Wat betekent heuge eigenlijk in de spreekwijze ‘heuge tegen meuge’, of ’tegen heuge en meuge’?
Wat betekent heuge eigenlijk in de spreekwijze ‘heuge tegen meuge’, of ’tegen heuge en meuge’?
Heuge (samenhangend met heugen, geheugen, verheugen, enz.) staat bij Kiliaan verklaard als mens, sensus, intellectu.
Het is bij ons, zegt Weiland, in de betekenis van zin, genoegen, nog gebruikelijk: ‘hij doet het tegen heug en meug’. Deze spreekwijze bevat dan een tautologie, even als haar weersplete ’tegen wil en dank’; want ‘dank’ had vroeger de betekenis van wil, als nog blijkt uit ondank in de uitdrukkingen ‘ondank hebben’, ‘iemand ondank weten van iets’, ‘mijns ondanks’ (tegen mijn wil.
Over dat heuge en meuge staat er geboekt als volgt:
1.Bij Kramers: Heug, zin, verstand; wij hebben dit woord slechts bewaard in de spreuk ’tegen heug en meug’; ‘hij doet het tegen heug en meug’, tegen wil en dank.
2.Bij Weiland: Heug, eigenlijk een zelfstandig naamwoord in de betekenis van zin, genoegen, nog gebruikelijk: ‘hij doet het tegen heug en meug’; ‘hij drinkt tegen heug en meug.’ — Meug, ook eigenlijk een zelfstandig naam woord, dat nog overgebleven is in de dagelijksche taal; ’tegen heug en meug’, ‘hij is over zijn meuge’
Van hier komt meugelijk, smakelijk; mogelijke spijs, mogelijk eten.
3.Bij Kiliaan, (Plantijn, Antwerpen, 1599): Heughe en hoghe, mens, sensus, intellectus ; etconsolatio, et spes, et delectatio, voluptas, laetitia. — Woorden die nagenoeg, zin, verstand, gevoel, troost, hoop, genoegen, vreugde en blijdschap te kennen geven. — ‘Met heughe ende meughe eten’. — Cum voluptate et appetitu edere. — ‘Tegen heughe ende meughe drincken’. — ‘Goeds heughens’ animo alacri et hilari,
Heug in de vorm högh of hoghe staat te lezen
Bij Walewein: ‘Doe wart Walewein in hóghe.’
In het Roman van Ferguut: ‘Het wart gesont, en in hoghen, ende blide.’
Bbij Melis Stoke: ‘Dies si bat waren in hoghen. Dies si Gode danken moghen.
Van ‘heug en meug’ komen de volgende woorden voort:
Vooreerst het onpersoonlijk werkwoord heugen, met de betekenis vin geheugen: ‘het heugt mij’,’ helpt mij dat geheugen’, zoveel als : ‘ik heb het onthouden’,’ help me dat onthouden’.
— Daaruit, de woorden heugenis en geheugenis in den zin van het geheugen, de memorie.
— Daartegen spreekt onheugelijk, dat niet meer heugt; van onheugelijke tijden af.
Ten tweede, uit ‘heug’ komt ook het werkwoord ‘heugen’, om genoegen en blijdschap uit te drukken.
— Vervolgens het naamwoord heugenis en de bijvoeglijke naamwoorden heugelijk en verheugelijk, dat ons verheugt.
— Laat ons nog het werkwoord verheugen erbij leggen, zowel met zijn betekenis van verblijden als van verblijd worden, van waar verheugend in den zin van heugelijk, blij: verheugender nieuws ontving ik nimmer. Hieruit nog hebben wij verheugd, verheuginge, verheugendheid.
Het tegenovergestelde van heug is onheug, een naamwoord, zonder meervoud, dat walg, afkeer en tegenzin beduidt.
— Onheugelijk en onthieugd, (droevig, triestig,) en eindelijk ontheugen, de blijdschap wegnemen.
Met het naamwoord heug maken wij nu de volgende samenstellingen : ‘Heugtijd’ en ‘hoogtijd’, ‘heugdag’ en ‘hoogdag’; van daar: ‘heugtijd houden’, ‘de hoogdag vieren’; ‘heugtijdig’ en ‘heugtijdiglijk’, die iets blij en feestelijk laten horen.
De talen die met de Vlaamse in verband staan, hebben het woord heug ook in bezit en nagenoeg in dezelfde betekenis en vorm:
Ijslands: eg hugga, ik troost.
Kimrisch (Oud Noords) : Hygg eg. Ik geheug.
Maso-Gotisch: gahugjan, denken, peinzen.
Angelsaksisch : hogan, hogian, bedenken, overpeinzen.
Frank-Duits : hugan, gehugan, geheugen.
Oud-Engels: high-tide, high-day, hoogtijd, hoogdag.
Oud-Fries : hach-tide, hoogtijd.
Duits: hochzeit, hoogtijd, bruiloft, feest, faire la noce.
Oud-Zweeds : poeskahagitiden, hoogdag van Pasen.
De voorgaande verklaringen laten duidelijk verstaan dat ‘heug’, verstand en zin, vreugde en blijdschap betekent.
C. Rijkaart in ‘Rond den Heerd’ van 1876


