Salut en de kost! Over deze zonderlinge zegswijze vinden we onder meer het volgende in een van de zeer merkwaardige kronieken van de befaamde Gentse oudheidkenner A. Van Werveke.
Deze eigenaardige gemeenzame uitdrukking wordt gebruikt om iemand te groeten die ons verlaat. Vooral als men tevreden is om er van af te zijn. De oorsprong van dit gezegd is des te meer waard om meegedeeld te worden omdat ze in verband staat met de geschiedenis van onze wapengilden en van onze rederijkers.
De Sint-Jorisgilde die zich met de kruisboog oefende en de Sint-Sebastiaansgilde met de handboog, schreven nu en dan schietwedstrijden uit, waarop alle gilden van diezelfde aard te lande werden uitgenodigd. Evenzo werden de rederijkerskamers in andere steden gevraagd om zich te meten in de toneelkunst en te kampen om de ‘prijsen ende juweelen’.
Het is dat woord ‘juweel’, waarvan men in de nieuwe tijd de naam ‘landjuweel’ heeft gemaakt om aan te duiden wat men hier ‘schietspel’ heette voor de wapengilden en ‘spel van rhetorijcken’ voor de toneelspelers.
De gilde of rederijkerskamers die de wedstrijd uitschreef moest de ‘quaerte’, dat is het programma alom bekend maken. In de middeleeuwen was er echter geen drukkerij die dat programma in een groot aantal afdrukken kon vermenigvuldigen, geen dagbladen die het nieuws verspreidden, geen goed ingerichte post die de brieven snel in alle gedeelten van het land bracht.
Omdat het ook betaamde aan de uitnodiging tot de wedstrijd een zekere plechtigheid bij te zetten, namen de gilden en de kamers hun toevlucht tot een bijzonder propagandamiddel. Ze zonden in verschillende richtingen boden die zich bij alle gilde of kamers van het land aanmeldden, de ‘quaerte’ aflazen en de gildebroeders of rederijkers uitnodigden om deel te nemen aan de prijskamp.
Gewoonlijk werd de bode zeer goed ontvangen door de eed van de gilden of de kamers van elke stad die hem geschenken en de kost gaven, zijn nachtverblijf betaalden en hem bij zijn vertrek een zekere som geld gaven om de reis voort te zetten.
Vooraleer te vertrekken reikte de bode aan de griffier een lange perkamenten rol over, waarop de lijst van de bezoeken gemeenten stond aangeduid. De griffier hechtte het zegel van de gilde aan de rol naast de naam van zijn stad, om de bode toe te laten te bewijzen dat hij daar geweest was.
Zo werden voor het schietspel van de Sint-Jorisgilde te Gent in 1440 vier boden uitgezonden. De verslagen van drie van hen zijn bewaard gebleven en mogen belangrijke oorkonden genoemd worden.
Te Sint-Winoksbergen, in het huidige Frans-Vlaanderen kreeg de bode een zilveren toren, te Duinkerke een zilveren schop, te Veurne een zilveren stok met opschrift, te Nieuwpoort een zilveren schild met een gouden haring, wapenschild van de stad, te Ieper vier ellen scharlaken, te Cassel een zilveren kroes, te Oudenaarde een gebrandschilderde zilveren schotel met de wapens van de stad, te Edingen een zilveren windas, te Bergen in Henegouwen een zilveren kruitdoos. In zekere steden kreeg hij ook één of meer geldstukken. Te Brugge twee ridders, te Poperinge 20 groten, te Belle 1 kroon, te Terwanje 1 pieter, te Lens 1 gulden postulaat, te Bohain en te Corbie 1 ‘salut’. In andere steden gaf men hem te eten, ‘den cost’; te Eeklo, te Aardenburg, te Dordrecht, te Delft, te Rupelmonde een geldstuk en het eten: ‘een salut en den kost!’.
Die salut is dus niet de salut die we meenden. Het is geen groet maar een in Frankrijk geslagen goudstuk. De naam ervan is ontstaan doordat men er de ‘aankondiging’, de groet of salut van de engel aan Maria in zag en de woorden ‘Salus populi suprema lex esto’. De Franse Salut d’or’.
–
Uit het Ypersche van 10 april 1926 – www.historischekranten.be –


