Vanuit Brugge vertrekken er honderdvijftig Spanjaarden met driehonderd trekpaarden uit het Vrije om zich aan […]
Anno 1915, half april. Na een verblijf van tien weken in Frankrijk werden we overgeplaatst […]
Hoe het leven in Passendale er uitzag in 1906, staat te lezen in onderstaand krantenartikel. […]
Op een toonbank, in ‘De Zwane’ Zie ‘k een koopren vuurpot staan, Blinkend, lijk een […]
Zondagavond, rond 21u, gingen de genaamde Verdoene Daniël, 28 jaar oud, en Soetaert Gerard, 30 jaar, beiden van Ieper, in het gezelschap van een andere kameraad naar het ‘Dietsch Tehuis’, in de Tempelstraat, met het gedacht er vreedzaam een glas bier te drinken.
Het valt mij in hoe ik op een zondagnamiddag toen ik nog een kleine jongen was, met grootmoeder ging wandelen. Het was in het hart van de zomer. En dat we, dorstig geworden van stof en hitte, binnen trokken in een landse herberg van de oude stempel.
De herberg is de grote school van het zedenbederf. Het is daar dat de jongeling, die nauwelijks de schoolbanken verlaten heeft, het eerst en het meeste slechte klap hoort, het is daar dat hij de lichte vrouwspersonen tegenkomt die hem zijn eerlijke schaamte doen verliezen.
Op het gehucht Toesel staat een weinig bezijden de weg de herberg ‘De Brouwerij’ bewoond door het huishouden Depauvez-Vangheluwe, zonder kinderen.
Wie denkt hier niet aan al ons overvloedig schinken en drinken. België is ’t land van belofte voor de heilige drankhandel.
Zaterdag 4 november deed er zich te Beselare een ongeval voor dat heel wat opschudding verwekte.
Men kan denken dat de Muizevalle op het Frezenbergje er van meedeelt. Hele gezelschappen trekken naar daar op, ook kan men daar een lekkere beet ingelegde vis vinden aan zeer gering prijs. Maar er zijn nog mensen die hun voorraad meenemen omdat ze niet graag vreemde kost eten, en ….het is ook ….goedkoper.
Man en vrouw laffelijk vermoord en daarna het huis in brand gestoken – het negenjarig dochtertje van de slachtoffers in de vlammen omgekomen.
Hier volgt het verhaal van mijn vader Jules Depuydt, die op een dag, in het […]
Dinsdagnamiddag even voor 14u kwam in de Sint-Sixtusstraat, de auto van brouwer A. Nevejan uit Krombeke, door hem zelf bestuurd, nogal hard in botsing met een tram.
Als men vroeger bomen uithakte, liet men de rolders (aarsgat van uitgeroeide boom) in de grond zitten en de armen of de werklieden mochten ze komen uithalen.
‘k En zal noch dag noch jaar noemen, maar hetgeen ik hier vertel, heb ik bij het Vlaamse volk gehoord. Zekere Tisten hield herberg in ‘De Kromme Krinkel’ maar, ik weet niet aan wie of waaraan het loog, de verkoop wat bitter klein. Menigmaal had Ciska de bazin daarover haar beklag gemaakt aan de weinig klanten, die nog van tijd tot tijd in ‘De Kromme Krinkel’ hun dorst kwamen lessen: maar het was allemaal boter aan de galg, niets een baatte.
Al wie zich eens goed wil verzetten, moet eens een reisje naar Voormezele doen. Daar is het altijd plezant. Bijna alle zondagen is er ringsteking, en dan nog een ringsteking voor ’t vrouwvolk. Zondag laatst trok ik er naartoe. Mijn verwondering was waarlijk groot toen ik tegen de avond inderdaad zag dat de jongelingen zich naast een poezelig meisje in een voiture en met kloeke hand de lans naar de ringen uitstaken.
Er bestaat geen plezierigere gemeente in gans Vlaanderen dan de onze. ‘En het bewijs daarvan’, hoor ik je vragen? Welnu; zie hier!
(Nooit en had men zulke regen gezien!) Hij duurde tot drie uur na de noen zonder ophouden, maar dan heeft het wat beginnen te minderen en men zag tot Vlamertinge na het eindigen van de vespers, het water aankomen over de velden, weiden en hagen, met zo een gedruis dat het een bangelijk was om horen en zien als de eerste stroom aankwam, die kwam meer dan 4 voeten met de eerste dikke en het groeide gedurig aan tot omtrent om 4 uur in de achternoen, wanneer het heeft beginnen te vallen, dit water kwam aangedreven met groot geweld dat de huizen al doorliep; muren, galenten zijn ter aarde neergeveld.
Man: maar vrouwtjelief, ‘mag’ ik nen keer tot aan de herberg gaan om een pintje, ik zal seffens weer zijn en zal u niet lang alleen laten.
Gewoonlijk gebeurt de oplossing der moeilijkheden stilaan. Mevrouw zal de geur van tabak eerst dulden, maar later zelfs graag rieken indien haar man een roker is. Mijnheer zal wel verdragen dat zijn vrouw zich enige tijd, die hem eerst te lang scheen, met haar opschik bezig houdt.
Mijn buur is een gaai De mooiste herberg van de stad Diksmuide was zeker ‘De Papegaai’, op de hoek van de Grote Dijk en het Begijnhofstraatje, waar nu G. Myny en G. Hardy wonen.
Ik dank eveneens enkele van de oudere inwoners die me hielpen het geheugen wat op te frissen, en heel speciaal Martha Brel. Blijven er thans nog twee herbergen voor 602 inwoners (1978), voor de eerste wereldoorlog waren er niet minder dan zesentwintig voor 1009 inwoners (1912) of een café voor 39 inwoners! Men begrijpt al vlug dat geen enkele uitbater met zijn zaak een deftig bestaan kon leiden. Inderdaad, de dorstigen laven mocht dan nog een werk van barmhartigheid zijn: voor de meesten zal de verdienste van de herberg slechts een welgekomen aanvulling geweest zijn van het inkomen als landbouwer, smid, metselaar, slager, schoenmaker, loonarbeider, enz.