Nikolaas Zannekin wordt aangesteld als hoofdman van Veurne-Ambacht. Zijn grootvader heeft met zijn zonen de polder op de zee en de IJzerdelta veroverd. Zijn vader heeft vele helpers een vrij bestaan geschonken en op Groeningeveld zijn bloed voor Vlaanderen geofferd. Nikolaas Zannekin zal uiteindelijk de hoofdrol opeisen in het smeulende verzet en bij de gebeurtenissen van de volgende jaren. Het “kleine volk” van de Westhoek, uit de bossen van West-Vlaanderen, en van het Brugse Vrije sluit zich aan bij het bondgenootschap van Zannekin.
Het volk is meer dan woedend op iedereen die, al dan niet actief, deelneemt aan het beleid van de graaf. Kop van jut zijn de keurheren, de schepenen, de rijke en perverse burgerij, en natuurlijk de adel die zich zoals gewoonlijk tussen de gezagsstructuren heeft genesteld. Het zijn die edelen en patriciërs die er voor zorgen dat de boetes en belastingen verder worden opgedreven. Achterstallen en annuïteiten die in hun eigen zakken verdwijnen. Het komt voor de mensen over als een kaakslag als de onlangs gestrafte en verbannen keurheren na een tijd opnieuw in hun vroegere functies worden hersteld. Het zal niet lang meer duren vooraleer de spreekwoordelijke druppel de emmer zal doen overlopen. De situatie is wraakroepend.
Het spel zit op de wagen. De mensen van de polders en van de Westhoek, gaande van Veurne, Sint-Winoksbergen en Broekburg smeken gewoonweg om zich te mogen aansluiten bij de “compagnons de l’esmeute” onder leiding van de aanvoerder Nikolaas Zannekin die iedereen ophitst tot gewelddaden en massaal protest. En vooral om niet langer belastingen te betalen. Het volk begint een revolutie die eigenlijk ongezien is in het rurale Vlaanderen. De revolte van de Westhoek verspreidt zich haast organisch over de hele westelijke kant van Vlaanderen.
Nikolaas Zannekin zelf is een niet onvermogende landeigenaar. Geboren te Veurne, stamt hij af van één van de voornaamste adellijke huizen van de stad. In Lampernisse is hij zowat de belangrijkste landbouwer met achttien hectare land in eigendom. Zijn relatie met het elitaire bestuur van de Casselrij Veurne-Ambacht is bij de aanvang van de revolte in 1322 al ernstig verstoord. Zit Groeninge hier voor iets tussen?
Dat wordt merkbaar in 1323 als hij uit Veurne verbannen wordt. Zijn sterke persoonlijkheid en zijn fundamenteel onrechtvaardigheidsgevoel maken hem bijzonder populair bij het gemeen. Het is echt niet verwonderlijk dat Zannekin besluit om zich te vestigen in het belangrijke Brugge waar hij de status van “haghepoorter” krijgt. De Vlaamse Bruggelingen ontvangen hem met de glimlach en bieden hem de functie aan van dijkgraaf. Hij wordt aangesteld als schout over de moeren en delta’s, waar geen patriciër uit Veurne of Duinkerke ook maar één voet durft te wagen. Hier kan hij maximale druk uitoefenen op de slagkracht van zijn “compagnons”.
De jonge Lodewijk van Nevers heeft na de rellen in Brugge en Sluis graaf d’Aspremont aangesteld als bestuurder om orde op zaken te komen stellen in de woelige Westhoek. De machtshebbers van Ieper, Brugge en Gent worden verzocht d’Aspremont bij te staan en om de situatie uit te klaren. De graaf zelf verblijft in het Franse Gray-sur-Saône. Het blijkt al snel dat de opstand van de bevolking escaleert. De steden smeken al enkele maanden bij de graaf om ter plekke te komen en de explosieve situatie te ontmijnen, maar Lodewijk is vooralsnog niet ingegaan op die smeekbede.
Als d’Aspremont finaal dreigt de controle te verliezen, roept hij zijn graaf op om begin februari 1324 onverwijld terug te keren naar Vlaanderen. Lodewijk keert nu eindelijk terug en organiseert een ijloverleg met de grote steden. Zonder veel resultaat. De toestand is inderdaad niet rooskleurig. De gewelddaden van het gemeen ontaarden die winter in massale onlusten. De burgeroorlog is uitgebroken. Met hele benden rukt het volk op naar onder andere Veurne, waar de schepenen, de heren van stand en ieder die te maken heeft met de schandalige pointingafpersing gevangen gezet worden. Hun huizen worden in brand gestoken of vernietigd. Vooral de baljuws zijn kop van jut.
Einde 1323 is het wettelijk gezag in de kuststreek volkomen ingestort: de autoriteiten van Broekburg, Veurne, en St.-Winoksbergen geven zich over. Het rumoer verspreidt zich als een lopend vuur. De hele kuststreek van zuid naar noord, met inbegrip van alle kleine steden in de provincie, wordt het toneel van zware rellen. Het stadsbestuur van het belangrijke Ieper kijkt ondertussen angstvallig toe, houdt nauw diplomatiek overleg met Brugge en Gent, maar bewaart vooral de nodige afstand van de revolte. Begin 1324 doet zich een aardbeving door in de streek en dan slaat koning winter nog onverbiddelijk toe tijdens de maanden januari en februari 1324. Die barre natuuromstandigheden leiden er toe dat de regio Ieper-Poperinge grotendeels wordt gespaard door de rebellen.
Brugge van zijn kant ontsnapt niet aan de volkswoede. Begin februari 1324 (als zo dikwijls voordien) wordt er weer eens gefoefeld om de patriciërs hun onrechtmatige stek te geven in het nieuwe stadsbestuur. (Dat hebben ze deze keer niet gedaan in Ieper, vandaar de relatieve rust daar). De meerderheid van de schepenbank gaat weer eens naar de Fransgezinde elite.
Het gepeupel en de ambachten vinden dit onaanvaardbaar. Het roven en regulier plunderen van het gemeen in de Westhoek en de polders slaat over naar Brugge. Op 21 februari 1324 luiden de Brugse klokken ten teken van aanval. Met de hulp van de Brugse ambachtslieden vallen ze op drieste manier de stad binnen waar ze alle graafsgezinden en edelen die ze te pakken kunnen krijgen een kopje kleiner maken.
De gemeentenaren hebben de wapens opgenomen tegen de elite. Graaf Lodewijk verzoekt zijn oom Robrecht van Cassel om de opstand te onderdrukken. Hij verzamelt een aantal ridders en soldeniers en beslist om de opstand vanuit zijn Nieuwpoortse hoofdkwartier te bestrijden. Maar de ridders en edelen die hem dienen hebben niet echt zo’n groot vertrouwen in Robrecht. Ze beseffen dat hij niet “de grote vriend” is van de graaf en dat hij vooral de kat uit de boom wil kijken ten opzichte van het volk. En natuurlijk zal de Blauwvoetgezinde Johannes, de burggraaf van Nieuwpoort, er wel voor iets tussen zitten dat hij aarzelt om maatregelen te nemen tegen de gewone mensen.
Robrecht van Cassel beslist om soldaten te sturen naar Oudenburg en naar Gistel en van daar uit gezag te houden op het opstandige Brugge. Maar het plan om de bolwerken van Oudenburg en Gistel in te nemen mislukt. En ook Veurne sluit zich aan bij de opstandelingen. Weldra staan ze aan de poorten van Nieuwpoort waar ze de overgave van de stad eisen. Iedereen verwacht een hard en lang beleg maar tot ieders verbazing biedt Robrecht niet de minste weerstand. Hij ontruimt de stad en laat de rebellen binnen. De hogere kringen beginnen hem stilaan te beschouwen als een verrader.
De Nieuwpoortenaars laten het niet aan hun hart komen en verwelkomen de rebellen met open armen. We zijn maart 1324. Voor de eerste keer in hun leven hebben ze de wapens opgenomen tegen hun souverein.
Robrecht van Cassel zelf trekt naar Sint-Winoksbergen. Maar als hij verneemt dat de opstandelingen zich ook gekeerd hebben tegen zijn Duinkerkse vesting doet hij verwoede pogingen om hen de weg af te snijden. Maar bij de eerste ontmoeting van het voetvolk met de rebellen, lopen zijn mensen over naar de strijders van het volk. Ze moeten niet eens de moeite doen om Duinkerke in te nemen. Het zijn de Duinkerkenaars zelf die zich aansluiten bij de opstandelingen.
Graaf Lodewijk zit klem. Op 20 maart 1324 geeft hij er zich rekenschap van dat het beter is om een wapenstilstand af te sluiten en te proberen tot een regeling te komen. Hij besluit in het voorjaar van 1324 om enkele toegevingen te doen aan de revolutionairen en biedt aan om de talrijke mistoestanden die aan de basis lagen van het oproer, grondig te onderzoeken en bij te stellen.
Er worden twee scheidsrechterlijke commissies opgericht die zullen zetelen in het Brugse en in de abdij van Ter Duinen. Een eerste beoordelingscommissie staat onder leiding van Artaud Flote. Deze doet onderzoek m.b.t. de mistoestanden in het Brugse Vrije. De tweede commissie onder leiding van Robrecht van Cassel zal het onderzoek voeren naar de voorbije gebeurtenissen in de Westhoek.
Dit is een fragment uit Boek 3 van De Kronieken van de Westhoek


