banner
okt 27, 2025
71 Views
Reacties uitgeschakeld voor Noormannen op bezoek

Noormannen op bezoek

Written by
banner

Dertien Noorse schepen meren aan in de pagus Iseretius. Er wordt wat vee gestolen en enkele huizen in brand gestoken. Maar het is pas een begin. De eerste van een trieste reeks invallen. Via de Ijzer vinden de Vikingen gemakkelijke prooien. Een periode van plunderingen en onvoorstelbare gewelddaden breekt aan. De Romeinse stenen straten die ooit welvaart brachten, bieden de Vikingen nu een ideaal traject om hun ‘hit and run’ aanvallen uit te voeren in de Zonnebeekse heuvels en op andere plaatsen in de provincie.

De houten kerken worden in brand gestoken. Bidden helpt niet. In de Zonnebeekse bossen worden de met houten vlechtwerk omringde boerderijtjes samen met hun stallen eenvoudigweg in brand gestoken. Niets kan de drieste Noormannen tegenhouden. Aanvankelijk is er slechts sprake van benden zeerovers maar in 879 verschijnt een machtig leger van 300 schepen en 10.000 krijgers. Dat Noormannenleger gaat nu systematisch plunderen in heel Vlaanderen en Noord-Frankrijk. Het wordt een echte invasie van barbaren.

Terwaan wordt in de as gelegd. De streek ten westen van de Leie tot aan Gent wordt leeggeplunderd en verwoest. Het is een verschrikkelijke tijd. Ieder die kan vluchten doet het: armen, rijken, vrijen, lijfeigenen of geestelijken slaan noodgedwongen op de vlucht. De invallers overwinteren in Gent van waaruit ze de valleien van de Schelde en de Leie beheersen. Na de winter verleggen duizenden Noormannen hun kamp naar Kortrijk. Een imposant leger gevaarlijk dichtbij! Er komen raids op Wervik, Komen, Waasten, Ieper. Het jaar 880 is er één om snel te vergeten. Niets lijkt te weerstaan aan de dolle woede van de Noormannen.

Vlaanderen blijkt onverdedigbaar en de Franse opperleenheer, koning Karloman, besluit om de verdedigingslinie en de noordelijke grens van zijn rijk achteruit te trekken tot aan de heuvels van Artois. Abt-graaf Rudolf van Ternois krijgt de opdracht om er militaire bolwerken op te trekken. De eerste stenen burchten worden gebouwd aan de Schelde en in de heuvels. De maatregelen helpen enigszins.

Het wordt in elk geval moeilijker voor de Noormannen om door te stoten in het Franse binnenland. Alles wat zich ten noorden van de verdedigingsgordel bevindt is echter het kind van de rekening. Het aan zijn lot overgelaten Vlaanderen krijgt tot aan het einde van 883 de volle laag. De abt van de Sint-Vaast abdij noteert het: ‘in alle straten ziet men lijken, zowel van geestelijken als van leken, edelen en gewone mensen, vrouwen, kinderen en zuigelingen. Er is geen weg of plaats te vinden waar geen doden liggen’.

De in de Brugse bossen verscholen graaf Boudewijn kan na het vertrek van de Noormannen niets anders vaststellen dan dat onze streek totaal geruïneerd is. De akkers liggen er braak bij nadat ze vier jaar lang niet konden bebouwd worden. De veestapel is verdwenen. Het merendeel van de inwoners is weggevlucht en het zal nog jaren duren vooraleer de mensen durven terugkeren. Want wie garandeert er hen dat de aanvallen niet zullen herbeginnen?

De hele regio is failliet. De Franse koning heeft ons wel erg lelijk aan ons lot overgelaten! De Fransen lijken Vlaanderen op te geven en schenken de in de Franse heuvels gelegen abdijen van Sint-Bertijn en Sint-Vedast aan abt Rudolf. Door de uitgebreide landgoederen die ervan afhangen, en de rijke inkomsten die ermee gepaard gaan, is het bezit van deze abdijen ruimschoots dat van een graafschap waard! Het is al bij al een merkwaardig geschenk.

Het komt er op neer dat de Franse koning Karloman in het noorden van zijn rijk een marke opricht, en het bevel aan abt Rudolf toevertrouwt. Voor dotatie heeft deze laatste minstens de Sint-Bertijns en Sint-Vedast abdijen gekregen. Het leeggeplunderde en doodgemartelde Vlaanderen ligt voor het grijpen.

De jonge Boudewijn II, de kleinzoon van Karloman, legt de hand op de gouwen Vlaanderen, Aardenburg, Gent, Waas, Mempiscus en Kortrijk. Hij sticht het vorstendom Vlaanderen. Karloman laat betijen. De geteisterde bossen en velden van Zonnebeke liggen voortaan in het vorstendom Vlaanderen. Daarmee is natuurlijk de dreiging van de Noormannen niet verdwenen. Het bouwen van imposante stenen vestingen blijkt de enige remedie om zich te beschermen. Vanaf 884 gaat de bevolking overal cirkelvormige burchten bouwen waar de plattelandsbevolking samen met het vee kan vluchten als er gevaar dreigt.

Op een tiental kilometer ligt de villa Ieper. Eigendom van de graaf. In 902 wordt de villa herbouwd en versterkt. Hier kunnen de inwoners van Zonnebeke naar toe als er gevaar dreigt. De lokale graven gaan trouwens ook hun eigen verblijven versterken. Stenen gebouwen omringd door slotgrachten moeten brandstichting voorkomen. De versterkingen worden opgetrokken op beboste hellingen in de nabijheid van beken en waterlopen. Het feodale tijdperk is nu pas echt begonnen. De gewone mensen krijgen bescherming van hun burchtheer. In ruil daarvoor worden ze zijn lijfeigenen.

In Zonnebeke is de belangrijkste heerlijkheid die van de adellijke familie van Rolleghem. Hun heerlijkheid bevindt zich pal in het centrum van een domein dat zich uitstrekt tot aan het ‘Lichterveld’, de voet van Ieper, Sint-Jan en Zillebeke waar zich op vandaag de danszaal ‘Canada’ bevindt. De heer woont in zijn motekasteel. Van hieruit heeft hij totale rechts- en bestuursmacht over zijn grondgebied. De mote heeft een doormeter van ongeveer 100 meter en wordt omringd door een berm van opgehoogde aarde.

De gracht er rond is diep en breed genoeg zodat er geen mensen of dieren kunnen over springen en dank zij zijn aansluiting met de Alnebeek gevuld met water. De scheiding tussen de berm en de gracht is versterkt met houten palen die vernuftig aan elkaar gemonteerd worden. Binnen de berm en de houten palissade zien we een opperhof en een neerhof. En waarschijnlijk ook een stenen gebouw met dito verdedigingstoren. Het motekasteel van de rijke van Rolleghem-clan wordt ook het Vroonhof genoemd.

Het is feitelijk een versterkte hoeve met stallen, schuren en een verblijfplaats voor de ondergeschikte lijfeigenen. Het is het centrum van waaruit die lijfeigenen hun orders krijgen om het land van de heer te bewerken. Het strategisch gelegen Zonnebeekse vroonhof ligt precies op het kruispunt van de Alnebeek die de slotgracht dus van water voorziet en de weg tussen Iperen en Roslar. Ter hoogte van het motekasteel vertrekt er een weg naar de versterkte burcht van Thicasmuda waar de familie de Bevere de plak zwaait.

Met verloop van tijd zal er ook langs die weg een kapel gebouwd worden: de ‘Capelle ter Poel’. De landerijen van de familie van Rolleghem strekken zich trouwens uit tot Langemark, de nieuwe kapel wordt dan ook opgetrokken op eigen grondgebied. Bij het afsterven van abt-graaf Rudolf eigent Boudewijn II zich al dan niet terecht de bezittingen van zijn overleden neef toe. Sint-Vaast en Sint-Bertinus komen in grafelijke handen. En ook het strategisch belangrijke Terwaan dat eeuwen lang de scepter zal zwaaien over de Westhoek belandt bij zijn invloedssfeer.

Later zullen de Vlaamse graven de abdijen weer afstaan. Maar abten en graven verdelen voortaan samen de macht. Ze zorgen er voor dat de lokale boeren bossen rooien en veranderen in akkerland. De opbrengsten worden gedeeld. En ondertussen moeten de mensen dansen naar de pijpen van de christelijke leer. Midden in de bossen worden nieuwe wegen aangelegd tussen de bestaande bevolkingskernen die nu bestendig uitgebreid worden. Niet alleen in de regio van Zonnebeke, maar over de hele Westhoek zijn er veel handen nodig om het vele ontginningswerk uit te voeren.

Dit is een fragment uit Boek 1 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 1
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.