Het ontstaan van woongemeenschappen in de Westhoek is, net als in de rest van België en Europa, al eeuwen onderwerp van oudheidkundige studie. Archeologie, plaatsnaamkunde (toponymie), geschiedkunde. Toponymisten geven vrij complexe en tegelijk vaak simplistische uitleg bij hun onderzoek naar de oorsprong van onze plaatsnamen.
Zo linken ze de naam van de stad Ieper aan de iepenbomen die de stad rijk was en verklaren ze de naam van Vlamertinge als oorspronkelijk Flamertingahem of de thuis van de kinderen van Flamert. Historici baseren zich enkel op harde bewijzen om het ontstaan van onze steden te staven. Meestal zijn dat geschreven documenten die pas rond en vanaf het jaar 1000 opduiken en die onze plaatsnamen in de schrijfwijze van die tijd definitief op de kaart zetten.
De archeologen op hun beurt zijn maar wat gelukkig dat de Romeinen en de Kelten een en ander aan materiele bewijzen achtergelaten hebben. De vondsten van hun gebruiksvoorwerpen bewijzen waar zich al heel vroeg in de tijd leefplekken situeerden. Kemmel, Wervik, Kortrijk, Cassel. En meer. Wat er zich van voor die tijd in de bodem bevindt, is andere koek.
Zowat alle fysieke bewijzen van de aanwezigheid van mensen in onze huidige dorpen en steden werden genegeerd en vernietigd in de loop van de duizenden turbulente jaren die achter ons liggen. De mensen bouwden hun woningen niet met steen. De tanden van de tijd hebben het beslist gemakkelijk gehad om de inboedels en de menselijke resten van duizenden jaren geleden tot stof terug te brengen.
Sagen en schimmige vertellingen uit het verleden geven vaak details over de ontstaansgeschiedenis van onze steden. Historici doen die sagen af als wetenschappelijke onzin. Pure verzinsels. Geen bewijskracht is geen bewijskracht. Punt. Een schoolvoorbeeld van die wetenschappelijke betwisting zijn bijvoorbeeld de kronieken van Ieper die, met de nodige details, aanhalen dat de stad bestond minstens 2000 jaar voor het begin van onze jaartelling.
Daar waar eerste echte harde bewijzen het ontstaan van Ieper pas situeren 880 na Christus. Een gat van zowat 3000 jaar! In één van zijn Ypriana boeken over het ontstaan van Ieper heeft schrijver Alphonse Vandenpeereboom het vermoedelijk bij het rechte eind als hij stelt dat die sagen op zijn minst een grond van waarheid zouden kunnen bezitten. Maar het blijven veronderstellingen zonder meer, zonder de nodige noodzakelijke harde bewijzen op tafel.
Toponymisten baseren hun wetenschap op de eerst aangetroffen plaatsbenamingen die ze gaan linken met omgevingsfactoren. Heuvels, bodem, rivieren, natuurlijke kenmerken. Of ze koppelen de plaatsnamen aan vroegere bewoners. Pupurningahem wordt zo omgedoopt tot de woonplaats van de Frank Pupurn. Of ze de waarheid in pacht hebben, blijft bij deze een open vraag.
Met de komst van de Romeinen en de Franken, met de introductie van het christelijk geloof en de daarmee gepaard gaande bouw van abdijen, is de mens stilaan capabel geworden om zijn geschiedenis schriftelijk over te leveren aan de volgende generaties. Het is niet altijd duidelijk of wat neergeschreven werd ook fonetisch overeen kwam met wat in de volksmond verteld werd. Het schrift kan een andere interpreatie gegeven hebben aan de klanken. Enkele voorbeelden: de Nieuwpoortenaars hebben het over ‘Niepoort’, dat betekent dat het woord ‘nieuw’ onterecht werd neergeschreven. Zo bijvoorbeeld de naam ‘Woesten’ die door de lokale bevolking steevast als ‘Roesten’ uitgesproken wordt.
En dan is nog zo iets: de toponymie beperkt zich in de meeste gevallen tot een erg plaatselijke verklaring van de plaatsnaam. Vreemd genoeg kijken onze plaatsnaamkundigen niet naar het macro-perspectief van wat er zich op het Europese platteland door de eeuwen heen aan plaatsnamen allerhande heeft gevormd en ontwikkeld.
Het is nochtans precies daar dat we de antwoorden zullen vinden. Laten we eens binnenstappen in die geschiedenis! Zo’n 5.500 jaar voor het begin van onze tijdsrekening komt er over het gehele Europese vasteland een grote volksverhuizing op gang. Daarvan zullen we weinig merken tot 2.000 jaar voor Christus als de Indo-Europeanen zich stilaan zullen vestigen in midden Europa en voor wat betreft de Lage Landen zich zullen vermengen met de bestaande plaatselijke bevolking tot zowat 800 jaar voor Christus.
Ik leer een studie kennen van de Nederlandse kunstschilder Bas Kloens die zich op zijn beurt baseert op het werk van de Duitse geschiedkundige Hans Krahe. Die laatste publiceert in 1964 een briljante studie over de namen van de oudste Europese rivieren. ‘Unsere ältesten Flussnamen’. Hij hanteert de term ‘Oud-Europees’ (alteuropäisch) voor de taal die de oudst gereconstrueerde Europese riviernamen (hydronymie) in centraal en West-Europa met zich meedragen. Typisch aan de talrijke riviernamen is dat ze allemaal pre-Germaanse en pre-Keltische benamingen hebben die zich situeren in het tweede millennium voor Christus.
Dat tweede millennium komt exact overeen met het tijdstip in onze geschiedenis wanneer de Indo-Europeanen zich in centraal Europa komen vestigen. Dit betekent ook dat de oudste riviernamen in de Lage Landen pas 1.000 jaar later hun ingang zullen vinden als de Indo-Europeanen hun weg vinden naar onze regio. (tussen 2000 en 800 jaar voor het begin van onze tijdsrekening).
Die initiële Indo-Europese benamingen van de Europese rivieren gelden als voorlopers (we zijn in het bronzen tijdperk) van de verschillende nieuwe talen die zich gaandeweg zullen ontwikkelen. Oud-Europese riviernamen worden op vandaag teruggevonden in de Baltische staten, in het zuiden van Scandinavië, in centraal Europa, Frankrijk, de Britse Eilanden. In de Iberische en Italiaanse schiereilanden.
Al deze gebieden worden geassocieerd met de verspreiding van de latere ‘Westerse’ Indo-Europese dialecten zoals de Keltische, Italische, Germaanse, Baltische en Illische vertakkingen. Geografisch strekt het originele pre-Europese taalgebied zich uit van de Baltische staten over het westen van Polen, de Lage Landen, Frankrijk, Duitsland tot aan het Zwitsers plateau en de boven-Donau ten noorden van de Alpen. Onze heidense voorouders vereren een reeks van afgoden die te maken hebben met de zon, de maan, de bossen, de dood, enzoverder.
Het is de tijd dat de mens stromen en rivieren beschouwt als heilige stromen die bewoond worden door goden, stroomgoden, natuurgeesten, nimfen en watergeesten. Onze voorouders wonen zo goed als altijd in de onmiddellijke nabijheid van rivieren, beken, stromen, meren die aanvankelijk over dat hele zelfde taalgebied door de bewoners in één-en-dezelfde pre-Europese taal worden aangeduid.
Pre-Germaanse riviernamen. Drieduizend jaar geleden benoemen onze Europese voorouders stromen, rivieren en beken met primaire oerklanken, die klanken die we op vandaag de klinkers van het alfabet noemen. De E, de I, de O, de U, de A. Een klein voorbeeld op vandaag is de rivier de Aa in noord Frankrijk.
Daarbij specificeren ze het type waterloop als volgt;
-APA = waterloop
-IL= snelstromend
..en gebruiken ze suffix ‘M’ om eventueel aan te duiden dat het een zijstroom van een grote rivier betreft. Het betekent dat waterlopen uitgesproken worden als El-apa, Il-apa, Il-apa, Ul-apa, Al-apa.
In de loop van de generaties die komen en gaan evolueren deze waterlopen als volgt;
El-apa: Elpe, Elpre, Elper, Eilper, Elle, Ele, Eile, Eul, Elme (=zijstroom), Elna, …
Il-apa: Ilpe, Ilpre, Ylpre, Yle, Ille, Inne, Hille, Ill, Ilpara,…
Ol-apa: Olne, Onne, Ole, Olle, Oule, Oele, Holle, …
Ul-apa: Ule, Hulle, Hul, Hulpe, Heule,….
Al-apa: Ala, Ale, Alle, Anne, Alne, Alm (=zijstroom), Halle,…
De oude bewoners wonen aan het water en omschrijven hun woonplaats dan ook als hun ’thuis’ aan de waterstroom. Voorbeelden hiervan zijn de suffixen ‘heim’, of ‘zele’, of ‘voorde’. Die oerbenamingen van Europese stromen en rivieren vormen de basis waarop de latere Germanen en Kelten hun eigen talen en dialecten gaan enten, waardoor duizenden varianten in de loop van de tijden de meest uiteenlopende plaatsbenamingen aan waterlopen ontstaan zijn. Wie zich de moeite getroost om aandachtig te kijken naar woonplaatsen aan stromen in de Benelux, Frankrijk, Duitsland en Engeland, zal tot de verrassende slotsom komen dat het bulkt van de bovenvermelde pre-Germaanse rivierbenamingen.
In België: Heppignies, Elene, Etterbeek, Elverzele, Eppegem, Erpe, Elnethere (Ennetieres), Eltre, Etere , Vleteren, Vletre (van Flethe), Enne, Zenne, Elne, Eulpene (Eupen – uitgesproken Oipen), Elsene, Helchteren, Hechtel, Eilene, Hellene, Hellere, Ene, Eine, Henne, Elpe, Eelpe, Eilre, Erle, Heffen, Helkijn (vroeger Heulchin), Esnes (zijrivier Maas, Esnes dat in 940 Helna noemde), Chemle, Chelme (Kemmel), Eelde (zie Schelde), Helle, Henne, Helne, Hene, Eene, Elverdinge, Heteren (in de 13de eeuw Hetre of Hetere), Elst, Esen (Eelsene), Hellegat, Heist, Eppe,……
In Nederland: Sperleke, Henteren, Emmele, Eindhoven (in 13e eeuw Endehoven, ontstaan aan de rivier de Geuder die oorspronkelijk Ande of Ende heette), Heerlen, Heerle, Delft, Den Elft, Effen, Etten-Leur, Heel (aan de Maas).
In Duitsland: Epscheid, Eilpe, Eipel, Epternaco (later Echternach), Eppen, Epscheid, Elpendorf, Elperschein, Ennepe, Eilenburg, Elz, Eltere, Elberfeld, Eppre, Heilbronn, Helpe, Eelpe, Elve, Eelve, Elpe, Herlingflethe, Elle, Ele, Elredeflethe, Herleshausen, Hellefelt (vergelijk met de lokale uitspraak van Geluveld), Hellendorf, Elsenfurt, Elferhausen, Elsenborn, Helfa (aan de Ruhr), Eisenbach, Ettenbach, Eisten, Hesper, Ettal, Helfenberg, Helfe, Elferdingen (aan de Böhme, de Aller stroom – vergelijk met Elverdinge in de Westhoek).
In Frankrijk: Epre, Epreville, Eperlecques, Liane rivier (noemde vroeger de Enne), Enne, Herleville, Eppeville.
In Engeland: Ellesborough, Eppleby, Hepple, Hepburn, Epworth.
In België: Ipre, Ilpres, Ipere, Ilsara (Ijzer), Isara (Ijzer), Ylene, Hillene, Inne, Ilpe, Izenberge, Izegem (was in 1066 Is-Inche-Hem), Ylne, Hille, Hyle, Ille (zie Rijsel), Hilleveld (Geluveld), Hilwe (Geluwe), Leissel (Leisele), Brille (Brielen), Illewaerde (Bellewaerde), Sillebeke (Zillebeke), Iltje (Wieltje), Hyfte,..
In Nederland: Ilp (rivier), Ijssel (vroeger Isala), Ijzendoorn (in Gelderland, noemde voor 1200 Isendra), Ijzeroode, Ijzendoorn, Briel, Den Briel (Brille), Tilburg, Ijne.
In Duitsland: Ilpe, Illip, Ilpenfeld, Ine, Ilpendam, Ipplendorf, Iller, Ilm, Ilmenau, Ipernstadt (vergelijk met Ieper-Ypern), Iber, Isar, Hilberath, Ylne, Hylne, Illnan, Iller (zijrivier van de Donau, noemde in 983 Hilara), Hilchenbach, Illenkirchen, Ittenthal (oorspronkelijk Ilten-thal), Ill (zijrivier van de Rijn, noemde vroeger Ila), Immenthal (vroeger Ilmen-Thal in het dal van de Ilme), Ilm, Immel, Isingen, Ilburg, Isenburg, Isenbrunn, Innsbruck, Isenthal, Isna en Isana (rivieren), Hilperting (aan een zijrivier van de Donau, de Inn, Inne, Ilne), Hin, Hinne, Ipel, Eipel, Ille (rivier), Hildesheim, Hilterscheid.
In Frankrijk: Isère (zie Val d’Isère), Ippécourt, Lille (Rijssel).
In België: Olnebeke, Onnebeke (Zonnebeke?), Oenegem, Oeren (Oelre), Olen, Olenne (zijrivier Maas), Olsene, Ollebeke (Olnebeke- Hollebeke), Orebeke, Oorbeek, Otrange (Oltrange), Oeteren-Neeroeteren (Oeltre), Hoelbeke, Ourthe (vroeger Houlle-Bec genoemd, in de vroege middeleeuwen Hula), Houffalize, Holle, Olna (zijrivier Dijle), Olne (aan de Vesder), Olst (lokale spreeknaam Aalst), Oekene, Oerle, Oreye, Hoepré, Hollogne, Honne, Orle, Hollain (aan de Schelde), Ougree, Lo, Offenbeke (bij Aalst zie Olfenbeke).
In Nederland: Onnen, Ossendrecht, Hollevoorde
In Duitsland: Oss, Orlenbach, Oerrez, Oers, Eulenthal, Oder (vroeger Ole-de-re), Osnabruck, Olpe, Olpern, Offena.
In Frankrijk: Ollencourt, Houllefort, Oise
In Engeland: Holeford
In België: Hulpe (La Hulpe), Heule, Heulen, Hulle (vb Lotenhulle), Halle, Hulste, Heusden.
In Duitsland: Ulster (zijrivier Wezer)
In Engeland: Hull
In België: Aleine (zijrivier Maas, vroegere Allene), Halle, Haalteren, Aalter (aan de Schelde, in 974 Haleftra), Astene, Alene, Allene, Hallene, Hallere, Aarle, Aarlen, Alne, Haarle, Harlebeke (Harelbeke), Appelterre (in 1219 Appeltres – langs de Dender naar de rivier Aalst -Ale-ste is genoemd), Almertinge (Vlamertinge?), Anderlecht (vroeger Alder Lechen), Ande-werpe (Alnedewerpe-Alnetwerp, Antwerpen aan de Scheldestroom de Alne- zie ook Scaldis), Anderlues, Haringe (Harl-inge), Hasselt.
In Nederland: Annen, Assen (Alsene), Aalsvoort (Ales-voort – Voort betekent plaats aan waterloop waar wordt overgestoken – zie bijvoorbeeld Zandvoorde), Avenne, Haarlem, Arle-beken in Drenthe, Almelo, Anneschede (Enneschede, Enschede), Alkmaar, Hastene, Alphen-aan-de-Rijn, Haringvliet.
In Duitsland: Alme, Alpe, Happelter (komt van Halpeten- zie ook Appelterre), Almer, Aytra (vroeger Ayltra, Eiltra, Elte-ra), Antweiler (bij Berchtesgaden), Antfelde, Antesberg, Aske.
In Frankrijk: Aisne (vroeger Asna, Alsena), Allonville, Albi, Arles, Ascq (vb Villeneuve d’Ascq), Annappes, Andilly-en-Bassigny, Ailly, de rivier de Aa.
In Engeland: Appleby
Al-apa is er al lang voor de Kelten. Zoals aangegeven schatten we dat de Ale-Ele-Ule-Olle oerbenamingen zich ergens situeren tussen 2000 en 800 voor Christus. Plaatsnaamkundigen zullen mogelijkerwijze opperen dat die benamingen pas in latere tijden ontstaan zijn ten tijde van de Kelten, de Saksen of de Franken.
De bewijzen van het tegendeel zijn er nochtans. Veel van onze Westhoek plaatsnamen zijn minstens 3.000 oud. ‘Al-Apa’ was er al voor de Kelten in 700 voor Christus de Lage Landen aan de Noordzee gingen veroveren. De gereconstrueerde Keltische taal heeft niet eens de letter ‘p’ in zijn alfabet. Het Keltisch is een bijzonder gesofisticeerde taal die vooral gebruik maakt van medeklinkers.
Helemaal in tegenstelling tot de originele Indo-Europese talen van eeuwen voordien die gebaseerd waren op de rudimentaire ‘a,e,u,o,i’ klanken aangevuld met ‘apa’ en met ‘il’. De Kelten waren van oorsprong Germaanse stammen die zich naderhand overal in Europa gingen vestigen. Er was niet één soort Kelten maar gaandeweg waren er Keltische bevolkingsgroepen ontstaan die verscheidene talen hanteerden.
Zo zijn de Bretoense en de Ierse taal nog steeds afstammelingen van die verschillende Keltische talen. Het ontbreken van die uniforme Keltische taal maakt het dan ook duidelijk dat de Kelten niet in staat waren dat hele West-Europese grondgebied te voorzien van dezelfde waternamen. In zijn ‘geschiedenis van Nieuwpoort’ heeft schrijver René Dumon het over de ‘aepa’ als verbindingswaterloop tussen Brugge, Nieuwpoort en Ieper met als haven Oudenburg die ten tijde van de Romeinen ‘Portus Aepiaticus’ genoemd werd.
De ondertussen al eeuwen bestaande ‘Al- E-Apa’ rivier is inderdaad afgesleten tot ‘aepa’, dit onder druk van de mondelinge overlevering tussen de generaties. De door René Dumon geopperde link tussen Aepa en Ieper bewijst de stelling dat de Il-apa rivier in al zijn uitgesproken varianten de moeder is van de huidige namen ‘Ijzer’ en ‘Ieper’. Het feit dat de Portus Aepiaticus overgeleverd is door de Romeinen, betekent dan ook dat de ‘Apa’ termen niets te maken kunnen hebben met de latere Frankische bezetter.
Dit is een fragment uit Boek 1 van De Kronieken van de Westhoek


