banner
sep 16, 2025
88 Views
Reacties uitgeschakeld voor Overspel, ketterij en majesteitsschennis

Overspel, ketterij en majesteitsschennis

Written by
banner

Er bestaan in de middeleeuwen drie soorten rechtbanken. Alle drie hebben ze een verschillende bevoegdheid gaande van het laaggerecht, via het middengerecht naar het hooggerecht. We hebben te doen met het hooggerecht als de “hangman zijn excecutiën doet met den vyere, swaerde, putte, quartieringhe, rad, spriete, galghe, slepinghe, nijpinghe, afsnijdinghe, kortooren, doorstekinghe, uytdrooginghe, geesselinghe, schavoteringhe en diergelycke naar de costumen en de usantiën van den lande”.

In de stadsarchieven van Bergen bevindt zich een Cartularium die verdere details geeft over de indeling van het gerecht: “Haulte justice est esconer ou prendre bouillir, ardoir, enfouir, flastrir, copper membres, banir et troeve de vaissiaulse d’els”. “Moyenne justice est ce dont eschevins jugent et tonnieux”. “Basse justice et d’entrées et d’issues d’iretaiges”.

Elke Vlaamse gemeente of stad bezit het privilege van rechtspleging. De meeste hebben een vrij beperkte rechtsmacht. Enkel Brugge, Gent, Rijssel, Douai en Valenciennes hebben hun eigen hooggerecht. Net zoals in Ieper dat zijn eigen “jusgladii” organiseert. En, geloof me, het is geen pretje als je voor de Ieperse vierschaer moet verschijnen met één van de zwaarwichtige misdrijven op je kerfstok! Misdaden zoals overspel, bloedschande en woeker zijn meestal een zaak van de kerkelijke rechtbank. Dit is niet het geval in Ieper.

Zo vinden we in de Ieperse annalen het volgende terug over woeker: “Merkedy XV jour de jullet. Pierre Boele bannis sept ans hors le pays de Flandres sour le gibet pour ce qu il a esté pourtra trois foys de prester a usures et ce par l’ entretat de le ville”. En er staat verder: “et ce par l’estatut de le ville, ofwel contre le keure” wat er op wijst dat de stedelijke keure al de straffen voorzien heeft tegen de woekeraars.

Overspel. Het aantal gevallen van overspel is hoog: “… Marie Appelkuts bannie IIJ ans cour de fosse IIJ lieus de le ville ou le conté s’ estent pour ce qu elle a detenu aveucq lui manant j homme qui a femme espousée”. Of: “L’ an mil CCC et XX Pierre le Buc banis VII ans …. pour qu il a emmené et detenu le femme et l’ avoir d’un aultre homme contre le volonte de celui”.

Ketterij. De Ieperse schepenbank is in de 14de eeuw bevoegd om ketters te veroordelen. De voorbeelden zijn schaars, maar ze bestaan. Het moet gezegd dat de beschuldigde van ketterij zich eerst dient te verantwoorden tegenover de “inquisiteurs” van de kerk die al dan niet moeten bepalen of het hier over een geval van ketterij gaat. Is het antwoord positief dan wordt de beschuldigde doorgewezen naar de stedelijke vierschaer. De schuldige is immers niet alleen in strijd met de kerk maar eveneens in opstand tegen de staat.

Zo lezen we in 1377: ” Pool le Haestighe fouillon, convaincu de hérésie par devant les inquisiteurs commis de la sainte Eglise ét par eaulx rendu aultre au seigneur et jugés, fuars sour le marquiet d’ Yppre”. De schepenen zijn ook bevoegd in voorkomende gevallen van zelfmoord die in de middeleeuwen gaandeweg geklasseerd wordt onder “goddelijke majesteitsschennis”, ingaand tegen elke goddelijke rechtspraak. We vinden in de oude Ieperse geschriften nog een tekst terug betreffende de zelfmoord van de Brielenaar Jehans Bagelun; “Mémoire que Jehans Bagelun….qui se meismes avoit strangulé et pendu en sa maison au Briel sour le terre du Temple fu justiciet au Temple le XXJ jour de febrier”.

Rechtstreekse beledigingen aan het adres van God, de heilige maagd of de heilige kerk zijn taboe. Ook hier velt de vierschaar verschillende vonnissen. Een zekere Meulin Heerbrecht wordt aan de schandpaal gebonden en vervolgens met afgekorte tong voor zeven jaar in verbanning weggestuurd: “pour les despiteuses inhonestes et innaturèlez parolez blas fèmes qu il dist sour notre Seigneur Jhesu Crist et de la glorieuse benoite Vierge Marie”. De poorter Eloy Mazin wordt voor zeven jaar verbannen “de destourbir le ville des parolles qui dist au contraire de sainte eglise…”.

Menselijke majesteitsschennis. Persoonlijke beledigingen van Ieperse ambtenaren worden eveneens bestraft door de schepenbank. Dat geldt niet alleen voor beledigingen aan het adres van de ambtenaren maar evengoed van vertegenwoordigers van het stedelijk gerecht, zoals de baljuw, de schout of hun medewerkers. Beledigingen geuit tegen rechtstreekse vertegenwoordigers van de graaf worden sowieso beschouwd als majesteitsschennis en vallen onder de bevoegdheid van de Ieperse vierschaer.

In 1362 ondergaat een zekere Franskin Brand de doodstraf omdat hij in Dordrecht en in Middelbourgh had beraadslaagd met bannelingen; “…ou il avoient conseil pour prendre et emprisonner monseigneur de Flandres et par force d’ armes entrer ou pays…”. Het betreft hier natuurlijk een regelrechte samenzwering tegen de graaf van Vlaanderen.

“Waultier Ademare ets jugiés en le volonté du Seigneur de perdre le puing pour ce qu il mist main au seigneur vilainement”. Met de baljuw wordt inderdaad niet gelachen! Zo bijvoorbeeld deze verbanning van liefst drie jaar: “Elyaes le Vos ets banis IIJ ans hors le pays de Flandres sour sa tieste pour ce qu il contredist au seigneur d’ aler en prison en disant il ne fu mie sez arresterre”. Ganin Strye wordt voor één jaar verbannen omdat hij “onbescheedichede dede up den scoutheeden zijn officie doende”.

Lambert Reubinest waagt het om te willen weglopen uit van handen van de knechten van de baljuw; “..dit de faire un pèlerinage a Notre Dame de Rochemadoul … pour che qu il se pena de faire escaper hors des mains des varlès du dit bailliu un estraingue homme lequel il avoient prijs”. Beeld u eens in: te voet heen en terug van Ieper naar het zuid-Franse Rocamadour. Een voettocht van zestienhonderd kilometer. De Ieperling Pools Scadelin wordt verbannen “dit un an hors le ville sour etre banit un an s’il rentrast pour les horibles mos qu il dist sour un eschevin”.

Het Ieperse recht wordt toegepast op de burgers en allen die ouder zijn dan vijftien jaar en die zich al dan niet toevallig op Iepers grondgebied bevinden. Het magistraat laat niet na van op te treden tegenover vreemden die op één of andere manieren eigen burgers verongelijken. Bij het lezen van de oude vonnissen valt het trouwens op dat de Ieperlingen zachter worden behandeld dat vreemden.

Een Keure van 1302 afkomstig van Jan van Namen, de zoon van Gwijde van Dampierre, bevat een frappante passage in dit verband. Er wordt een duidelijke grens getrokken tussen de inwoners ervan en de buitenlieden, de vreemden. In de keure wordt aan de burgers van de stad Ieper een specifiek recht toegekend ten opzichte van niet-burgers. De schepenen en de burgers van Ieper krijgen het recht het huis van een niet-burger te slopen in geval van slagen, kwetsuren of doodslag toegebracht aan een burger.

De stad bemoeit zich uitermate met wat haar burgers op andere plekken uitspoken en met de misdrijven die ze op “den vreemde” begaan. Telkens opnieuw moet de burger zich achteraf aanmelden bij het Ieperse gerecht. In de gevallen dat Ieperlingen een misdrijf plegen in de vreemde en daar ook opgepakt worden, dan worden ze ter plekke berecht. Maar het Ieperse magistraat houdt er heel sterk aan dat ook zij kunnen oordelen in die gevallen buiten hun rechtsgebied.

Dit is een fragment uit Boek 3 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 3
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.