In de middeleeuwen hebben de gewone mensen eigenlijk nog geen familienaam. Ze staan bekend met het beroep dat ze uitoefenen of met de plaats waar ze vandaan komen. En eigenlijk is het wel eens leuk om die beroepen en die plaatsnamen te bestuderen. Ze vertellen veel over wie en wat in dat begin van die 14de eeuw. Naast de beroepen die we op vandaag nog steeds zien, vallen volgende opmerkelijke beroepen op: schuiteman, koolman, mandenmaker, huidvetter, karreman, zager, wevelaar, bierman, baardemaker, schorreman, valkenier, handschoenmaker, ketelboer, verwer, tegelaar, schipboeter, vierboeter, beteman, beursmaker, zwartvager, schildknecht, schaver, koker, kuiper, deringdelver, reper, pitteman, wapenmaker, kaasstekker, boterman, markman, loper, duinheer, schipwerker, aleman en houtbreker. Nostalgisch toch?
Of de plaatsen waar ze vandaan komen. Van Zeeland Handzame, Leiden, Reninge, Schore, Ramskapelle, Oudenburg, Broekkerke, Hondschote, Kortrijk, Duinkerke, Pollinkhove, Gijvelde, Diksmuide, Ichtegem, Hazebroek, Ophove, Roesdamme, Leisele, Dieppe, Biervliet, Nederland, Brugge, Fortem, Scheepsdale, Broekburg, Brabant, Utrecht, Gent, Zuidkote, Booitshoeke, Boezinge, Sint-Omaars, Berkel, Torhout, Sluis, Leffinge, Westouter, Eke, Wulpen. En ook namen zoals “de wael” en “dingelsche” treffen we aan in de rijke mix van het Nieuwpoortse volk.
De zeevisserij en de scheepvaart spelen dan misschien wel de hoofdrol, maar ook de landbouw en de ambachtelijke arbeid eisen hun parten op. De boeren van binnen en buiten de stad produceren graan en vlees om aan de plaatselijke behoeften te voldoen. Net buiten Nieuwpoort zien we verschillende molens die het graan vermalen.
Zo pronken er nog vier van die molens aan de grens met Oostduinkerke. En aan de oostkant is er de molen staand “bi Sinte Laurenskerchove”, op een lap grond van 14,5 are. De molen behoort toe aan 5 eigenaars. Ook in het zuiden en westen zijn er molens. Dat leren we uit de inventarisatie van de eigendommen van de gesneuvelden tijdens de slag van Cassel in 1328. Zo blijkt Wouter Hategoed een molen met stockageplaatsen voor graan en stro te bezitten. En dan is er ook nog de schuur van Philip Stasioet op een stuk grond van een kleine 13 are.
De visvangst is een belangrijke bron van inkomsten voor Nieuwpoort. Op 10 juni 1315 laat Robrecht van Bethune de bestaande keure van 1163 vernieuwen. Daardoor worden alle baljuws in het graafschap aangemaand om er voor te zorgen dat de handelaars zo efficiënt mogelijk moeten worden geholpen zodat de vis die aangeboden wordt op de respectieve markten gegarandeerd van verse kwaliteit zal zijn. Blijkbaar moeten de vishandelaars hier moeilijkheden hebben ondervonden.
Elke mogelijke blokkering van visleveringen kan er voor zorgen dat de aangevoerde vis bederft. Een vrij verkeer langs de land- en waterwegen en door de diverse stadspoorten is een must. Robrecht van Bethune weet dit natuurlijk als geen ander. Zijn keukens in Kortrijk, Brugge, Male en Ieper betrekken zelf de nodige vis uit Nieuwpoort. Zo zien we in het voorjaar tot drie keer toe een levering van “posson de mer” aan de grafelijke keuken in Kortrijk. Er is ook sprake van leveringen van “porc de mer”, de erg gegeerde bruinvis, aan zijn dochters die in Duinkerke verblijven.
De aanwezigheid van de Nieuwpoortse vishandelaars in het dichtbevolkte Ieper is logisch. Het aanbieden van bedorven vis op de vismarkt wordt al in de 13de eeuw beboet door de vierschaar. Voor de kennis van visaanvoer en visverbruik bestaan er in Ieper verscheidene “keures des poissons”. De kwaliteitsvereisten van de verse en gezouten haring, de zalm, spiering, paling, snoek maar ook voor de riviervis en de mosselen wordt nauwgezet gecontroleerd door de Ieperse schepenen. Het leidt geen twijfel dat deze kwaliteitseisen ook gelden in Diksmuide en Veurne.
Er is in Nieuwpoort geen gebrek aan welgestelde families. Maar het valt op dat de twee rijkste families niet origineel afkomstig zijn van de stad. De families Van Score en Van der Scare zijn sterk ingeburgerd in het Oost-kwartier.
Hun geslachten zijn afkomstig uit de wijde periferie van de stad maar hebben zich lang voor de 12de eeuw weten te settelen. Nog lang voordat de Nieuwpoortse burgerij het centrum (Sandeshoved) bemachtigde en bebouwde. In het West-kwartier en zijn poldergronden zien we vaak de naam van het adellijk geslacht Van Belle opduiken. Ook in Ieper spelen de Van Belles een prominente rol. Jehan de Casteelre (Jan de Kasteelheer) is in het bezit van een eigendom in de “sinte marien straete” (nu de Recollettenstraat). De hoogst geplaatste persoon van Nieuwpoort verblijft vermoedelijk officieel op de Burg. Hij beschikt daarnaast blijkbaar ook over een privé residentie. Eén van zijn nazaten, Willem van Nieuwpoort, zal trouwens in dezelfde straat nog andere eigendommen bezitten.
Als er echter één persoon is die de politieke toon voert in Nieuwpoort, dan is het wel Symoen van den Utlate. Hij beschikt in 1314 over vier eigendommen in de stad. Eén ervan grenst aan het huis van de kasteelheer in de “sinte marien straete”. Een andere woning paalt aan de gevangenis in de Langestraat. En blijkbaar heeft hij ook al grond aangekocht in de nieuwe Stadspolder om er een woning te bouwen voor zijn zoon “Simon vanden Utlate de jonghe”. Symoen is actief als ontvanger (clerc) van de staatsbelastingen in de stad.
Het is een gewichtige functie die, in het kader van de herstelbetalingen aan Frankrijk, wellicht één van de belangrijkste en ook één van meest delicate ambten is in de respectieve Vlaamse steden en Casselrijen. In Vlaanderen zijn er trouwens vier van die ambtenaren die fungeren onder de opperontvanger Thomas Fin. Blijkbaar is Symoen Van den Utlate verantwoordelijk voor de inning van de belastingen in de kleine steden, terwijl zijn collega’s Willaume de Bourbourg (schepen van Gent) en het duo Filip van Axel en ridder Willem van Bruec dat instaat voor de inningen in respectievelijk de grote steden en in de landelijke buitengebieden.
De handtekening van de belangrijke Van den Utlate is trouwens terug te vinden in de vredesverdragen tussen Vlaanderen en Frankrijk van 1309 maar ook op verdragen van de stad Veurne in het jaar 1300. In 1314 telt Nieuwpoort ongeveer 1500 woningen. Een aardig aantal dat later nooit meer zal worden geëvenaard. Met gemiddeld 4 à 5 personen per gezin, mag je rekenen dat er ongeveer 7000 inwoners wonen in de middeleeuwse havenstad. Uit de gegevens van de ontvanger Symoen Van den Utlate betaalt Nieuwpoort tussen 1306 en 1324 de som van 6177 gulden. Als we die taksen vergelijken met die van de andere Vlaamse steden, zouden we kunnen veronderstellen dat Kortrijk in die periode 20.000 inwoners heeft. Oudenaarde en Poperinge moeten er elk ongeveer 10.000 à 11.000 huisvesten.
Ook Diksmuide blijkt groter dan Nieuwpoort en doet met zijn betaling van 9000 gulden vermoeden dat er toch ook al zeker 9000 mensen verblijven. Naar schatting heeft Veurne 4000 inwoners, Sint-Winoksbergen 6000, Duinkerke en Oostende staan nog in hun kinderschoenen met respectievelijk 3000 en een kleine 2000 inwoners. Damme is ongeveer even groot als Nieuwpoort. Het feit dat Ieper niet voorkomt op de lijst, laat veronderstellen dat Ieper behoort tot het selecte kransje van grote steden en onder de bevoegdheid valt van Willaume de Bourbourg.
Maar we kennen nog meer details over de bewoners van Nieuwpoort in 1314. In 3 van de 10 gevallen is het mannelijk gezinshoofd verdwenen. Weduwen, wezen en alleenstaande vrouwen zijn dominant aanwezig. De oorlogen en de zee tonen hier hun tol in volle realiteit. En het ergste moet nog komen in 1314. De dramatische hongersnood van 1316 na een jaar van bijna ononderbroken regenval wordt in 1328 gevolgd door het bloedbad van Cassel. Dat zal nog leiden tot een verdubbeling van het aantal weduwen en een flinke terugval van het aantal stedelingen.
Terug naar het kadasterplan van 1314. We krijgen ook inzichten in de grootte van het stuk grond dat de mensen ter beschikking hebben. Al dan niet in volle eigendom. Anno 2012 mogen de West-Vlamingen al blij zijn met een lapje grond van 5 are. Maar hoe zit dat in 1314? De welgestelde Nieuwpoortnaars bezitten meer dan 3 are. Een perceel grond dat in die tijd een vrij behoorlijke eigendom betekent, want slechts één op de drie bezitten meer dan 24 roeden land (een roede is 14m²). Zowat 40% van de mensen moeten het stellen met een stukje land van een are en zelfs minder. De rest moet het stellen met een perceel van rond de 2 are.
31 boeren bezitten minstens 14 are. Maar het zijn Diederic van der Scare, Jehan Camerlinc, Jehan Pikebaner en de “Willem Jaghers kinder” die de toon aangeven. Samen zijn ze goed voor 8 hectare buitengebied. Maar ook in de stad zelf wonen grootgrondbezitters. Mijnhere Wouter de Vos en mijnhere Jhan van Score, ruddre, bezitten ieder een zestal percelen of woningen die elk afzonderlijk goed zijn voor een oppervlakte van 23 are. Bovendien zijn ze de eigenaar van een kleine heerlijkheid buiten de kern. De heerlijkheid van Jhan in Ramskapelle bezit 14 hofsteden met een totale oppervlakte van 31 are.
De mate van grondeigendom bepaalt in grote mate de plaats op de sociale ladder. Maar de maatschappelijke status heeft natuurlijk ook veel te maken met het ambacht dat de mensen uitoefenen en het aantal knechten of knapen waarover ze beschikken. Jehan Maes, de “scipwerker”, Jacob van der Zee, de “houtbreker”, Pieter Scheleward, de “weivere” bezitten elk een ferme hoeve op een flink uit de kluiten gewassen stuk grond. Hier zie je het onderscheid dat er bestaat tussen de rijke, minder rijke en arme ambachtslieden. De eenvoudige smeden (“smichts”), Jehan Hughe, Hannin Puerquaet en Willem de Schildknecht beschikken enkel maar over een klein perceeltje met hofstede.
Als we het hebben over het aantal Nieuwpoortnaars dat naar voor komt in de kadastrale documenten van 1314, dan dient er ook vermeld te worden dat hier geen sprake is van gestrafte, onvermogende of verbannen stedelingen. Straatlopers en bedelaars tellen niet mee in de cijfers. Mensen worden voor de meest bescheiden vergrijpen uit de stad verbannen. Een straf die “common practice” is in die tijd. Er is ook geen sprake van vissers want die tellen hun bezit niet in grond maar wel in schepen, of hun aandeel in schepen.
Nieuwpoort bezit in die tijd dus twee parochiekerken, vier markten, een burg, vermoedelijk twee scholen en enkele ziekenhuizen. Er is ook sprake van drie “almoesene” huizen voor behoeftige reizigers en van een “Dis” die voorziet in de bijstand van de armen. En er zijn ook “stoven”. Dat zijn badinstellingen of zwemplaatsen in open lucht, spacenters avant la lettre, die we aantreffen in de buurt van de burg en van Sint-Lauwereins.
Dit is een fragment uit Boek 3 van De Grote Kronieken van de Westhoek


