Het begin van de 10de eeuw staat natuurlijk in het teken van de heropbouw. De bouwmaterialen van alles wat afgebroken werd kunnen nu worden ingezameld en zullen dienen om de geblakerde steden en dorpen weer op te bouwen en in te richten.
In het teken van de heropbouw
Het begin van de 10de eeuw staat natuurlijk in het teken van de heropbouw. De bouwmaterialen van alles wat afgebroken werd kunnen nu worden ingezameld en zullen dienen om de geblakerde steden en dorpen weer op te bouwen en in te richten. Stenen uit Aardenburg en Rodenburg recycleren ze in de Brugse versterkingen. Zo gaat dat in de middeleeuwen. Vervoer van stenen en hout is complex en helemaal niet evident door het ontbreken van fatsoenlijke wegen. Dat is meteen ook de reden waarom zoveel archeologisch materiaal verloren gaat. Ook de graaf doet zijn best om de rampen die zijn onderdanen hebben geteisterd enigszins te helpen verzachten. Het is natuurlijk ook een poging om verder onheil te voorkomen. Zo voltooit hij de werken die nog door zijn vader werden opgestart in Brugge. De buitenzijde van de stad krijgt nu muren en poorten.
De werklieden gebruiken daartoe inderdaad de stenen van het verwoeste Oudenburg. Olivier de Wree beschrijft de nieuw aangelegde omloop en alles wat er zich binnenin bevindt. Die gaat van de Burg naar de Blinde Ezelsbrug, Calisbrug, Peerdenburg, Meulenbrug, Sinte-Annabrug, Strooibrug, langs de Karmelietenburg voorbij de Zuidzandbrug naar het Begijnhof. Van daar keert de omloop via het hospitaal van de H. Johannes voorbij de Eeckhouttebrug en de Pandburg om tenslotte weer bij de Burg terug te keren. Deze kroniekschrijver relativeert de stenen muren van dat jonge Brugge. De poorten zullen wel in steen gebouwd zijn maar de omwalling rond de stad is een cirkel van opgeworpen aarde omzoomd door grachten. Ook in Ieper komt er een gelijkaardige omwalling. Net zoals in Sint-Omer en de nabijgelegen abdij van Sint-Bertijn die beschermd wordt door nieuwe verschansingen. De oude naam van Sithiu verdwijnt meteen als de abdij en de omgeving in één agglomeratie versmelten tot Sint-Omer.
Groenberge verrijst uit zijn assen
Boudewijn II levert veel inspanningen om ook Groenberge uit zijn puinen te doen verrijzen. Er komen wallen. De nieuwe stad krijgt een burcht en een klooster waar de relikwieën van de heilige Winok hun plaatsje vinden. Zijn restanten worden daarvoor weggevoerd van het naburige Wormhout. De bescherming van de abdijen is topprioriteit voor de graaf. Er is best al sprake van een redelijke rijkdom in de eerste helft van die negende eeuw. Een richesse die als een magneet inwerkte op de Noren en dus veranderen die abdijen noodzakelijkerwijze in ware vestingen. Gent blijft zowat de hele eeuw in een toestand van verval. Het maatschappelijk leven in Vlaanderen lijkt inderdaad verder gevorderd aan de zeekant en in het westen. Om de beveiliging van het land te bevorderen laat Boudewijn II her en der nieuwe burchten bouwen, eigenlijk de naam ‘kasteel’ niet waardig. Die centra zijn vermoedelijk de aanzet van de kasselrijen, een soort militaire indeling van het graafschap, waarbij het bevel telkens in handen is van een vazal met voldoende haar op zijn tanden. Het verbeteren van de zeden bij zijn onderdanen blijft belangrijk.
Boudewijn laat verscheidene plakkaten afkondigen om iets te doen aan de vele ongeregeldheden. De graaf toont zich bezorgd om het land van stroperij en boosheid te zuiveren. Het volk moet streven naar vrede en eendracht want dat maakt uiteindelijk zijn eigen bestuur eenvoudiger. Hij laat zich daarbij adviseren door een soort regering avant la lettre. Enkele historici zijn van mening dat dit pas later zal gebeuren terwijl anderen graaf Boudewijn II als stichter van deze adviesraad beschouwen. Die bestaat uit twaalf van zijn bijzonderste leenheren. Tijdens de vergaderingen zitten er zes aan zijn rechterzijde en zes aan zijn linkerzijde. De graaf verklaart de waardigheid van die twaalf functies als een erfelijk recht en zo zijn die eerste leenheren meteen de eerste heren van het rijk van de graaf. Het zogenaamde ‘Hof van Vlaanderen’ bezorgt ons land in elk geval extra luister en prestige en zowaar een vleugje koninklijk aanzien.
Zevens lanssteken voor abt Fulco
Als leenheer van de Karolingische koning moet de graaf van Vlaanderen ingrijpen als Odo van Parijs de macht overneemt van de Karolingers. Dat gebeurt in de periode tussen 888 en 898. In die strijd om de macht vallen Boudewijn en zijn jongere broer Rudolf in 896 het graafschap Vermandois aan. De broers bemachtigen daarbij Arras, Péronne en Saint-Quentin. Herbert I van Vermandois slaat echter terug en neemt Rudolf gevangen. De jongste zoon van Boudewijn van de Ijzer bekoopt zijn verzet op 28 juni 896 met het leven. Anderhalf jaar later herstellen de Karolingers hun machtspositie en komt koning Karel III de Eenvoudige op de troon in West-Francië. De hele toestand zal jarenlang de relatie tussen Vlaanderen en Vermandois vertroebelen. Ik vertel daarbij nog dat onze eigenste graaf van Vlaanderen op 17 juni 900 wraak neemt door abt Fulco van Sint-Bertijns in koelen bloede en met zeven lanssteken te vermoorden. De Franse bisschoppen slingeren Boudewijn en zijn trawanten in de ban van de kerk maar de graaf van Vlaanderen lacht de clerus en koning Karel III vierkant uit. Ze weten goed genoeg wat Fulco op zijn kerfstok had. Uiteindelijk zal de zaak in de doofpot belanden met een nieuwe abt in Sint-Bertijns, een figuur die zich weer achter Boudewijn II schaart. Het geeft toch wel te denken hoe de toestand van de arme bevolking moet zijn rond het jaar 900. De mensen zijn om te beginnen leeggeplunderd door de barbaren uit Scandinavië die zich als een wervelwind verspreid hebben over hun land en dat terwijl hun vorsten de naam van mens sowieso onwaardig zijn.
De broers Arnulf en Adolf
Het flatterend plaatje van de Vlaamse geschiedschrijvers kan ik dus best wel enigszins relativeren. Deze graaf-moordenaar Boudewijn II brengt zijn volwassen leven door aan de zijde van Elstrudis, de dochter van de Angelsaksische koning Alfred de Grote. Het koppel krijgt vijf kinderen. Twee zonen en drie dochters. Arnulf en Adolf, Estruda, Graciana en Judith. Kort voor zijn dood houdt de graaf nog een algemene vergadering i.v.m. het bestuur van Vlaanderen. Hij sterft op 2 januari 918 in Gent nadat hij zijn land voor 39 jaar heeft bestuurd. Ondanks zijn verzoek om in de abdij van Sint-Bertijns in Sint-Omer begraven te worden zal zijn stoffelijk overschot eindigen in de kapel van Onze-Lieve-Vrouw binnen de Gentse abdij van Sint-Pieters. Dat gebeurt op bevel van zijn echtgenote Elstrudis die graag bij hem zou begraven worden, iets wat ze in de mannenabdij van Sint-Bertijns onmogelijk kunnen accepteren. Een vrouw, stel je voor!
Anno 918. Boudewijns opvolging zorgt voor een split in zijn bezittingen. Arnulf I (29) wordt de nieuwe graaf van Vlaanderen terwijl zijn broer Adolf een ietwat ondergeschikte rol krijgt als graaf van het land van de Morinen. Dat is de regio van Boulogne of Bonen, Saint-Pol een kilometer of tien van Atrecht, Terwaan en Guines. Adalulf zal rond 934 kinderloos sterven en daarna zal dat hele gebied weer terugkeren in de schoot van Vlaanderen. Een van de eerste beleidsdaden van graaf Arnulf is ervoor te zorgen dat zijn moeder de nodige schenkingen doet aan de Sint-Pietersabdij van Gent. Nu ze heeft aangegeven dat ze er wil begraven worden mag er best ook boter bij de vis komen. Elstrudis gaat in op zijn verzoek en schenkt veel schone gronden aan de abdij. Deze gronden liggen in het graafschap van Kent in het koninkrijk van Engeland. Ze is dan ook niet voor niks de dochter van koning Alfred de Grote.
Verteerd door het vuur en in gruzelementen
Graaf Arnulf zal met verloop van tijd de bijnaam van ‘de Oude’ krijgen. Hij raakt verwikkeld in een hevig conflict met zijn buur de hertog van Normandië, een twist die blijkbaar al meegaat van de tijd toen zijn vader nog leefde. De ruzie met Normandië draagt natuurlijk niet bij tot de interne rust van het uitgeputte Vlaanderen. Vooral de geestelijken te lande klagen steen en been dat alle energie en middelen besteed worden aan ridders en oorlogslieden. De toestand van de kerk na de rampspoed van de Noormannen blijft allerellendigst. De kloosters hebben al hun kostbaarheden zien wegvoeren. Hun gewijde vaten, gouden en zilveren heiligenschrijnen. Hun kostbare boeken, ontelbare handschriften uit de oudheid. Manuscripten die de eerste kerkvaders zo zorgvuldig hadden bewaard zien ze nu verbrand en vernield. Er zit niet veel anders op voor de monniken om hun vernielde kloosters achter te laten. Verteerd door het vuur en in gruzelementen dienen ze nu als schuilplaats voor wilde dieren of voor landlopers en struikrovers. Hun akkers en boomgaarden waar de monniken zo veel tijd en energie hebben ingestopt zijn veranderd in braaklanden en woestijnen en begroeid met distels en doornen. Alsof ze er nooit geweest waren. Vrede, godsvrucht en welvaart zullen nog niet voor morgen zijn. Het stikt overal van de vluchtelingen, bedelaars op zoek naar wat brood in deze beproefde streek. Ze kloppen aan bij de villae van de noblesse. Of aan de deuren van de rijkere burgerij ergens langs de straten van de omwalde steden. Hier en daar ondernemen enkelingen pogingen om de gronden van de abdijen weer vruchtbaar te krijgen en om er wat simpele huizen op te trekken. Niet gemakkelijk want de Noormannen hebben zo goed als niks intact gelaten en tot overmaat van ramp vallen veel verlaten eigendommen nu ten prooi van inhalige edellieden. De landlieden leven kortom gezegd in mensonwaardige omstandigheden zonder enige middelen van bestaan.
De wildemannen zijn daar terug
De lokale graven verdelen de gronden en de landerijen van de abdijen nu onder hun eigen leenmannen en vazallen die later weinig geneigd zullen zijn om die terug af te staan aan de rechtmatige eigenaars. Ik verwonder me er niet over dat de Vlaamse geestelijkheid gaat pruttelen bij graaf Arnulf die precies zoals zijn vader zaliger netjes heeft meegewerkt met de adel en de hand legde op nogal wat kerkpanden in het graafschap. Graaf Arnulf zal later tot inzicht komen en de geestelijke eigendommen herstellen. Hij helpt krachtdadig met de heropbouw van kerken en abdijen en zorgt dan toch voor een heropbloei van het land. Zo roept hij in 937, op verzoek van Transmarus de bisschop van Doornik, de monniken van Sint-Baafs terug naar Gent. Hij helpt hen met man en macht om hun ooit zo beroemde abdij uit zijn vervallen toestand te herstellen. Tot nieuwe verwikkelingen ervoor zorgen dat het klooster en de inwoners van de villae die er van af hangen plots niet meer zullen moeten rekenen op de hulp van hun graaf.
Tot overmaat van ramp spoelen er opnieuw hele benden Noormannen aan, wildemannen uit Denemarken die de Vlaamse kustlijn terroriseren. Ze moorden er op los, plunderen de steden, verbranden de kerken. De graaf krijgt de assistentie van zijn broer Adolf en probeert hen af te stoppen. Tijdens een grote bloedige slag in Valkenburg lijden de Noormannen een dermate grote nederlaag aangesmeerd en verliezen ze zo veel strijders dat hun volk wel helemaal vernietigd lijkt. De paus vindt dat de inzet van de graaf wel eens beloond mag worden. Hij vaardigt een bulle uit waarbij Arnulf in het bezit stelt van een hele reeks tienden over zowat heel het grondgebied van Vlaanderen. Welke paus dat deed en wanneer die veldslag in Valkenburg precies plaatsvond moet ik de lezer schuldig blijven.
Opnieuw controle over Atrecht
In 929 sterft Elstrudis, de moeder van Arnulf en kan ze zoals ze dat graag wou begraven worden in de O.L.V.-kapel van de Sint-Pietersabdij. Om een of andere reden inspireert zijn moeders dood hem om wat extra zorg te besteden aan het herstel van de kerken en de kloosters. In 931 krijgt graaf Arnulf de controle over Atrecht. Hij herstelt daar het klooster van de heilige Vedastus dat deels verwoest was door zijn vijanden. Twee jaar later verliest hij zijn broer Adolf en komen zijn gebieden weer integraal onder Vlaamse vlag. In 936 komt Lodewijk van Overzee aan zet als nieuwe koning van Frankrijk. Hij is een afstammeling van de beroemde Karel de Grote en kijkt met gretige ogen naar Lotharingen dat ooit nog in het bezit was van de Karolingers maar sinds 925 onder het gezag staat van de koning van Germanië. Dé grote concurrent natuurlijk. De lezer zal zich vermoedelijk afvragen waar Lotharingen zich bevindt en wat dit te maken heeft met onze vaderlandse geschiedenis. Ik vertel er daarom dus bij dat het bewuste Lotharingen zowat het huidige België omvat, t.t.z. alle gebieden ten oosten van de Schelde. Oost-België valt dus in het oude Duitsland terwijl Vlaanderen Frans grondgebied is. De Duitse koning, Otto I beseft dat hij de Fransman van zich moet afhouden. Hij heeft trouwens goed in de gaten dat nogal wat edelen sympathiseren met Lodewijk. Otto gaat samenspannen met zijn schoonbroer Hugo van Parijs, Hugues le Grand. Best grappig is trouwens dat de Franse koning getrouwd is met Gerberga een zuster van Otto en dat beide rivalen dus ook elkanders schoonbroers zijn. Van je familie moet je het hebben! Om het verhaal nog wat smeuïger te maken geef ik nog mee dat de grote Hugo zelf de nodige ambities koestert om het koningschap in Frankrijk over te nemen.
De komst van Arnulf de Bevere
In 940 trekt graaf Arnulf zijn Angelsaksische neef Arnulf de Bevere aan als strategische adviseur om de grenzen van Vlaanderen te versterken. Hun moeders Elstrudis en Aethelflaed zijn allebei dochters van de Engelse koning Alfred de Grote. Lord de Bevere heeft grote competenties opgebouwd met het bouwen van burchten in Engeland. Na een staatsgreep zetten ze hem in Old Sarum (het vroegere Salisbury) aan de kant en dat betekent een buitenkans voor Arnulf om zijn op een zijspoor gezette neef deze topfunctie hier in Vlaanderen aan te bieden. Zijn familienaam zullen we voortaan terugvinden in de diverse Beverens die Vlaanderen rijk is; Beveren-Leie, Beveren-aan-de-Ijzer, Beveren aan de Schelde bij Antwerpen en andere. Op al die plaatsen krijgt hij strategische grondgebieden ter beschikking om ze te verdedigen tegen de vijand. De Noormannen en de Duitsers om er maar enkele te noemen. Deze Arnulf de Bevere bouwt onder andere de burcht in Diksmuide die meteen de aanzet geeft tot het ontstaan van deze stad. Zijn nakomelingen zullen eeuwenlang bekend blijven als Diksmuidse burggraven en vertrouwelingen van de Vlaamse graven.
Vlaanderen en de buren van Lotharingen
Er komt gegarandeerd oorlog van. Graaf Arnulf van Vlaanderen staat uiteraard aan de kant van koning Lodewijk. Hij is aan hem verknocht door zijn familiebanden en natuurlijk ook door zijn eed van leenman die hij aan de Fransman heeft afgelegd. Hij ziet zich dus verplicht om de Duitsers te bestrijden. Toch trekt Otto aan het langste eind. In de buurt van Laon komt het in 941 tot een grote veldslag waarbij de helft van het Frans leger gedecimeerd wordt en de rest op de vlucht slaat. Dat betekent een bittere nederlaag voor Lodewijk die zich ternauwernood in het zadel kan houden en dat dankzij de hulp van de Aquitaniërs. Otto kan zijn gezag in Lotharingen nu helemaal herstellen en hij brengt oost-België weer helemaal onder de Duitse heerschappij. Het kost hem niet veel moeite nu de Fransman in de lappenmand ligt. Arnulf is wel de gebeten hond voor de Duitse koning. Zijn steun aan Lodewijk vergeet hij niet zomaar. Deze wrok zal natuurlijk heel erg ongemakkelijk aanvoelen voor de graaf van Vlaanderen. Het gebied tussen Gent en Antwerpen met inbegrip van het land van Waas is in die tijd nog geen Vlaams grondgebied. De Schelde gaat gaandeweg een grote rol spelen in de ontwikkeling van Vlaanderen. De stroom loopt van Gent naar Dendermonde, verenigt zich met andere rivieren verenigt en stroomt dan verder tot in Antwerpen. Daar splitst die zich in twee zeearmen. Een deel van die oude Schelde loopt hoogstwaarschijnlijk van zuid naar noord via Gent naar Biervliet waar ze zich in een soort van zeeboezem of grote kreek ontlast.
Gent en de loop van de Schelde
In die oude tijden vloeien de Leie en de Schelde niet met elkaar samen te Gent maar behoudt de Leie haar eigen bedding op het traject waar momenteel nog altijd de Lieve stroomt die er vermoedelijk een overblijfsel van is. Een algemene springvloed die gepaard gaat met een grote westerstorm zal er de oorzaak van zijn dat het waterpeil van de Schelde op een moment zodanig gaat stijgen en het overstromende water wel zijn weg moet zoeken in de gezwollen Leie. De watermassa baant zich met geweld een weg van Gent naar Dendermonde. Zo ontstaat een nieuw traject voor de Scheldestroom. De nieuwe bedding wordt na verloop van tijd dieper en dieper en voert de meeste wateren in de richting van het oosten. Terwijl er in de vroegere bedding niet veel stroming meer overblijft. Waarop die gaat verzanden en dichtslibben zodat er uiteindelijk niets meer van zal overblijven. Wanneer dat proces verlopen is kan niet exact worden vastgesteld. Maar het valt aan te nemen dat het tussen de 6de en de 9de eeuw moet geweest zijn. Rond het jaar 900 moet de oude Schelde nog bevaarbaar zijn hoewel de nieuwe Schelde dan al lang zijn nieuwe bedding volgt. Die nieuwe loop van de Schelde krijgt ook zijn politieke consequenties. Na de dood van de Franse koning Lodewijk de Vrome beslissen zijn kinderen dat de grens tussen Frankrijk en Lotharingen wel degelijk de Schelde is. Alles wat zich ten oosten van Gent bevindt maakt deel uit van Lotharingen en valt dus in het Duitse keizerrijk, het gebied dat al in hun handen is sinds 925. Het zijn de vroegere graven die dat oostelijk gebied in vroegere jaren een beetje clandestien hebben binnengereven, zelfs zonder medeweten van hun leenheer-koning. ‘Je moet niet denken dat je zomaar met mijn voeten kan spelen’, zoiets zal koning Otto wel gedacht hebben over Arnulf na zijn steun aan de Fransen tijdens de veldslag van Laon. En dus palmt hij de oostelijke landen van Gent netjes weer in. Later zullen de zonen van de Franse koning dit nog eens extra officialiseren. Gent ligt nu perfect aan de grens tussen Vlaanderen en Duitsland.
–
Uit deel 9 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – lees kroniek ‘Het Ontstaan van Vrilandia‘ hier.


