Poperinge-Ommegang
Zondag juli 1972 – een troosteloze hemel vol regen en watergieten, wij er door maar… van Brugge tot in ’t hart van ’t Hoppeland, vol twijfel en toch benieuwd na onze uitdrukkelijke vraag van daags voordien: ‘Wat als het regent?’ en ‘Kom maar af!’ – gelijk hoe, onze processie gaat uit’ ‘We verwachten je in het tabakswinkeltje, Ieperstraat nummer 52’
De regen bleef maar ongenadig doorkletsen toen we al Poperinge’s verlaten straten binnenreden, onder doordronken vaandels en druipnatte vlaggen, langs een afgespoelde kermis zonder volk, zonder vrijers of kinders en processiegangers in zondagskleren. De verwonderde blik (omdat wij er waren?) van een vluchtende engel in satijn, zijn vleugels onder de arm, zijn gouden kroontje in de hand.
Zonder enige tegenstand alsof ’t een doodgewone weekdag was geraakten we gemakkelijk ter plaatse. Achteraan de tabakswinkel vonden we de inrichters-komitéleden bijeen, wachtend op een mirakel(
Ukkel antwoordde niet en volgens plaatselijke weermannen scheen al dat water van Duinkerke te komen en ook boven Saint-Omer zat de lucht grauw en zwaar gevuld.
Wat bedrukt en in gelaten spanning liep d’een na d’ander eens tot aan de open voordeur – hoofdschuddend de mistroostige lucht inkijkend… Het was al een half uur na uitgangstijd.
Er moest nu iets gebeuren! En ’t viel de hoofdman. spil en ziel van Poperinge’s ommegang, allemaal zienderoge zwaar. Slechts éénmaal, in ’35, en elkeen op zijn maner en in zijn pittig taaltje had het ons al verteld: ‘slechts één keer was de al te felle regen spelbreker geweest! In ’35 was dat geweest, en van al dat ik in Poperinge leef heb ik ze anders altijd weten uitgaan!’ gromde de hoofdman.
En de telefoon rinkelde en de hoofdman belde op naar alle scholen en verzamelplaatsen: ‘De processie is afgelast Dat is geen weer! en bedankt allemaal voor d’opkomst en de moeite’. Zo ging het tot drie-viermaal toe, en de stilte daarrond drukte nog zwaarder op ieders teleurstelling waar middenin de hoofdman stond.
De anders zo één-en-al geestdriftige Poperingenaar, die nu als baas die beslissing had moeten nemen, hem ging het niet naar de zin: dat wel bepaald hij de stoet nu had moeten afgelasten, was hem te veel geweest. Zonder een woord, duwde hij zijn hoed wat vaster op zijn kop en stapte de deur uit.
Opgelucht omdat elkeen nu wist waaraan zich te houden kwam er weer beweging, een vrouw, ze sprak geen zielig woord, kwam vanuit de achterkeuken op ons toe en schonk voor elk een druppel in. Enkele processiecommissarissen, doornat en ontgoocheld vielen binnen en ’t had er een ogenblik de schijn van dat ze van een begraving kwamen.
Maar nog voor we uit die onbepaalde stemming loskwamen vloog de deur open en hoofdman De Gersem stormde binnen.
Iedereen zweeg als verstomd, en ’t duurde wat vooraleer De Gersem sprak, Zwaar en bonkig stond hij daar en als verbolgen, een wanhopige tweestrijd stond op zijn gelaat te lezen en ’t kwam er schortend uit: ‘Wat ik gepeinsd had en wat ik gevreesd had is gebeurd…’ ’t Leek mij dat hij ging vloeken of wenen, en een magere man van te lande, die in de hoek zat, en nog zijn mond niet had opengedaan viel in de rede: ‘De Wagen?’ ‘Ja verdomme, verdomme de wagen is op weg, de processie gaat uit, alleen en zonder ons!’ ‘Verdomme en da’k ik z’èn willen tegenhouden, da’k ik de processie èn moeten afgelasten. Ik èn èmist… verdomme, ik had het moeten weten dat ze niet tegen ’t houden gingen zijn: Mannen lijk Beddeleem en die andere boeren luisteren niet naar mij en naar niemand en z’èn gelijk ook, verdomme toch, en ik gaan mee ook, ‘k moeten d’er bij zijn, Onze Vrouwe gaat door Poperinge – doe gijder wat je wilt! – ik gaan mee, dat ’t regent, ik en èmist, ik had het nooit mogen verbieden, en da’k ik dat moeste doen!!’
Onhoudbaar en als bezeten holde hij de winkel uit: De Gersem! Een wroede nazaat uit ’t Gistelse Moerenland, zijn geboortegrond maar sinds vele jaren door en door Poperingenaar geworden, zagen we Poperinge’s straten oplopen, zoekend waar de wagen van Onze Vrouwe nu al wel zou zijn.
Als bij donderslag was iedereen opgesprongen en in een ommezien waren de auto’s gevuld, elk een kant op – de wagen tegemoet. We reden in averechtse richting, de ommegang-weg op, door de plassende regen, tot we plots door andere wagens en nieuwsgierigen langs de kant gedrumd werden…
Daar was hij, getrokken door witte schimmels met lange manen, de hallucinante witte mirakelwagen, als in een visioen, het schitterend gouden Mariabeeld tussen een berg van bloemen en witte linten, alles nog onwezenlijker, nog transcendenter, nog magischer, nu de hele verschijning op je af kwam als een op drift geslegen gevaarte, hoog en hel wit tegen het natte grauw van gevels en regenlucht, geleid door enkele stoere keikoppen, gevolgd slechts door de hoofdman en een troep biddende mensen…
Het kwam je tegemoet als uit een verre droom van grootmoederstijd, die je toen je nog heel klein waart wees op Elias of Elizeüs brandende wagen achter vurige paarden in ’t spel van drijvende wolkenmassa’s tegen een klare lucht. Een beeld van Vittorio De Sica, waar droom en werkelijkheid door elkaar vloeien.
Maar voor de Poperingse Westhoek ‘hun’ Lieve Vrouwe-van Sint-Jan, alom door goede en kwade tijden, weer in de nauwe straten van hun stad. En in de enge deuren en vensters van de kleine huisjes verschenen al maar meer de verwonderde mensen; hele families en trossen frisse kinders op hun piekbest, weggelopen van taart en tafel. Gelukkig en verstomd, hun ogen niet gelovend stonden ze te kijken, en zeggen-hoorden van mond tot mond:
‘Onze Vrouwe trekt alleen op!’ En, ja, triomfantelijk hun hoge koppen hoofs knikkend trokken paarden en wagen de lange omgangsweg op, spijts regen en verbod.
En de verhalen braken los … van ’t jaar 1788 toen in weerwil van Jozef II, de vier zusters Aernout, omringd door getrouwen het Mirakelbeeld op hun schouders namen om, onverstoord en gewillig als steeds, Poperinge rond te gaan. Sinds meer dan 450 jaar is het zo gegaan, zo zal het blijven, geen man noch macht zal de Poperingenaren tegenhouden.
–
Arno Brys – in Biekorf van 1972 –


