er nu snel aan. Kortrijk is de bestemming, want in het lokale kasteel zitten er honderden Franse soldaten verscholen. Ze wachten op versterking van een grote krijgsmacht om samen de Vlamingen neer te slaan. Wie anders dan Robert van Artois zal zorgen voor de kastijding van de Vlamingen? Alle beschikbare jonge mannen van Veurne-Ambacht wapenen zich en trekken onder leiding van hun aanvoerder Ustaes (Eustachius) Sporkin naar Kortrijk. De afloop van de strijd is bekend. Tijdens de slag van Groeninge op 11 juli 1302 laten 20.000 Fransen het leven. Ook Robert van Artois is er aan voor de moeite. Als zijn dode lichaam door de Vlamingen herkend wordt, krijgt het nog meer dan dertig dolksteken te verwerken. Ze symboliseren de haat van het Vlaamse volk tegenover de Franse arrogantie.
Ustaes Sporkin en zijn Veurnenaars hebben dapper gevochten voor de Vlaamse vrijheid en worden met lof overladen. Jan van Namen die gouverneur, ruwaard, van Vlaanderen is geworden, slaat Sporkin tot ridder en stelt hem aan als de nieuwe hoogbaljuw van Veurne. De voormalige hoogbaljuw Boudewijn Reyfin blijft veiligheidshalve op Frans grondgebied want in Veurne heeft hij het definitief verkorven. De gebeurtenissen stapelen zich werkelijk op in de herfst van 1302. Gent, Rijsel en Douai komen weer in Vlaamse handen. Waar mogelijk worden de Fransen verdreven. Maar nog voor het aanbreken van de winter staat Filips de Schone al opnieuw aan de Vlaamse grenzen met een krijgsmacht van 80.000 verse krachten.
De belegering van Douai wordt aangevat maar opgebroken door de invallende winter. Tijdens de winterperiode verblijven de duizenden Franse soldaten in de steden en gemeenten rond de grensstreek. Hier en daar worden er zowel door de Vlamingen als door de Fransen speldenprikken uitgedeeld en komt het tot gewelddadige confrontaties. Méér dan zomaar speldenprikken zelfs! Bij St.-Omer komt het tot een flink uit de kluiten gewassen veldslag van Veurnenaars en andere Vlamingen tegen Franse milities.
Ter hoogte van de nieuwe dijk van Blendecke (Blendecques) worden 3.000 Vlamingen door Franse ruiters om het leven gebracht. Het Vlaamse leger dat zich in het voorjaar van 1303 aandient, is reusachtig. De Vlaamse strijdkrachten lopen Artois en Terwaan onder de voet. Het beleg van Doornik wordt door de Fransen via onderhandelingen geneutraliseerd. Vergeet niet dat ze nog steeds onze graaf en zijn zoon in verzekerde bewaring houden. Doornik vrij is Gwijde vrij. Zo kan je het stellen.
Gwijde van Dampierre trekt enkele keren naar zijn kasteel in Wijnendale en dan terug naar zijn Franse hechtenis en probeert ondertussen te onderhandelen over vrede en de voorwaarden die er mogelijk aan verbonden kunnen worden. Gwijde sterft op tachtigjarige leeftijd in maart 1305. In de jaarboeken van Veurne wordt er beweerd dat de graaf al op het einde van 1304 op Frans grondgebied is gestorven. In zijn gevangenis te Compiègne. Midden tijdens zware schermutselingen tussen Franse en Vlaamse legers en vooral tijdens de voor de Fransen echt cruciale onderhandelingen.
De Vlamingen lijken op dat moment niet te beseffen dat zij in wezen de sterkste partij zijn. Maar Filips de Schone en zijn juristen zijn sluw als geen ander en proberen via onderhandelingen het maximum uit te brand te slepen. De Veurnse stelling dat ze de dood van Gwijde verborgen houden om die onderhandelingen niet te verstoren, kan dus mogelijk wel enige steek houden. Het is immers onvoorspelbaar hoe de Vlaamse patriotten zouden reageren op de plotse dood van hun graaf? Mogelijk wil de Franse monarch geen enkel risico nemen en houdt hij de dood van de oude graaf inderdaad verzwegen.
Robrecht en Willem, de twee gevangen zonen van Gwijde, nemen de onderhandelingen over en komen in 1305 tot een vergelijk. En wat voor één! Robrecht van Bethune wordt aangesteld als graaf van Vlaanderen en volgt hiermee zijn vader op. Ook Willem en de gevangen zittende Vlaamse adeldom mogen terugkeren naar hun heimat in Vlaanderen. Ondertussen wordt er gewerkt aan het finaliseren van een pact tussen de Fransen en de Vlamingen. De voorwaarden die opgelegd worden aan de Vlamingen blijken een farce.
De met geweld dreigende Fransen versus de Vlamingen die het niet zien zitten om de geëiste belachelijke financiële offers te brengen om zo hun vrijheid af te kopen. De potentiële toegevingen zorgen voor grote commotie en verdeeldheid in Vlaanderen. Het steekspel houdt aan tot in 1309. Er worden nieuwe, zachtere, maatregelen aangekondigd. Begin mei 1309 reizen de gedeputeerden van de Vlaamse steden en Kasselrijen naar Parijs om het ultieme vredesverdrag te ondertekenen.
Voor Veurne en de kasselrij van Veurne trekken Simoen Utelaete, ridder Ustaes Lauwaert en Jan Bastaert naar Parijs. De akten die ze terugbrengen naar Veurne zijn voorzien van de koninklijke en grafelijke zegels. De inhoud ervan blijkt onhoudbaar voor de mensen van Veurne en omstreken. Onhoudbaar trouwens voor de modale man en vrouw in het hele graafschap van Vlaanderen. Het zaad van een nieuwe rebellie tegen Frankrijk is al opnieuw aan het kiemen.
In 1313 is het inderdaad weer van dat. Zoals Pauwel Heindericx het zo volks schrijft, begint de oorlog tussen de koning van Frankrijk en de graaf van Vlaanderen weer te ‘ontsteken’. Rijsel, Douai en Bethune zijn in 1309 Frans grondgebied geworden. Robrecht van Bethune is er natuurlijk zelf schuldig aan, maar hij wil de situatie alsnog omkeren en opnieuw die gebieden inlijven bij Vlaanderen. In West-Vlaanderen zijn ze beducht voor een nieuwe Franse inval en wordt het volk in allerijl gemobiliseerd om post te gaan vatten bij de Nieuwe Dijk en aan de rivier de Aa. Die Nieuwe Dijk, de fossa Boloniana, werd trouwens in 1053 gegraven in opdracht van graaf Boudewijn V.
Het 26km lange kanaal verbindt de Leie met de Aa en werd oorspronkelijk aangelegd om het Frans- en Vlaamstalig gedeelte van Vlaanderen van elkaar te scheiden. Hier aan de Nieuwe Dijk, proberen de Vlamingen te verhinderen dat de Fransen het water oversteken en binnendringen op Vlaams grondgebied. 1100 gewapende mannen uit de Kasselrij van Veurne staan opnieuw onder het roer van hun hoogbaljuw Ustaes Sportkin en enkele andere bevelhebbers. Door toedoen van de paus wordt uiteindelijk een wapenstilstand afgesloten voor de periode van één jaar. In 1315 is de situatie nog geen sikkepit veranderd. De graaf verzamelt opnieuw zijn oorlogsvolk en trekt op met de bedoeling om de stad Rijsel te belegeren. Maar die plannen veranderen als blijkt dat er een Frans leger onderweg is om het grondgebied van het graafschap binnen te vallen. Er wordt nu postgevat aan de Leie.
Ook de mannen van Veurne en van de Kasselrijen van West-Vlaanderen nemen opnieuw hun posten in aan de Nieuwe Dijk. Maar deze keer helpt er geen lievemoederen aan. De Fransen steken met geweld het kanaal over. Ze verjagen en doden iedere krijger die hun de doorgang wil beletten. Na een kort beleg wordt het kasteel van Cassel ingenomen. Het West-kwartier wordt nu onder de voet gelopen. Veel gebouwen worden beroofd en door het vuur vernietigd. Het merendeel van de inwoners slaat met hebben en houden op de vlucht. Ze trekken naar het Vrije of in het Bloote waar ze bescherming zoeken achter de Lovaart.
Hier breken ze alle bruggen af om te vermijden dat de Franse woestelingen hun landen verder kunnen binnendringen. De Franse divisie aan de Leie begint met de belegering van Kortrijk. Maar de regen steekt hier een stokje voor. In 1315 regent het tien maanden aan één stuk. De Fransen breken hun offensief op en trekken zich noodgedwongen terug. De vruchten van de aarde zoals het graan en andere gewassen rotten op de velden voor ze de kans krijgen om te rijpen. De mensen beleven een onvoorstelbare periode van hongersnood, armoede en ellende. Niemand heeft ooit dergelijke miserabele toestanden meegemaakt. Van etenswaren is er amper sprake en als die aangeboden worden, zijn ze gewoonweg onbetaalbaar.
Een zak graan van 75 kilo, een rasier, kost maar liefst 42 Parijse ponden. Een fortuin voor het volk dat in die schrijnende armoede moet zien te overleven. De mensen dolen langs de velden en in de bossen op zoek naar knollen en kruiden. Meestal grote vuiligheid die dan op zijn beurt zorgt voor kwade ziekten en pest. ‘Is dit een straf van God?’ vragen ze zich af.
Dit is een fragment uit Boek 3 van De Kronieken van de Westhoek


