banner
apr 24, 2021
2220 Views

Gelijkheid op het kerkhof

Written by
banner

Aan allen gelijkheid op het kerkhof

Hier, in ’t somber dodenrijk,
Is eenieder mij gelijk;
Armen, rijken met hun centen
Meng ik zonder complimenten.
Allen liggen in de rij
Onder de aangewezen lei.
Hier bestaan geen ruime zalen
om de dames aan te halen,
Alle weelde, tooi en pracht
Zijn voor eeuwig hier veracht.
Denk niet van mijn grond te ontvlieden,
Arme mensen, rijke lieden.
Allen worden op hun beurt
Door de dood er heen gesleurd.
Bij mij zijn geen wereldlijke rechten,
Heren liggen naast hun knechten,
En de grote liberaal
Sluimert bij de klerikaal.

Tegenspraak kan hier niet dienen.
Meisjes met hun krinolienen,
Schoon, bevallig, breed en rond,
Delf ik in de enge grond.
Vrij is niemand voor mijn spade,
Kinderen, echtgenoot en gade,
Welke prooi de dood mij gaf,
Ik smijt hen een voor een in ’t graf.
Ieder volgt de treurige rij,
graven, knechten in livrei,
Modepoppen, zwart en blond,
Oude kwezels licht van mond,
Grote helden die zo razen,
Bloodaards die de aftocht blazen.
Allen gaan de heuvel af,
Naar het eeuwig zwijgend graf.

Niet één kan zijn plaats weten,
Het ligt er allemaal dooreen gesmeten.
Ik delf hier soms een diplomaat,
Aan de zijde van een soldaat,
En een vrijmetselaar
Naast een kerkdienaar.
En de dame, rijk en vol pracht
Naast een bloed der burgerwacht.
Of een freule rank van lijf,
Naast een verrimpeld wijf.
Daar graaf ik een rijke vrek
Bij wie stierven van gebrek.
En de dwingeland met zijn bukkers
En de wees en haar verdrukkers,
Allen stop ik in de muil
Van de enge dodenkuil.

Ambten, plaatsen en emplooien,

Waar het mensdom voor moest plooien,
Die betekenen hier geen duit.
Ieder dekt hetzelfde kruid.
En het gras staat even groeiend
En de de madelieven vloeiend
Op het nederig werkmansgraf.
Al van wie bevel gaf,
Want in ’t somber dodenrijk
Is éénieder tot gelijk.

Niemand kan de dans ontlopen,
Of zich vrij en vrank van kopen.
Hier bestaan geen bank noch fonds,
Wisselhandel en coupons.
Dit zijn waren die niet blinken
En helemaal in het duister zinken.
Bij mij geen klimmen meer,
Maar slechts dalen, dieper neer.
Daar helpt geen razen meer of praten.
En de twistzieke advocaten,
Steeds met pleitprocessen vol,
Zijn zo zwijgend als een mol.

Even lief zijn me alle kleuren
Die de dragers voor mij sleuren.
Want de smid zo zwart en naar,
steek ik bij de molenaar.
En de bakker met zijn zwager
Naast de vuile schoorsteenvager.
En de slachter rood van bloed,
Bij hem die in haring doet.
Allen rusten stil en schuil
In de diep gegraven kuil.

Ik zie naar kunsten noch verstand
Ieder dekt hetzelfde zand.
Hij, die grote boeken schreef,
Dagen, nachten werkte en wreef,
Verzen lapte, mooi en goed,
Ligt er bij d’ onnozel bloed.
En hij die door frisse kleuren
Hart en ziel omhoog kan beuren,
Het stomme doek het leven gaf,
Sluimert naast een kind in ’t graf.
En de wijd gevierde zanger
Die, de borst van weemoed zwanger,
Viel zo spoedig op de baar,
Rust zacht bij de rijmelaar.

Zo sprak Jan, de gravenmaker,
Hij, de grote kerkhofbewaker.

Uit de Ieperse krant ‘De Toekomst’ van 1863

Article Tags:
· · · · · · ·
Article Categories:
heerlijke poëzie
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *