banner
Jan 21, 2021
1479 Views

Pieter de Coninck leidt de oproer

Written by
banner

‘Adieu les Dampierres’
Einde mei 1301. Na de verbeurdverklaring van Vlaanderen (‘adieu les Dampierres’), reizen Filips de Schone en zijn echtgenote Johanna van Navarra met hun hele hofhouding naar onze contreien. Hij wil zich hier laten erkennen als wettelijke vorst van ‘La province de Flandres’. In de meeste steden worden ze met alle mogelijke eerbetuigingen ontvangen en hij beloont hun generositeit met nieuwe vrijheden en privileges en vooral met de afschaffing van enkele eerder aangekondigde belastingen. De wethouders en de andere leliaards van Gent ontvangen het koningskoppel ook al met een exuberante luister. Ze organiseren buitensporige maaltijden en prinselijke steekspelen en gooien met geld.

Het bezoek kost maar liefst 17.000 gulden, een bedrag dat door de inwoners moet bijeengeschraapt worden. Gelukkig vallen ook hier de bieraccijnzen weg zodat al die moeite niet voor niets was. Zijn intrede in Brugge valt dan wel uit de toon. Het onthaal door de Bruggelingen is eerder koel en afstandelijk te noemen. Dat heeft vooral te maken met de interne keuken hier. De Bruggelingen zouden eveneens willen pleiten en smeken om lastenverlagingen maar dat wordt hen formeel verboden door het stadsbestuur. Ze wensen niet bekend te staan als smekende mensen.

De eigenwaarde van de rijke burgerij etaleert een vreemd contrast bij de koninklijke intrede. Terwijl Filips & Johanna met grote show ontvangen worden door het magistraat en de finefleur van de stad reageert de rest van de stedelingen bitter en schamper op al die gatlikkerij. Vreemd genoeg is het vooral de protserigheid van de dames van stand die heel negatief overkomt bij de Franse koningin. De Brugse dames zijn zodanig opgetut en gekleed dat het er wel op lijkt dat ze hun koningin in de schaduw willen stellen en naar de kroon willen steken. Dat ontlokt hier in Brugge haar fameuze uitspraak; ‘Ik meende de enige koningin te zijn in Frankrijk, maar me dunkt dat al de Vlamingen die in onze gevangenissen zitten wel allemaal prinsen moeten zijn, want hun achtergebleven vrouwen lopen allemaal gekleed als koninginnen en prinsessen.

Geschiedschrijver Meyer beweert in zijn geschriften dat er inderdaad wel 600 van die in kerstboom verklede dames aanwezig zijn bij de intrede van het koninklijk echtpaar. De inbezitneming van Vlaanderen gaat gepaard met de schenking van het kasteel van Male aan Filips’ vertrouweling Robert L’Espinoy. De koning vernieuwt overal de schepencolleges en stelt Jacques de Châtillon aan als gouverneur-generaal van Vlaanderen en als graaf van Boulogne. Laatstgenoemde is de broer van de graaf van Saint-Pol en een oom van de koningin. Filips de Schone voorziet de Châtillon van 1.200 ruiters en een hele bende voetvolk, pas dan keert hij via Ieper en Douai naar Frankrijk terug.

Pieter de Coninck leidt de oproer
Juli 1301. De Franse koning is amper vertrokken of het zit er al bovenarms op in Brugge. Het stadsbestuur heeft grote kosten gemaakt voor de intrede van de koning en legt daarvoor een speciale belasting op de ambachtslieden. Pieter de Coninck leidt de oproer. Hij doet dienst als deken bij de wolwevers. Pieter is een man van rond de zestig met maar één oog, maar hij kan het bijzonder goed zeggen. De Coninck is zo te horen een taalvaardige, pientere en verstandige man. De baljuw en de wetsheren laten Pieter en 25 van zijn gezellen opsluiten op het Steen omwille van hun insubordinatie. Daar worden ze nog dezelfde dag bevrijd door een massa gewapende collega’s. Het stadsbestuur moet de wet van de sterkste ondergaan en dat komt voornamelijk omdat zich hier in de stad geen Franse soldaten bevinden. Lang zullen die niet op zich laten wachten. Wanneer de Châtillon verneemt wat Pieter de Coninck en co uitspoken in Brugge haast hij er zich naartoe in het gezelschap van 500 ruiters.

De Fransen geraken echter niet binnen. De ambachtslieden hebben zich meester gemaakt van de stadspoorten en die blijven nu potdicht voor de vijand. Op het stadhuis stellen de wethouders en hun Fransgezinde aanhang zich in de wapens onder de leiding van Jan van Gistel, een notoire vijand van de graaf. Ze plannen voor de volgende morgen bij het luiden van de ochtendklokken een charge uit te voeren op het nietsvermoedende weerspannige volk om dan in een tweede beweging de poorten te openen voor de Franse soldaten. De plannen van het stadsbestuur lekken echter uit. De Franskiljons zitten met een mol, het gemeen keert de rollen om. Bij het eerste teken van de dagklok zijn zij het die uitbreken. In massa en bewapend met alles wat ze kunnen vinden vallen ze het magistraat en de adel aan zodat die niet veel anders kunnen dan zich in de Burg te gaan verschansen. Bij deze actie vallen er zeker enkele doden en gewonden. De heer van Gistel kan zich ternauwernood redden door weg te vluchten uit dit kokende Brugge. Ik noteer nog even de datum: 15 juli 1301.

Jacques de Châtillon wacht op versterking van de troepen van zijn broer, de graaf van Saint-Pol en eist dan toegang tot de stad. Een eis die de Bruggelingen niet zomaar naast zich kunnen neerleggen want dan gaan ze alleen maar de toorn van Filips de Schone opwekken. Ze sluiten een deal met de Châtillon dat de opstandelingen met Pieter de Coninck op kop mogen uitwijken naar andere Vlaamse steden waar ze voor de rest van hun dagen kunnen blijven wonen. De Fransen nemen meteen doortastende maatregelen. Om te voorkomen dat de Bruggelingen nog een keer hun vestingen blokkeren geven ze onmiddellijk de opdracht om de poorthuizen en de bolwerken af te breken.

Ze beginnen trouwens direct met de bouw van een kasteel om de gouverneur en zijn troepen te huisvesten. Net zoals dat gebeurde in Rijsel en Kortrijk. De burcht komt er op de plaats waar veel verder in de tijd de watermolen zal verrijzen, tussen de Katelijnepoort en de Minnebrug. De constructie zal trouwens nooit helemaal afgewerkt worden. In 1849 zijn de grondvesten van het geplande kasteel nog zichtbaar bij een blekerij aan de Minnebrug. De omtrek van de toren moeten zowat 20 meter geweest zijn.

De Châtillon bedenkt een nieuwe afpersing
Brugge verliest zijn keuren en privileges. De Châtillon lacht er niet mee maar hij creëert meteen mistevredenheid bij de wethouders en de burgerij. En alsof dat nog niet genoeg is eist de Fransman nu nog de vierde penning van ieders gewin of dagloon. 25 % belastingen lijkt ons een ideaal scenario voor de Vlamingen anno 2019 maar in die dagen spreken de poorters van een ongehoorde belasting. De ontvangers van de toltaksen manifesteren zich als bullebakken en gedragen zich zeer onbeschoft tegenover de Vlamingen. In de Westhoek hebben we het nu nog over ‘snakken en bijten’ en dat is precies wat die ontvangers doen. De Bruggelingen hebben het over de ‘Snakkers’ en omdat de ontvangsten gebeuren in de buurt van een brug wordt die al gauw in de volksmond omschreven als de ‘Snaggaardbrug’.

Ik moet de oude kroniekschrijver hiermee enigszins tegenspreken. Die fameuze brug gaf al in het begin van de 12de eeuw toegang tot de woning van de Brugse familie Snaggard. Voor de Bruggelingen uit 1301 was de link tussen Snaggard en Snakker natuurlijk snel gelegd. Om de vermindering van hun loon te ontlopen verlaten veel werklieden de stad om op andere plaatsen te gaan werken. Iets wat natuurlijk de ontevredenheid van de Fransen aanwakkert. Omdat de vierde penning onvoldoende zaad in het bakje brengt bedenkt de Châtillon dan maar een nieuwe vorm van afpersing: de zogezegde ‘hoektol’ die hij op een bedenkelijke en kleingeestige manier gaat invoeren bij diegenen die bekend staan als vrienden van de gevangen graaf.

Uit deel 9 van ‘De Kronieken van de Westhoek – Het Oud Verhaal van Vlaanderen’

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *