De oorlog van 1299-1300 is er één zoals zoveel voorbije oorlogen of oorlogen die nog zullen volgen. Schrijnende ellende voor de gewone mensen. In de Westhoek schrijven de mensen van Eecke bij Steenvoorde deze intrieste brief naar hun graaf: “Edele heer, wij, arme lieden van uw stad Eecke in het baljuwschap Kassel, smeken u in godsnaam medelijden te hebben met ons. De Fransen hebben het grootste deel van onze parochie in brand gestoken en geplunderd. Ze dreigen er mee dat ze de rest in brand zullen steken waardoor we ten zeerste in rouw zijn.”
“We hebben op raad van mannen die tot uw akkoord behoren, doen spreken met de Fransen, om de brandstichting en de plundering te vermijden, tot acht dagen na Pasen. Dit zou ons negentig ponden van de munt van de koning kosten. Edele heer, wij zijn uw lieden en we willen trouw met u leven en sterven, en dit niet nalaten, wat er ook gebeuren mag. We willen deze overeenkomst met de Fransen niet sluiten indien dit niet uw wil is. We bidden u, edele heer, ons een brief te bezorgen zeggend dat dit volgens uw wil en uw toestemming geschiedt, zodat we geen verwijt zouden krijgen van uw lieden en uw baljuws.”
April 1300. Willem van Dendermonde vraagt zijn broer om hem dringend versterking van duizenden soldaten te bezorgen zodat hij Damme en de streek rond het Zwin kan blijven verdedigen. In Ieper waar de bevoorrading van de soldaten en de bevolking in het gedrang komt, gaat het al niet veel beter. Vreemdelingen kunnen de stad niet meer binnen op straffe van een boete van 10 ponden. De Ieperlingen smeken bij hun graaf Robrecht van Bethune om vrede.
Robrecht stuurt twee gezanten in een wanhopige poging om het moreel van de Ieperlingen op te krikken. Hij laat uitschijnen dat de paus vredesonderhandelingen is opgestart en looft de Ieperlingen om hun financiële en militaire steun goed beseffende dat ze veel bezittingen hebben verloren en dat hun voorsteden in brand zijn gestoken. Indien de Ieperlingen echt versterking nodig hebben, kan hij hen eventueel honderd nieuwe krijgers toesturen.
De boodschap van de graaf biedt valse hoop aan de Ieperlingen. De mensen zijn niet achterlijk. Ondertussen is Damme gevallen. Gwijde van Namen treft bij zijn bezoeker vooral gedesillusioneerde stedelingen aan die niet langer geloven dat hun stad stand zal houden tegen de Franse terreur. De burgers verwijten het stadsbestuur en de graaf een vals positivisme en vooral het grote gebrek aan voorraden en etenswaren.
Ongeacht de situatie in en rond Ieper, trekken de Fransen zonder noemenswaardige weerstand door Vlaanderen. Ieper kan pas op het nippertje ontzet worden. Er wordt nog wel gevochten bij Poperinge, Hazebroek en Maldegem, maar telkens delven de Vlamingen het onderspit tegen het te sterke Franse leger. Het einde is nakend als Damme op 30 april 1300 in Franse handen valt en Willem van Dendermonde, tweede zoon van Gwijde, gevangen genomen wordt.
Charles de Valois, die de Franse troepen aanvoert, laat Willem vrij op voorwaarde dat hij aan Gwijde en Robrecht de Franse eisen voor een stopzetting van de vijandelijkheden overbrengt. Gwijde en Robrecht moeten zich overgeven maar de Vlaamse steden zullen hun rechten en vrijheden behouden. Over de goederen van de Liebaards zal de koning later beslissen en de gevluchte Leliaards zullen hun functies, goederen en eigendommen terug krijgen. Er rest de Dampierres weinig keuze.
Ze gaan akkoord. De oorlog is verloren en Vlaanderen veroverd. Vlaanderen moet zich noodgedwongen onderwerpen aan de grillen van het Franse hof. De voorbije jaren hebben diepe wonden geslagen in de Westhoek. Van Ieper tot Rijsel. Van Poperinge tot Veurne. De Leliaards pikken ongegeneerd en met de steun van de Franse koning het landgoed in van de Klauwaards. Het zal nog veel jaren duren vooraleer de situatie enigszins zal kunnen worden hersteld. En dat allemaal ter ere en glorie van één persoon: sinds Karel de Grote is er nu nog die ene grote heerser over West-Europa: Filips de Schone!
Vlaanderen, eens door een gunstig gesternte geleid
nu door stormen onttakeld, een drijvend wrak.
Vlaanderen, dat ooit in weelde praalde
thans neergeveld in slijk en asse treurt.
Vlaanderen, dat altijd heersen mocht en nu op een slaaf
in lompen lijkt. Hoe diep ben jij gevallen.
En toch, de hoop bestaat dat jij ooit zult opstaan
en troost zult vinden. Dat ieder van ons zegge: het weze zo!
Frankrijk juicht! Maar ’t einde kan verkeren.
Het lot verandert snel….
Gwijde en zijn twee oudste zonen, Robrecht en Willem, met bij zich nog een vijftigtal trouwe ridders gooien de handdoek in de ring en reizen naar Parijs. Ze onderwerpen zich aan Filips de Schone. Het gezelschap wordt bij aankomst aangehouden en gevangen gezet. Zullen Gwijde en Robrecht ooit nog vrijkomen?
Gwijde vliegt in de gevangenis van Compiègne. Robrecht en zijn dichtste aanhang worden gevangen gezet in Chinon (Indre-et-Loire). Ze worden “hoffelijk” bewaakt door negen bewakers en krijgen vier personeelsleden die zich moeten schikken naar de wensen van “Monseigneur Robert”. De rest van de Vlaamse ridders wordt her en der gevangen gezet in Frankrijk. Vlaanderen reageert ontzet op de gevangenneming van Gwijde en zijn twee zonen. Waarom hebben ze zich zo vrijwillig overgegeven? Waarom zijn enkele zonen van Gwijde naar Namen gevlucht? Hadden ze niet beter de strijd tegen de Fransen verder gezet?
Het volk voelt zich verlaten, in de steek gelaten door zijn leiders. De Franse bezetting is daarenboven een verschrikkelijke ervaring. De boeren, ambachtslieden en arbeiders snakken naar vrijheid. De intelligente en berekende Filips de Schone beseft al snel dat er een totale anarchie dreigt in Vlaanderen als er niet snel een bestuurder komt die stabiliteit en orde brengt. Iedereen verwacht dat er een nieuwe graaf zal worden aangesteld maar op 18 mei 1300 stelt hij een gouverneur aan die in zijn naam Vlaanderen moet besturen. Vlaanderen wordt met andere woorden aan Frankrijk toegevoegd. Het graafschap bestaat niet meer.
De nieuwe gouverneur (luitenant van de koning) heet Jacques de Saint-Pol, bij ons beter bekend als Jacques de Châtillon. Hij is een neef van de Franse koningin Johanna van Navarra. De kersverse gouverneur treft een regio aan die in diepe crisis is gedompeld. Het platteland rond Ieper, Douai, Brugge, Gent en Rijsel is genadeloos geplunderd. De mensen hebben honger. De wonden worden gelikt. Het zal veel inspanningen vergen om handel en nijverheid in het geteisterde Vlaanderen op de been te brengen.
De Vlaamse steden worden echter aangepakt in functie van hun verzet tijdens de oorlogsjaren. De inwoners van Damme krijgen hun vrijheden terug mits de jaarlijkse betaling van 5000 ponden. Gent met zijn aanhang van Leliaards wordt mild behandeld. Het vroegere stadsbestuur wordt aangesteld en er komt een nieuwe keure.
Ieper, de stad die zich pas op het bittere eind had overgegeven, krijgt het hard te verduren. Alle vrijheden staan ter discussie. Op tafel ligt een astronomische boete van 120.000 ponden met daarboven een jaarlijkse belasting van 3000 ponden. Allemaal te betalen door de aanhangers van de graaf. Over heel Vlaanderen worden bezittingen en eigendommen van gewezen aanhangers van de graaf aangeslagen en geschonken aan vertrouwelingen van het Franse hof.
In alle steden worden de grafelijke baljuws vervangen door vertrouwelingen van Filips de Schone. In Brugge, Kortrijk en Rijsel worden nieuwe kastelen gebouwd die zullen dienen voor de Franse garnizoenen in oorlogstijd. Het is een gouden tijd voor de Franse koning die volop de rijpe Vlaamse vruchten kan plukken. Jacques de Châtillon vestigt zich in Brugge van waaruit hij de totale onderwerping van de Vlamingen moet voorbereiden. De voorrechten van de steden blijven aanvankelijk overeind maar dat duurt niet lang. Aanvankelijk toont hij zich inschikkelijk maar al snel verandert die neutrale houding tegenover de Klauwaards.
De Leliaards reageren enthousiast en velen keren naar Vlaanderen terug waar ze op gewelddadige en brutale manier weerwraak bieden voor wat ze beschouwen het onrecht hen aangedaan door Gwijde. Moord en doodslag heersen over het hele Vlaamse platteland.
De vernederde Vlamingen moeten de emmer tot op de bodem ledigen. In mei 1301 tergt de Franse koning de lokale bevolking met zijn “blijde intrede”. Filips de Schone en Johanna van Navarra, vergezeld door een koninklijk gevolg van 200 personen, komen in stoet naar Douai, Rijsel, Doornik, Kortrijk en Oudenaarde waarna ze zich op 22 mei aanbieden in Gent. Vooral de komst van Johanna, al van kindsbeen fervent Vlamingenhaatster, belooft niet veel goeds.
De Gentenaars ontvangen de vorsten met alle egards in de hoop dat ze de vroegere voorrechten die hen afgenomen werden door Margaretha van Constantinopel kunnen terugkrijgen. Er wordt een groot en duur feest (kostprijs 27.000 Parijse ponden) georganiseerd dat vijf dagen zal duren. Het volk juicht de Franse vorsten toe. Bij zijn vertrek laat de koning weten dat het gehate “ongeld” een belasting op drank en voeding wordt afgeschaft. De Gentenaars blijven heel tevreden achter. Het stadsbestuur blijft achter met een financiële kater want met de afschaffing van het ongeld heeft Filips niet in eigen vel gesneden maar in dat van het stadsbestuur!
Op 27 mei is Brugge aan de beurt voor een blijde intrede van Filips en Johanna. Het Brugse stadsbestuur is het onrecht dat Gwijde hen in 1279 had aangedaan niet vergeten. De ambtenaren hebben zich in schitterende kledij gestoken om de Franse vorsten te ontvangen. Hun eigen kledij is zowaar mooier dan die van de vorsten zelf. En dat steekt…
In tegenstelling tot wat gebeurd is in Gent wil het Brugse stadsbestuur niet weten van een afschaffing van het ongeld (in Brugge “assise” genoemd) en verbiedt het de Brugse inwoners op straffe van de doodstraf om de afschaffing van het ongeld te vragen. Waar de Gentenaars de vorsten enthousiast onthaalden bij hun intrede, zijn ze dit in Brugge allerminst. Zwijgend en mokkend staan ze langs de weg de stoet aan te staren. En dat is niet naar de zin van de koning die het bevel geeft om Brugge onmiddellijk te verlaten. De Bruggelingen hebben zijn goed humeur grondig verbrod.
Via Wijnendale arriveert het koninklijk gevolg op 13 juni 1301 in Ieper, de laatste stad op hun programma. Ook hier heeft het Ieperse stadsbestuur er alles aan gedaan om hun vorsten met alle pracht en praal te ontvangen in de hoop dat hun stedelijke privileges zullen worden vernieuwd. Maar een humeurige Filips weigert botweg in te gaan op de wensen van de Ieperlingen en maakt rechtsomkeer naar Parijs. Zijn “blijde” intrede is enigszins anders verlopen dan hij had gedacht.
Ondertussen zijn de Bruggelingen te weten gekomen dat ze alle kosten van de intrede – de peperdure kledij van de gezagsdragers en families incluis – zelf zullen moeten betalen. De situatie in Brugge was al labiel en explosief. Er is echt niet veel meer nodig om de potjes te laten overkoken. En dat gebeurt ook. De toestand loopt al snel uit de hand. De opstand komt vanuit de buik van de stad zelf. Een eenvoudige wever, Pieter de Coninck, volgens de kronieken een man met korte armen en benen, getrouwd met de dochter van een welgestelde burger, biedt zich aan als een welbespraakte en schrandere woordvoerder van de wevers, volders, scheerders en ververs.
Hij wordt de leider, de volksmenner van de armste handwerkers. De Coninck wordt er door de massa op handen gedragen en oprecht graag gezien. De Leliaardse magistraten zien met lede ogen aan dat de straatprotesten aanhouden en besluiten Pieter de Coninck en 25 van zijn aanhangers in een vroege juni ochtend uit hun bed te lichten en op te sluiten in het Steen.
Ze worden verantwoordelijk gesteld voor de koele ontvangst van Filips de Schone in Brugge en zullen terechtstaan voor majesteitsschennis. De handwerkers zijn woedend om de opsluiting van hun leider. Op 15 juni 1300 bestormen ze in groten getale de gevangenis aan het Steen. Ze overrompelen de bewakers en bevrijden Pieter en zijn medegevangenen. De massa trekt in triomf door de straten van Brugge.
Jacques de Châtillon is razend. De onderkoelde ontvangst van zijn koning in Brugge heeft al de indruk gewekt dat hij de situatie niet helemaal in de hand heeft en nu dit. Hij moet en hij zal hard optreden tegen de muitende bevolking! Hij beslist dat de huizen van de opstandelingen op 13 juli zullen worden afgebroken en dat al hun werkplaatsen en gereedschap vernietigd dienen te worden.
Het stadsbestuur vreest voor serieuze problemen door die uitspraak en mobiliseert een bereden militie terwijl de Châtillon 500 ruiters aan de poorten buiten de stad posteert om in de vroege ochtend van 13 juli de stad binnen te vallen. Maar de ambachtslieden hebben lucht gekregen van de nakende inval. Ze grijpen naar de wapens en bezetten de markt. De stadspoorten blijven gesloten voor de 500 ruiters.
Dit is een fragment uit Boek 2 van De Kronieken van de Westhoek


