banner
apr 20, 2020
1734 Views

Nachtmerrie over Ieper

Written by
banner

 

Anno 1915, de 1ste mei. De eerste exemplaren kwamen al binnen om 6u. Enkele uren later kregen we wat rust. We zagen de bloemen warempel bloeien op de ruïnes, de vogels floten hun lied, de hemel lachte naar de aarde. De natuur leek wel vrede uit te ademen. Terwijl de mensen, koningen van de schepping zich ontpopten tot trieste heren die elkaar naar het leven stonden. Miss Fyfe bracht met drie ambulances een aantal vluchtelingen en bejaarden weg. Dokter Fox bekommerde zich om de gewonden en twee turbeculosen. De stilte zou voortduren tot 15u30. En dan nam het bombardement het terug over, met hier en daar weer verwoestende inslagen. Meerdere woningen in de Grimminckstraat vielen ten prooi aan de vlammen. Ik had me even in gebed teruggetrokken in de kapel van het Nazareth wanneer een brand ontstond aan de zuidelijke toren van het gasthuis. We slaagden er in om het vuur te blussen. Iets was maar kon dankzij de moed en de inzet van Jos Cottenie en Theophile Kerrinckx die de hulp kregen van twee Engelse soldaten. Bij de kazemat van het ‘Caserntje’ vielen er twee gewonden, met onder andere René Gadeyne. Rond 21u zorgde een reeks obussen voor een bloedbad bij een aantal paarden, hun aanblik was triest en macaber. De weg die loopt langs de vestingen, tussen de Aalmoezenierstraat en de Menenstraat lag bezaaid met dode en stervende paarden. Een katholieke soldaat en Melle Dewaghenaere lagen er dood bij. Tussen middernacht en 3u kregen een nieuwe reeks van een twaalftal obussen te slikken. Het gasthuis van Sint-Jan kreeg er meerdere binnen.

Anno 1915, op de 2de mei, las ik tussen 6u en 8u de mis voor in het Nazareth. De diensten werden telkens bijgewoond door 50 à 60 mensen en het bleef gelukkig rustig buiten. ’s Namiddags waren de schrapnels terug van weggeweest. Het tempo van hun inslagen bleef maar accelereren. Op het kerkhof van Sint-Jacobs zag ik tot mijn verwondering een klein grafheuveltje met een kruisje op met een herinneringstekst op geschreven. Enkele Engelse soldaten waren ze solidair geweest om de lijken van enkele oude mensen die hier al enkele dagen naast de muur van de vernielde kerk lagen te begraven. Een soldaat leidde me wat verder naar brasserie Donck. In de grote kelder met zijn ingeslagen ramen, tussen een verschrikkelijke wirwar van matrassen, kleren, waardepapieren van alle soort en slag, er lag zelfs een modieuze dameshoed die aangaf hoe snel de mensen hier hadden moeten vluchten, wel daar lag als een zwart pak het kadaver van een oude vrouw. Veel meer dan nog even te bidden voor haar zat er niet in. In het hospitaal van Sint-Jan waren er in de vooravond diverse bommen ingestuikt. De toegangspoort en het portaal lagen er vernield bij, het hoofdaltaar in gruzelementen, net zoals de luster en zowat overal was het alleen maar schade en vernieling om ons heen. Om 17u gaven we het tellen van de bommen op. Hun aantal was gewoonweg niet meer bij te houden. En alsof dat nog niet voldoende was kregen ze nog het gezelschap van enkele forse obussen. Terwijl ik me onder mijn veranda bevond viel er zo’n tuig op de woning van Poot, aan de achterzijde van mijn tuin. De zwarte rook die daarbij vrijkwam deed onmiddellijk vrezen voor een brand. Joseph Cottenie klom als een kat over het puin en kon ons geruststellen. Tijdens de nacht dropten de Duitsers nog enkele schaarse obussen, een om 22u30 en een andere om 4u30. In eerste instantie leken ze enkel onze slaap te storen. Ik zou pas de volgende ochtend vaststellen welke grote krater een van hen in mijn tuin had geslagen.

Anno 1915, op de 3de mei, konden we profiteren van een kalme ochtend. Vanaf 9u30 keerden de marmieten terug. Zowat één per twintig minuten, een tempo dat stokte om 15u met opnieuw een vervaarlijke periode van rust amper gestoord door enkele zeldzame schrapnels. Er vielen hoe dan ook opnieuw enkele doden te betreuren. Emile Moniez vond de dood bij de middelbare school waar hij zich wou gaan verschuilen in een kelder. Joseph Lorrain eindigde zijn leven dicht bij de woning van dokter Tyberghien waar hij van plan was om te overnachten. Ondertussen ging de exodus zijn verdere gang. Zes ambulances met miss Fyfe maakten de dienst uit bij onze Engelse vrienden. Gendarmen gingen van deur tot deur om de mensen te verwittigen dat de stad volledig geëvacueerd diende te worden. ’s Nachts vielen er vier of vijf reeksen van telkens een twaalftal schrapnels.

Anno 1915, op de 4de mei. Het bombardement vanmorgen was bijzonder gewelddadig. Terwijl ik de mis las in het Nazareth vielen meerdere schrapnels op het gebouw. Ze explodeerden boven onze hoofden, we hoorden er wel drie à vier per minuut en zowat om de 5 minuten een ‘Dikke Bertha’. Die konden we gemakkelijk herkennen aan hun grof gekreun, een lugubere klank die niet lang duurde maar dan gevolgd werd door een dof geluid dat aan zijn verschrikkelijke afdaling begonnen was. Het regende schrapnels over Ieper maar dan vooral in ons kwartier toch. Bij mijn terugkeer in het Onze-Lieve-Vrouweklooster werden twee huizen (met onder andere de woning van V. Desremault) geraakt die bij voorbijstappen wel leken te verdwijnen in een wolk van rood en wit stof. Het was een regenachtige dag. En niet alleen de hemel leek te huilen want het regende helaas ook onophoudelijk schrapnels. Drie tot vier per minuut met telkens een tussenpoze van vijf minuten. Onder hen obussen van grote kalibers die als razende projectielen over de stad vlogen. Rond de middag keerde de rust enigszins terug. De gebouwen en de inboedel van het Sint-Pietersklooster, het klooster van de zwarte zusters en van het Heilig Hart hadden weer extra schade opgelopen. De aftocht van de bevolking werd nu toch algemeen en onze deken vertrok. Die namiddag reden vier ambulances zeker vier keer naar Vlamertinge met mensen die het hier uiteindelijk voor bekeken hielden. Alleen al in het Sint-Pieterskwartier was dat het geval voor 200 à 250 bewoners. Ik bleef over als de enige priester in de stad, samen met twee paters van de Carmels die zich schuilhielden in de kelders van hun klooster. Zes wagens van de ‘friends’ zorgden voor het vervoer, bijgestaan door miss Fyfe. Alles gebeurde in een relatieve kalmte die enkel gestoord werd door enkele schrapnels per uur die zouden blijven vallen tot aan de volgende morgen.

Anno 1915, op de 5de mei, door het evacuatiebevel van de politie moest de heer Stoffel, de voorzitter van de Ligywijk de stad verlaten. Dat was ook het geval voor de president van het Rode Kruis en zijn adjunct. Ook de laatste inwoners lieten Ieper achter zich. Er bleven nu misschien nog 20 mensen achter. Het was wel degelijk ‘Ieper die Dode!’ Ikzelf had besloten om hier te blijven, dood of levend, het kon me niet schelen. Daarom ging ik op zoek naar de toelating van de autoriteiten. Het bombardement ging nog altijd verder door, maar nu toch wel minder intens. Dikke Bertha bleef weg.

Anno 1915, op de 6de mei, vielen er van in de nacht vernietigende obussen. De Sint-Niklaaskerk viel ten prooi aan de vlammen. Meerdere projectielen viseerden duidelijk ook de kerk van Sint-Pieters. We hadden daarbij wel geluk dat de drie projectielen het vertikten om af te gaan. Terwijl de laatste Ieperlingen vertrokken kreeg ik van de A.P.M. de toelating om te blijven. Samen met 10 mannen die onder mijn beval kwamen mochten we nu hier blijven tot aan de 31ste mei. De avond en nacht tussen de 6de en de 7de mei was heel erg geagiteerd. De obussen bereikten ons in hele reeksen, om 11u, 2u en om 4u. Een schrapnel spatte nog eens uiteen op het klooster dat ons beschermde.

Anno 1915, op de 7de mei, bij het opstaan zagen we dat het kruispunt van de Wenninckstraat met de Rijselstraat bezaaid was met de loden balletjes van schrapnels, welbekend als ‘loodjes’. Die nacht was het bombardement heel wat intenser geweest. Het vuur dat de Sint-Niklaaskerk tot assen had herleid was nu doorgedrongen tot aan de gemeenteschool voor de jongens die de volgende prooi van de vlammen zou worden. In de Cartonstraat waren diverse woningen afgebrand. Onder andere die van rechter Tyberghien die heel wat oudheidkundige schatten bevatte. Miss Fyfe slaagde er in om nog enkele achtergebleven Ieperlingen weg te voeren en redde daarbij ook enkele honden, eenden en zelfs een papegaai. Ieper bood een naargeestige aanblik. Met opengeslagen woningen, kunstvoorwerpen en kostbare meubelen die zomaar blootgesteld stonden voor de buitenlucht. Hier en daar zag ik opengeblazen kelders waar soldaten volop misbruik van maakten, mannen die me niet al te veel vertrouwen inboezemden. De stad of wat er van was overgebleven bood een triest beeld. Geen huis dat gespaard was gebleven van obussenbezoek of van explosies. Ingestorte doeningen en veel andere opgegaan in het vuur. Huizen die nog rechtop stonden gaapten naar ons met opengeslagen deuren en ramen, met hier en daar nog een glimp van flessen of etensresten. Mijn mannen hadden zo hun bezigheid gehad. Tussen de 27ste april en de 8ste mei hadden ze 32 burgers begraven en heel wat paarden moeten delven. Zo bijvoorbeeld 17 paarden in één enkele put tussen het standbeeld van de Heilige maagd en het klooster van Jansenius, dicht bij Sint-Maartens. Mijn mannen hielden zich verder nog bezig met hier en daar het blussen van branden. Zo bijvoorbeeld in de woning van advocaat Begerem in de Cartonstraat nr 18. Ze waren verder op zoek gegaan naar nog meer doden. Later brachten ze glunderend een bejaarde man met zich mee, iemand van 86 jaar die ze aangetroffen had in een achtergelaten woning waar hij blijkbaar aan het wachten was op zijn hongerdood. Vanaf 17u waren we weer aan de beurt van de schrapnels, kleine boosaardige projectielen die fluitend hun doelen zochten en af en toe het gezelschap kregen van verstikkende obussen. Een van die bommen stuikte neer op de woning van Baus, de aanblik achteraf op wat er van restte bezorgde ons de tranen in de ogen. De projectielen arriveerden opnieuw in vlagen, om 22u30, 2u en om 4u30.

Anno 1915, op de 8ste mei, om 7u ontbond de Duitse artillerie nu pas echt zijn duivels. Een gruwelijk furieuze aanval, hun kanonnen schoten aan een stuk door hun verraderlijke schrapnels op ons af. Ik trok me even terug in de kapel om te bidden. Midden in mijn gebed verwoestte een bom met groot gebulder een groot deel van de onlangs nieuwgebouwde constructie. Mijn helpers troffen in de Lange Torhoutstraat drie lijken aan onder het puin van van café Rubens, met onder hen een vrouw. Een van de lijken bleek een vluchteling uit Handzame. Terwijl ik mijn oorlogsdagboek aanvulde in de werkruimte van de zwarte zusters spatten er niet minder dan vijf schrapnels tegen de muren van het gebouw. We zaten zonder brood waardoor een van mijn mannen er nu zelf probeerde te bakken in de oven van bakkerij Pinceel. Ondanks de eerdere permissie om tot de 31ste in Ieper te mogen blijven werden we plots wel verplicht om te vertrekken. Tegen 18u moesten we weg zijn. Ik weigerde hun bevel met het argument dat ik enkel te gehoorzamen had aan mijn superieuren. De gendarmerie bezorgde me een telegram van minister de Briqueville dat de evacuatie algemeen was en dat er geen uitzonderingen werden toegestaan. Drie van mijn mannen waren ondertussen onderweg om nog enkele lijken te gaan begraven. Omdat ze maar niet leken terug te keren ging ik naar hen op zoek met mijn onverzettelijke kompaan Jos. Cottignie. Wat we onderweg allemaal zagen tartte elke verbeelding. Een verschrikkelijke nachtmerrie ontvouwde zich voor onze ogen. Terwijl de schrapnels maar bleven woekeren over de stad. Aan het kruispunt van de grote markt met de Rijselstraat lagen vier paarden zwemmend in hun eigen bloed. Hun bloedsporen reikten tot ver in de Boterstraat. Van levende zielen was er geen sprake meer. De zoektocht naar onze helpers leverde niets op. We zouden pas achteraf vernemen dat onze mannen bij hun terugkeer opgepakt waren door de gendarmen en naar Poperinge gevoerd werden.

Anno 1915, op de 9de mei, kreeg ik een kalme dag in het verschiet. Ik las de mis voor in een gezelschap van nog maar tien gelovigen. We gingen nog een keer naar de communie maar of God nog aanwezig was in Ieper bleef zeer de vraag. Om 11u kwam kapitein Young ons ophalen. Samen met de rest van de bewoners. Vier zusters Lamotten met Melle, Mathilde, een zwarte zuster en zuster Godelieve. Daarnaast nog vier andere personen, vier nonnen en twee paters karmelieten die nog vier vluchtelingen meebrachten. Samen met dit gezelschap verlieten we nu de stad Ieper. Onze arme ruïnes waren nu in de handen van soldaten. Ik installeerde me met drie zusters Lamotten in de dekenij van Poperinge. De bewoners ervan waren eerder op de vlucht geslagen en hadden beschutting gevonden in het Vogeltje.

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *