Gouwheer Resseghem komt via enkele uitwijkelingen nog wat meer achtergrondinformatie te weten over de beeldenstorm die over de Westhoek heeft geraasd tijdens de augustusmaand van 1566. Op vijf dagen tijd hebben de kerkbrekers vierhonderd kerken geplunderd en verwoest. Geen enkele kerk in het Poperingse is gespaard gebleven. Zo is er sprake van de kerken van Krombeke, Dranouter, Elverdinge, Haringe, Kemmel, Loker, Nieuwkerke, Poperinge, Reningelst, Roesbrugge, Vlamertinge en ook van de abdijen van Eversam en Roesbrugge.
De pastoor van Dranouter heeft het allemaal met zijn eigen ogen zien gebeuren. Jan Breufkin ziet het hoe de geuzen zijn altaar in het vuur kieperen en daarbij de zot houden met het geloof en dingen roepen zoals ‘we gaan een keer kijken welke mirakels jullie God nu eens zal verrichten’. Op 16 augustus 1566 vindt boer Mahieu Tahoen het blijkbaar plezant om de neuzen van heiligenbeelden af te kappen. In de kerk van Meteren vernielt een woesteling, Jan de Bleuf, de doopvont en besproeit hij de omstaanders met het water. Waterspelletjes met gewijd water, zijn plezier kan niet op.
Er komen nog meer gelijkaardige getuigenissen aan bod. Zo bijvoorbeeld van een zekere Gilles Bateman, een calvinist van Hazebrouck, die geld steelt uit de kapel en zijn buit dan samen met een groep gezellen gaat opzuipen in een herberg en daarbij de draak steekt met de heiligen die toch niet kunnen eten en drinken. Joris Zeelof is binnengedrongen in een abdij te Sint-Winoksbergen en verbrijzelt er het ‘H. Sacramantshuizeken’. Volgens hem is de Heer nu al lang genoeg opgesloten geweest en is het tijd dat hij uit zijn ‘kotje’ bevrijd wordt. Op 27 juli 1568 veroordeelt de beroerteraad drie beeldenstormers omdat ze gestampt hebben op heilige hosties.
Hoe beleven de diverse stadsbesturen deze hele periode? Opdedrinck kijkt eens in de richting van de Poperingse schepenen. De oorkonden van die dagen laten duidelijk uitschijnen dat de inwoners dag en nacht in grote onrust leven, met een verschrikkelijke angst voor nieuwe aanslagen van zwervende bendes die tijdens hun strooptochten terreur en vernieling veroorzaken. Tussen de families onderling ontstaan er broedertwisten tussen voor- en tegenstanders van het nieuw geloof. Zelfs de kinderen ontsnappen niet aan de invloed van de dwaalleer. De schepenen proberen hun taak met de nodige strengheid te vervullen en hetzelfde mag gezegd worden over de priesters en de trouw gebleven katholieken die na de kerkbraak van 14 augustus 1566 toch van verder onheil zullen bespaard blijven.
Op 10 februari 1566 komt er een algemeen verbod op het dragen van wapens. Geen ‘stokken, geweren, poenjaarden, rapieren, spitten, pansijzers, jakken en bussen’ meer. Tien dagen na de storm wordt verboden aan eenieder; ‘zelfs aan jonge knechtjes of meisjes in enige kerken te lopen, spelen, kloppen, bommelen of enig ander kwaad, dronkenschap of enige andere malice te bedrijven op boete van vijf schellingen.’ Een patrouille houdt vanaf 12 september toezicht om verdere nachtelijke aanslagen te voorkomen.
Er worden achtenveertig mannen geselecteerd om de nachtwake te doen. Ingedeeld in vijf groepen. Acht man zullen de markt, de Gervelgatstraat, Werfstraat en de Casselstraat tot aan de O.L.V.-kerk in de gaten houden. De rest van de Casselstraat wordt bewaakt door een groep van tien die ook de Wellynkstraat, Belstraat, de Nieuwstraat en de Elzenbrugstraat voor hun rekening nemen. Een andere groep van tien patrouilleert van de grote Steenbrug tot aan de Ieperstraat en neemt daarbij de Mesenstraat en het Rekhof voor zijn rekening. En dan is er nog een militie die het traject tussen de Steenbrug en de Ieperdam in de gaten zal houden, samen met de Kouter, de korte Kouter en het Strekstraatje.
Op 10 januari 1567 kondigt de gouwheer van Vlaanderen nog krachtigere maatregelen af. Voor Poperinge betekent dat nog eens een extra patrouille van tweeëntwintig mannen die elke vorm van rebellie in de kiem moet smoren. De nachtklok wordt ingevoerd. ‘Als de nachtwake aangevangen is, mag niemand langs de straat gaan zonder licht en in geval van enige beroerte, is eenieder verplicht als de hoofdman dat eist, een kaarslicht voor zijn huis te hangen. Een maand later wordt het uitdrukkelijk verboden om met een geweer of zonder kaarslicht langs de straten te gaan nadat het wingeroen (de nachtklok) heeft geluid.
Ook overdag moeten de Poperingenaars op hun tellen passen. In 1573 komt er een dagwake en de aangestelde mannen kunnen maar beter zorgen dat ze niet deelnemen aan braspartijen zoals die wel eens durven voor te vallen in de stad. Die dagwake wordt in 1585 nog uitgebreid met extra bewaking bovenaan de torens van de kerken. Om de twee dagen worden de inwoners die moeten waken per lottrekking uitgekozen en telkens er zich voet- en paardenvolk aanmeldt moeten ze de klokken laten luiden. Wie zijn taak verwaarloost krijgt een boete van 3 ponden aangesmeerd. Hun taak vangt aan om vijf uur in de morgen en eindigt ’s avonds om 19 uur. Bij de overdracht van de wacht zal er een bijzondere klok geluid worden.
Erg prettig om te leven in Poperinge moet het toch niet zijn. Vanaf 17 november 1573 wordt het uitdrukkelijk verboden om na valavond in het openbaar nog te fluiten, te huilen of andere onbehoorlijk geluiden te maken. Als er boeven opgemerkt worden zullen de ingezetenen die daarvoor uitgekozen zijn de justitie bijstaan met een geweer en ervoor mee helpen zorgen dat de veiligheid gegarandeerd blijft.
Na zijn hoofdstuk over de veiligheidsmaatregelen in Poperinge, focust de schrijver zich nu op de bosgeuzen. De schepenen van Poperinge laten op 22 september 1567 weten aan hun collega’s in Ieper dat er zich een bende kwaaddoeners en rabauwen schuil houdt in de bossen van Sint-Sixtus rond Poperinge. Er is sprake van een groep van tweehonderd man. Dat nieuws zorgt voor grote onrust bij de bevolking van Poperinge zelf. Uit vrees voor een nieuwe aanslag blijven de strijdbare mannen dag en nacht in de wapens en vraagt het stadsbestuur om extra hulp bij Jan de Visch, stedehouder van de hoogbaljuw van Vlaanderen. Ieper en Veurne-Ambacht worden direct verwittigd van de toestand samen met het verzoek om bijstand.
Die komt er direct. Nog voor dat de avond van de 23ste september valt, arriveert de landhouder van Veurne met twaalf gewapende mannen in Krombeke. Een dag later komen er te Poperinge zestig weluitgeruste krijgslieden uit Ieper aan onder leiding van ridder van Coornhuuze, hoogbaljuw Niclaas Aubin en Simoen Uutenhove de baljuw van de kasselrij. Ze reppen zich naar de St.-Sixtusbossen maar vinden er geen spoor van enige rebellen. ‘De geuzen hadden lont geroken en waren van zes uur in de nuchtendstond vertrokken naar het gewest van den strooien haentken en verder naar het bos van Beauvoorde bij Steenvoorde.’
De Ieperse krijgsmacht gaat hen achterna en zit de rovers op de hielen. Maar krijgt ze niet te pakken. De landhouder van Veurne kent meer succes en slaagt er in om één van de zwervers te pakken te krijgen. Een Elverdingenaar. Jacob Quycke, dertig jaar, wordt op de rooster gelegd. Hij maakte oorspronkelijk deel uit van een bende van dertig mannen maar de groep is ondertussen gevoelig uitgebreid. Ze staan onder de leiding van twee aanvoerders die vroeger onder het vaandel van Brederode dienden. De ene heet Bruxelle en is afkomstig van Rijsel. De andere noemt Jan Beghin en komt eveneens uit de regio van Rijsel. Wat ze van plan waren, kon de Elverdingenaar niet vertellen. Het enige wat hij wist, was dat er een edelman verwacht werd om het bevel over de groep op zich te nemen en dat die hen naar een onbekende plaats zou leiden.
Er bevindt zich volgens Quycke ook een Poperingenaar bij de bosgeuzen. Winox Tryoen een gewezen vaandrager voor Jan Denys. Hij heeft het ook over enkele andere van zijn kompanen; Cappe Palir, Camerlynck, Christiaen Nyeulare, Hans van Belle en Mahieu Cleenwerck. Of er al dan niet een aanslag in het Poperingse werd verijdeld, lijkt niet helemaal duidelijk. Er worden in elk geval strenge voorzorgsmaatregelen genomen. Op 28 december krijgen de hoogbaljuw, de voogd en de schepenen van Ieper een schrijven van de hertog van Alva, de nieuwe landvoogd van de Nederlanden.
Opdedrinck vergeet om Alva even voor te stellen. Dus doe ik dat in zijn plaats. De Spaanse koning heeft in de zomer van 1566 furieus gereageerd op de beeldenstorm in de Nederlanden. Zijn halfzus Margaretha van Parma kan de toestand duidelijk niet aan. Hij laat haar vervangen door de 1507 geboren Spaanse opperbevelhebber Fernando Ãlvarez de Toledo. Alva. Een man van de harde lijn. Katholiek tot in de toppen van zijn tenen. Deze Alva is op 22 augustus aangekomen in Brussel in het gezelschap van 10.000 man die de rebellie van de protestanten en de ketters in Vlaanderen met harde hand zullen beteugelen. Een van zijn eerste daden is de oprichting van een speciale rechtbank, de Raad van Beroerten, die door de bewoners al snel omgedoopt wordt tot de Bloedraad. Van dan af aan begint het doodstraffen te regenen in de Nederlanden.
Het is dus deze onbekende Alva die zijn bevelen doorstuurt naar Ieper. Hij stelt Maximiliaan Vilain, de baanderheer Resseghem aan als bevelhebber over de Westhoek. Vilain is een Gentenaar en is in het bezit van een waslijst van eretitels. Hij ontbiedt de afgevaardigden van de zeven West-Vlaamse kasselrijen op een vergadering in Ieper. Daar wordt afgesproken dat de rust en de vrede in het Westland tegen elke prijs moeten worden gehandhaafd. Een van de programmapunten is de strenge controle van de trafiek tussen Engeland en Vlaanderen. Het is een tactiek die al direct vruchten oplevert.
Vanuit Grevelingen krijgt Resseghem bericht dat er verdachte boten aangemeerd zijn bij Boulogne. Die informatie zorgt voor de eerste aanhoudingen op 9 februari 1567 in het plaatsje St.-Mariecappel. Tijdens de bestorming van een gasthof worden twee beruchte geuzenleiders bij de kraag gevat. Het zijn Bruxelle (Pieter Griard) en Jan Beghin. Valentin de Pardieu, de stedehouder voor Resseghem neemt er trouwens nog andere ketters gevangen. Onder hen bevindt zich nog de notoire geuzenleider Hendrik de Nédonchel, de heer van Hanecamps. Vooral de aanhouding van die laatste zorgt voor een intense vreugde bij Alva.
Deze Hanecamps, een afgedwaalde edelman, bekent achteraf dat hij deel uitmaakt van een samenzwering met andere edellieden. Hij is aanwezig geweest bij hun samenkomsten in St.-Truiden, Brussel en Amsterdam. Er komt nog veel meer aan de oppervlakte; ‘hij ging gemeenschappelijk om met de protestantse ministers van onze streek, zamelde geld in ter bevordering van de dwaalleer, hielp mee met het plunderen van de kerken en sprak verschrikkelijke dreigementen uit tegen de katholieke priesters.
Hij was bezig met de uitvoering van een afschuwelijk plan om een alliantie te smeden tussen de Franse Hugenoten en de geuzen van Vlaanderen en was hiervoor speciaal uit Engeland overgekomen. Ze zouden hun krachten bundelen om de katholieke godsdienst in onze gewesten uit te roeien, de priesters te vermoorden of te verjagen en gewapend het protestantse geloofsstelsel in te voeren. Het wordt een einde in mineur voor de drie geuzenleiders: ‘Op 14 april 1568 doorstond Hanecamps de dood, door de scherprechter hem met het zwaard toegepast. Tegen Pieter Griard (Bruxelle) sprak de vierschaar van Rijsel op 9 april 1568 eveneens de doodstraf uit.’
Dit is een fragment uit Boek 7 van De Kronieken van de Westhoek


