24 september 1871. Een pastoor, waardig van onze heilige godsdienst, een priester of een vicaris had een devote inschrijvingslijst gelanceerd met als doel om aan de maagd Maria in zijn kerk een hoofddoek in kantwerk te kunnen aanbieden. Jullie zouden ons vermoedelijk niet geloven, maar het betrof toch wel een bijzonder grote uitgave want deze hoofddoek zou minstens 10.000 frank moeten kosten. Deze eerbiedwaardige man van God had zich onlangs – met zijn lijst ter hand – aangeboden bij een van zijn parochianen, een rijke burger bij wie hij rekende op een betekenisvolle aalmoes. Maar een geest van scepticisme en verzet waren nu al overal doorgedrongen.
‘Mijnheer pastoor, zei de rijke burger, ik zal me met plezier inschrijven op uw lijst, maar dan wel tegen één voorwaarde’. De priester ging al direct akkoord en vroeg wat dan die voorwaarde wel mocht zijn. ‘Wel’, zei de man, ‘het geld dat ik u ga overhandigen moet dienen om een broek – en niet in kantwerk – te kopen voor de Christus op uw hoofdaltaar die deze veel meer nodig heeft dan Maria haar kantwerken hoofddoek.’
Of mijnheer pastoor die voorwaarde nu al dan niet aanvaard had, werd er niet bij verteld. Maar Jezus zou vermoedelijk nog lang moeten wachten op zijn broek.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw


