banner
Jul 10, 2018
3279 Views

De oorlog van Jules Depuydt

Written by
banner

Hier volgt het verhaal van mijn vader Jules Depuydt, die op een dag, in het begin van de Eerste Wereldoorlog, een kameraad vergezelde die met zijn paard en rijtuig van Stavele naar Poperinge reed om boodschappen te doen, maar van welke uitstap hijzelf pas vijf jaar later terug thuis kwam.

Ter verduidelijking vooraf het volgende:

Bij het begin van de oorlog was mijn vader vijfentwintig jaar. Aangaande legerdienst was hij van de klas 1909. Veel mannen van zijn klas, die legerdienst hadden gedaan, waren reeds gemobiliseerd. Maar bij zijn eerste oproeping had mijn vader zich bij de loting, die toen nog in voege was, eruit geloot. Daardoor was hij vrij van legerdienst, althans in normale tijden.

In de dagen van het begin van het verhaal werd er aan de IJzer bij Diksmuide verwoed gevochten en rond leper was de slag in volle gang, om de opmars van de Duitsers tot staan te brengen. Daardoor waren Stavele en de omliggende dorpen, die zeer dicht achter het front lagen, overspoeld met soldaten en vluchtelingen. Dag en nacht denderden lange rijen legervoertuigen en zwaar oorlogsmateriaal door de straten van Stavele. Daartussen lange kolommen marcherende soldaten, die zich op de hofsteden installeerden, of verder naar het front trokken.

In die ongehoord drukke dagen heerste er tevens een zeer gespannen sfeer bij leger- en politieoverheid in verband met mogelijke spionage. Het gerucht deed zelfs de ronde dat Ulanen, die in de eerste dagen van de oorlog in de streek waren geweest, zich mogelijk als burger zouden hebben vermomd en zich onder de vluchtelingen bevonden. Vandaar overal strenge kontrole. Daarom was iedereen verplicht steeds in het bezit te zijn van zijn ‘permis de séjour’ (verblijfsvergunning) van het ogenblik dat men zich op straat begaf. Wanneer men zich buiten zijn gemeente wilde begeven, moest men bovendien over een geldige vrijgeleide beschikken, die ‘laissez-passer’ werd genoemd.

Op vele punten stonden schildwachten (sentinelles) die grondig de papieren van de burgers kontroleerden. Bovendien waren er nog de mobiele gendarmen, die op de meest onverwachte plaatsen en tijdstippen opdoken om hetzelfde te doen. Ik was toen twee jaar oud.

Het verhaal van Jules Depuydt
Het was een dag op het einde van november 1914. Die dag was het biddag in Stavele. In die jaren werd een biddag nog gevierd als een zondag, zodat ik niet ging werken. In feite werd er in die dagen niet altijd normaal gewerkt, uit oorzaak van de oorlogstoestand in de streek. Zoals het al dagen bezig was, waren tijdens de nacht weer lange kolommen legermateriaal door het dorp getrokken. Op het dorpsplein stond het vol zwaar geschut en zoals andere nieuwsgierigen, was ik kort na de middag gaan kijken naar die ongewone bedrijvigheid. Doch ik bleef daar en keerde terug naar huis. Toen ik vlak bij mijn woning kwam, werd ik achterhaald door een kameraad die me zei dat hij met zijn paard en rijtuig naar Poperinge moest om een paar dringende boodschappen af te halen. Hij liet verstaan dat hij graag gezelschap had gehad met al die drukte langs de baan. Hij vroeg mij of ik soms goesting had om mee te rijden en eens te zien hoe de toestand in Poperinge was. Ik stemde toe. Vlug liep ik naar binnen om een andere vest aan te trekken en ze, tegen mijn vrouw, dat ik even zou meerijden naar Poperinge, maar dat we stellig thuis zouden zijn vóór het donker werd. Mijn vrouw gaf mij nog geld mee om, terwijl ik in Poperinge was, een nieuwe wintersjerp te kopen. Ze vroeg mij nog of ik wel mijn ‘papieren’ bij me had. Nadat ik dat had nagezien, reden we weg.

Het was nog redelijk kalm op de baan naar Krombeke. Slechts af en toe enkele vluchtelingen, die met een stootkar of enkel met een pak op de rug, ergens naar toe trokken. Reeds, bij het binnenrijden van Krombeke moesten we stoppen voor controle. Verder ging het goed tot aan De Lovie. Daar was er grote drukte van soldaten en we moesten zeer dicht langs de gracht rijden om voorbij een zeer lange kolomme soldaten te geraken, die op de baan stond. Daar moesten we opnieuw onze ‘papieren’ laten zien.

Hoe dichter wij Poperinge naderden, hoe meer de drukte toenam. Bij het binnenrijden van de stad moesten we opnieuw een controlepost voorbij. We reden tot aan de afdaal van de Pottestraat en stopten daar, omdat het te moeilijk werd om verder door te geraken. De straat stond vol legervoertuigen. Mijn kameraad besloot het eind tot in de Gasthuisstraat, waar hij naartoe moest, te voet af te leggen. Ik bleef bij het paard en zag meteen ook af van een wintersjerp te gaan kopen. Het duurde niet te lang vooraleer ik mijn makker met een groot pak onder de arm zag terugkomen. Ik zag dat hij gehaast was om met zijn rijtuig uit dat geweld weg te geraken. Langs dezelfde weg keerden wij terug en aan dezelfde posten moesten we opnieuw stoppen. Aan De Lovie was het kalmer geworden. Zonder verder oponthoud reden wij Krombekedorp binnen langs de Poperingestraat.

Aangehouden.
Maar ongeveer een paar honderd meter voor het kruispunt bij de kerk, zagen wij een groep vluchtelingen staan. We stapten uit om te vragen wat er gaande was en we vernamen dat een paar Franssprekende gendarmen grondig alle papieren controleerden. Terwijl wij daar stonden kwamen nog steeds mensen bij, zodat daar reeds een hele groep stond te wachten. Toen wij aan de beurt kwamen, gaf mijn kameraad eerst zijn ‘papieren’. Terloops moet ik zeggen dat hij ongeveer acht jaar ouder was dan ik. Die gendarm bekeek langdurig zijn papieren en gaf ze dan eindelijk met een onverstaanbaar gebrom terug. Toen kwam ik aan de beurt. Maar nog vooraleer hij mijn papieren goed had bekeken, snauwde hij mij van alles toe, waarvan ik geen woord verstond. Ik liet blijken dat ik geen Frans verstond maar toen begon hij nog meer te schelden. Ik werd ook nerveus en trachtte hem met woorden en gebaren te laten verstaan dat ik in de aanpalende gemeente woonde en geen vluchteling was. Maar niets kon baten, wij begrepen mekaar niet. Toen riep hij de tweede gendarrn, toonde hem, met veel kabaal, rrujn papieren en stapte driftig weer naar de andere vluchtelingen. Die tweede gendarm bekeek ook mijn papieren, snauwde ook iets wat ik natuurlijk weer niet verstond en gaf ze mij terug. Op dat moment riep die eerste gendarm iets en maakte driftige gebaren, zodat die tweede mij liet staan. Met gebaren vroeg ik hem of ik nu weg mocht, hij trok de schouders op en ging weg. Nu wist ik niet of ik weg mocht of moest blijven.

Achter die groep mensen, enkele tientallen meters verder, stond mijn kameraad bij zijn rijtuig te wachten en wenkte mij. Daar die gendarmen niet meer naar me omkeken, ging ik opzettelijk enkele stappen verder achter de mensen gaan staan, om te zien hoe zij zouden reageren. Er kwam geen reactie. Ik wachtte nog even en deed dan weer een paar stappen verder. Maar plots, als door een ongekende macht gedreven, stapte ik sneller naar het rijtuig toe. Ik besefte ongetwijfeld het gevaar niet van wat ik deed. Toen ik bijna bij het rijtuig kwam, hoorde ik mensen roepen en zag ik die beide gendarmen met getrokken wapen op mij afkomen. Ik stond als versteend. Onder een vloed van scheldwoorden, hield die eerste gendarm zijn revolver op mij gericht, terwijl ik door de tweede werd geboeid.

Onder bedreiging van hun wapen, deden zij mijn kameraad verder rijden. Ik werd tot aan de gevel van de herberg op de hoek, die ook dienst deed als gemeentehuis, geleid en daar vastgeklonken aan één van de ringen in de muur, die dienden om er de paarden aan vast te binden. Zij gingen terug gaan voort controleren alsof er niets gebeurd was. Maar nu besefte ik pas wat ik gedaan had. Ik hoopte nog iemand te zien voorbijgaan van Krombeke die mij kende, om hulp te vragen, maar het waren al vreemden, die mij bovendien met misprijzen aankeken.

Die controle was eindelijk gedaan en op dat moment kwam uit de poort van de koer achter het gemeentehuis-herberg een derde gendarm, die naar de andere toeging. Ik denk dat hij van hogere graad was, want na wat gepraat kwam die tweede gendarm mij losmaken en werd ik op de koer achter het gebouw geleid. Daar ontstond een hevige discussie onder hen en opeens hoorde ik het woord ‘espion’. Dat verstond ik en besefte meteen in welke gevaarlijke toestand ik terecht kwam. Ik deed een poging om met die derde gendarm te spreken, maar die eerste gendarm, die het steeds op mij scheen gebrand te hebben, schreeuwde dat ik moest zwijgen.

Ik moest mijn papieren afgeven en werd daar in de achterkeuken gebracht, waar een vierde gendarm achter een tafel zat. Er volgde een korte discussie en die vierde gendarm schreef iets op mijn ‘permis de séjour’ en gaf hem mij terug. Toen werd ik geboeid op straat gebracht en de twee eerstgenoemde gendarmen vertrokken met mij, te voet, richting Roesbrugge.

Ik was ten zeerste op mijn ongemak, omdat ik niet wist wat er zou gebeuren. Onderweg werd er niet met mij gesproken. Maar toen wij aan de ‘Wayenburg’ kwamen, ongeveer halverwege tussen Krombeke en Roesbrugge, ontmoetten wij een Belgisch officier te paard, die uit de richting van Roesbrugge kwam. Hij deed ons halt houden en scheen aan de gendarmen te vragen wat er met mij aan de hand was. Zij spraken Frans natuurlijk. Maar plots riep die officier smalend en in gebroken Vlaams, naar mij : ,,Ha, sal voyou, gij zegt de gendarmen zijn smeerlappen!’. Ik was woedend als ik dat hoorde en riep terug dat ik dat nooit gezegd had. De gendarmen trokken mij verder mee, terwijl die officier in het wegrijden riep : ‘Sale Flamand!’. ‘Bedankt meneere’, riep ik terug.

De duisternis begon te vallen toen wij Roesbrugge bereikten. Ik zag dat men in de richting van de plaatselijke gendarmerie ging en ik was opgelucht, omdat ik dacht daar beter geholpen te worden om vrij te komen. Maar niets was minder waar. Ik werd direct in het cachot opgesloten. Ik was er totaal kapot van. Algauw bracht een gendarm mij eten en het was toevallig een uit de plaatselijke brigade, die ik enigszins kende van zien. Ik zei hem wie ik was en vroeg hem toch iets te willen doen om mij te helpen. Maar hij schudde het hoofd en zei: ‘Wel man, wij hebben hier niets meer te zeggen, wij mogen zelfs onze mond niet meer opendoen!’ Tijdens de nacht deed ik geen oog dicht.

’s Morgens werd ik al vroeg eten gebracht en ik hoopte dan men mij allicht zou vrijlaten. Maar ik werd gehaald en geboeid en te voet door Roesbruggedorp naar de Beverenkalsijde gebracht op de binnenkoer van de suikerbakkerij M. Dehaeck. Ik denk dat het daar een soort hoofdkwartier was, want er stond een schildwacht aan de ingang en er was een heen en weer geloop van gendarmen en militairen. Terwijl ik daar stond, begon opnieuw een luidruchtige discussie. maar dit duurde niet lang, men deed mij in een voertuig stappen en reden in de richting van de grens. Aan Oost-Cappel gekomen, reed men de grenspost over en ongeveer aan het kerkje moest ik uitstappen en werd zonder meer vrijgelaten. Zeer verbaasd, maar tevens kontent, zag ik ze wegrijden.

Vrij en weer aangehouden
Terwijl ik daar stond te kijken naar de trafiek van auto’s op de baan, begon ik te bedenken hoe ik zo vlug mogelijk thuis kon geraken. In ieder geval niet langs de grote baan. Ik kende de streek goed en maakte gauw mijn plan. Aan het pleintje bij de kerk nam ik de weg in de richting van Killem-Linde. Ik wist dat ik onderweg een binnenweg kon vinden, langs waar ik te Beveren aan de ‘haegedoorn’ zou kunnen geraken.

Vandaar zou ik langs de ,,Hoge Seine’ naar de baan bij de molen afdalen. Daar zou ik, ongezien, de baan trachten over te steken en dan dwars door de velden, aan de vaart (IJzer) trachten te geraken. Ik wist dat daar ergens een schuit lag om over te varen. Vandaar kon ik, langs de kerkwegel uitkomen aan het begin van de West-Sluisstraat, in de Krombekestraat op; honderd meters van de herberg ‘St. Jozef’, waar mijn schoonouders woonden (nevens waar thans ‘Het Nachtegaaltje’ is).

Onderweg had ik wel willen lopen, maar ik durfde niet uit vrees dat ik zo soms de aandacht zou trekken. Maar eens op de binnenweg naar de ‘Haegedoorn’ ontmoette ik niemand en bereikte zo de ‘Hoge Seine’. Ik daalde af naar de baan bij de molen en bleef aan de gevel van de herberg daar even uitblazen (nu garage Declerck). Ik was zeer nerveus, maar toen het een ogenblik kalm leek op de baan, trachtte ik zo onopgemerkt mogelijk de baan over te gaan. Maar op het ogenblik dat ik van achter de hoek kwam, gebeurde het onvoorstelbare … Ik stond weer oog in oog met de twee zelfde gendarmen die mij in Krombeke hadden aangehouden.

Ik schrok zo geweldig, dat ik niet de minste reactie had. Ik was al weer geboeid en onderweg naar de Beverenkalsijde, vooraleer ik goed besefte wat er gebeurd was. Ik werd weer op de binnenkoer geleid en moest daar op een bank gaan zitten. Die gendarmen gingen naar binnen en wat later kwam een andere gendarm buiten en maakte mij los. Hij zei niets, maar stak een vermanende vinger op, terwijl hij naar de schildwacht wees, die aan de ingang stond, om te beduiden dat ik niet mocht pogen te vluchten. Het was toen rond de middag, want men bracht mij een schotel met eten en drank.

Na daar nogal lang gezeten te hebben, misschien wel een uur, kwamen twee gendarmen naar buiten die ik nog niet gezien had. De eerste begon mij aan te spreken in het Frans natuurlijk, maar de tweede vertaalde in het Vlaams wat hij zei. Zo kreeg ik te horen dat ik seffens weer over de grens zou worden gezet, omdat ik aanzien werd als ‘verdacht persoon’.

Dat ik geen tweemaal mocht pogen terug over de grens te komen, want dat ik dan zou aanzien worden als spion en bij aanhouding naar Engeland in een kamp zou terecht komen. Hij vroeg nog of ik het al goed begrepen had. Ik knikte maar had niet de minste goesting meer om nog iets te zeggen of te vragen. Alles ging dan snel. Juist als de eerste keer werd ik weer de grens overgezet. Maar nu reed men ongeveer tot aan de ‘Vijfweg’.

Zonder meer werd ik weer losgemaakt en stond ik daar. Waar moest ik naartoe? Zonder doel volgde ik een klein groepje vluchtelingen, die in de richting van Rexpoëde gingen. Zij spraken Vlaams en ik hoorde dat zij naar Bergues gingen, waar ze met de trein voor vluchtelingen naar Calais zouden kunnen. Maar toen ik Bergues hoorde vernoemen, schoot het mij plots te binnen dat ik daar een tante wonen had. Dat zou mijn redding kunnen zijn! Ik besloot meteen van daar naartoe te gaan, om van daaruit mijn thuis trachten te verwittigen en verder te zien hoe ik mogelijk thuis zou geraken. Ik begon dapper door te stappen, want het was nog een geheel eind tot aan Bergues.

Bij het ingaan van Bergues moesten wij weer voorbij een controle. Ik zag het omdat daar weer enkele mensen stonden Ie wachten en ik voelde mij weer niet op mijn gemak. Daar hoorde ik weer over een trein voor vluchtelingen spreken, maar luisterde niet verder omdat ik nu van plan was naar mijn familie te gaan. Daar ging die controle zeer vlug. Bij de doorgang aan een gebouw stonden twee schildwachten. De ene bekeek de papieren en de tweede deed de mensen vlug doorschuiven. Ik kwam aan de beurt. Maar zodra hij mijn ‘permis de séjour’ had bekeken, ging hij even binnen in het lokaal.

Bijna onmiddellijk kwam hij weer buiten en zei iets tot de tweede schildwacht. Die nam mij simpelweg bij de arm en leidde mij in een aanpalende zaal binnen, waar een hele groep mensen samen waren. De enen stonden of zaten luid ondereen te praten, terwijl anderen, als wezenloos zaten te kijken. Het was een mengeling van alle slag van mensen; sommigen in werkerskleren, anderen slordig en onverzorgd alsof ze al dagen op den dool waren.

Ik verstond nu totaal niet meer wat er met mij gaande was! Het was al Vlaams dat men daar sprak en naar ik kon verstaan, waren ze ook ergens onderweg naar de grens of in het veld opgepakt. Zo waren er twee broers van minder dan twintig jaar, die zeiden in Woesten te zijn opgepakt geweest. Zij toonde hun ‘permis de séjour’ en daar hadden de gendarmen opgeschreven: ‘vagabond’. Als ik dat zag, herinnerde ik mij dat men in Krombeke ook iets op mijn ‘permis de séjour’ had geschreven. Nu besefte ik dat dat de oorzaak was dat ik daar terecht kwam. Daar hoorde ik dat wij ergens naar een werkkamp zouden gebracht worden.

Nog dezelfde avond werden wij, onder bewaking op een trein naar Duinkerke gezet, waar we moesten uitstappen en met een andere overvolle trein, ’s nachts in Calais aankwamen. Onze groep werd naar de haven gebracht, waar we vernamen dat we zouden worden ingescheept. Inderdaad, de boot vertrok nog dezelfde nacht. Niernand wist te zeggen waar we naartoe gingen. Hoeveel dagen wij hebben gevaren weet ik niet, maar er werd gezegd dat wij, langs de Loire, naar Lapalisse zouden gebracht worden. Na een tijd kwam wij daar aan in een soort kamp. We werden in groepjes van vijf verdeeld.

Bij mijn groepje waren twee mannen van Gullegem. Tot nu toe had iedereen zich nogal afzonderlijk gehouden, maar nu we maar met enkelen bijeen waren, begon elk over zijn eigen wedervaren te vertellen. Die twee van Gullegem waren van hun werk weggevlucht voor de oprukkende Duitsers. Zij hadden geen papieren bij en werden onderweg met andere vluchtelingen, ongeveer in dezelfde omstandigheden als ik, aangehouden.

Weer onder bewaking vertrokken we opnieuw met de trein. Langs Bayonne arriveerden wij laat in de namiddag in Biarritz. Daar werden wij onmiddellijk naar een rotsachtig gebouw gebracht vlak bij de zee. Door een getralied venster konden we zien hoe torenhoog de golven sloegen. Het was indrukwekkend om zien. Alhoewel wij allen doodvermoeid waren konden we niet slapen, deels door emotie, alsook door het geluid van de slaande golven. Wij lagen op britsen met een deken erover. Het was daar vochtig maar niet koud.

De volgende morgen werden we vroeg gewekt en er werd ons aan het verstand gebracht dat wij dadelijk aan het werk zouden gezet worden. Met een grote kar bespannen met twee paarden, moesten wij, met nog anderen, ’s morgensvroeg de vuilnisbakken gaan ledigen in Biarritz. Dat deden we driemaal per week en de andere dagen was dat helpen laden en lossen aan de haven.

Wij kregen goed te eten en waren soms ’s namiddags vrij, maar moesten binnen blijven. Daarvan maakte ik gebruik om gazetten en blaadjes in te kijken, die ik bij het ophalen van de vuilnis had gevonden. Er waren er bij waar korte berichten in stonden voor de vluchtelingen, met de vertaling in het Vlaams en zo trachten wij onder mekaar te begrijpen wat elke zin in het Frans in onze taal betekende. Zo kon ik vernemen dat de Duitsers aan de IJzer tot staan werden gebracht. Maar hoe het was achter het front, bij ons, vernamen we niet. Na een tijd kwamen wij te weet dat het langs een ‘Dienst voor Vluchtelingen’ mogelijk zou zijn om naar huis te schrijven, maar een adres kenden we niet.

Reeds in het voorjaar was het zeer mooi weder en wij werden naar de bergen in de omgeving van Bayonne gebracht, waar we op de hellingen geiten en schapen moesten hoeden. Wij waren daar met verschillende anderen, waaronder Italianen, die zwart zaten van de platluizen. Die lagen de ganse dag met hun bloot bovenlijf in de brandende zon, luizen te kraken. Hun drank stak in een zak bekleed met geitevel, en die spoten ze zo in hun mond door op die zak te drukken, terwijl zij op hun rug bleven liggen.

Het was in het begin van juni 1915 toen wij op een landbouwbedrijf in de buurt van Biarritz aan het werk werden gezet. Omdat wij ons werk goed deden, werder, wij daar weldra graag gezien. We kregen goede kost en nog zakgeld. Ik kon al redelijk goed mijn plan trekken en mij in het Frans laten verstaan. Zo kon ik daar vertellen wat mij was overkomen. Ik vroeg ‘ of ze soms iets voor mij zouden kunnen doen, om ergens aan het adres van de ‘Dienst voor Vluchtelingen’ te geraken. ‘La Patronne’, zoals men ze noemde, zou daarover inlichtingen trachten te krijgen. Wij waren daar al bijna twee maanden. Ondertussen wist ik al wat de tekst die men in Krombeke op mijn ‘permis’ had geschreven betekende: ‘Renvoyé de la Belgique par cause de comportement suspect’.

Op het einde van juli kwam er plots verandering. Wij zouden naar Parijs worden overgebracht, om daar te gaan werken. Wij vertrokken daar met spijt van beide zijden. Men had ons er graag gehouden tot het einde van de oorlog. In Parijs aangekomen, werd ik samen met Thuur Roseel van Gullegem aan het werk gezet in een fabriek van meststoffen. We kregen daar zwaar werk waarvoor we betaald werden en logeerden in een gebouw niet ver van de fabriek. Wij werkten daar reeds enkele maanden, toen zich daar op een voormiddag een zware ontploffing voordeed waarbij doden vielen. Ik en Roseel werkten toen in de nachtploeg, zodat wij niet in de fabriek waren. Er werd beweerd dat er een bombardement was geweest, daar men vliegtuigen boven Parijs had gehoord en gezien.

Kort nadien kregen wij samen ander werk. We moesten naar de fabriek van Renault. Daar moesten wij helpen aan delfwerken voor nieuwe gebouwen. Daar vernamen wij dat onze zaak nagezien en geregeld was. Wij waren nu vrij, kregen een speciale kaart en een groene armband, die we verplicht waren altijd te dragen. Die band betekende dat wij in dienst waren van het Belgische Leger en weldra naar een oefenkamp zouden gestuurd worden voor opleiding om naar het front te vertrekken. Daarop kreeg ik langs het Consulaat om, nieuws van thuis en van dan af wist men waar ik was.

De plaats waar ik toen werkte was Boulogne-Billancourt en ik was op logement in een klein hotel aan de Place d’ltalie, dat vanaf het einde 1915 tot januari 1917. In dat jaar heb ik veel van Parijs gezien en met de taal had ik geen last meer.

Op 1 februari 1917 kreeg ik mijn oproepingsbevel om te vertrekken naar het oefenkamp van Pariny-Levêque voor opleiding. Toen ik daar aankwam, zag ik daar, tot mijn grootste verbazing, Jozef Cornelis van Stavele, die daar adjudant-instructeur was. Van hem vernam ik meer nieuws over Stavele. Hij zou algauw weer naar het front moeten vertrekken.

Ik werd ingedeeld bij het 7° Regiment Artillerie 1° Batterij Mortiers Schneiders. Na vier maanden opleiding vertrokken wij naar België. Met legervoertuigen werden wij, langs Duinkerke naar de Belgische grens gebracht. Het was een ontroerend moment voor mij, toen ik weer in een legervoertuig over de grens trok, maar nu in omgekeerde richting. Langs Hondschote reden wij naar Houtem en van daar naar Alveringem-Fortem.

Reeds op 9 mei 1917 werden wij ingezet aan de Dodengang bij Diksmuide. Later in de sectoren bij Steenstraate, Merkem, Noordschote, waar het er dikwijls hevig aan toe ging. Ik heb toch het geluk gehad, later dan sommigen van mijn klas aan het front te komen en ben er zonder lichame- 1 ijke letsels door geraakt. Op 11 december 1917 werd ik nog van regiment veranderd. Dan was ik bij het 1° Regiment Artillerie 2° groep 46° batterij.

Einde september 1918 begon het eindoffensief en wij beleefden tijdens die anderhalve maand naar het einde toe, nog veel gevaarlijke momenten. Maar het geval waarbij ik wel het meeste schrik heb doorstaan, gebeurde enkele dagen vóór de wapenstilstand. We lagen al ergens in de omgeving van Deinze. Ik was van dienst als fourier en toen het donker werd, moest ik, met paard en kar, het eten (vivers) naar de eerste linie brengen. Die lag naar schatting een paar kilometer vóór ons. Ik reed langs een holle veldweg, op de zachte berm, om met het paard en de kar zo weinig mogelijk geluid te maken, om niet door de Duitsers gehoord te worden. Ik wist bij ondervinding dat het minste geluid zo dicht bij de eerste linie voldoende was om onmiddellijk een mitrailleurvuur te doen losbarsten.

Het was zo ongewoon stil. Enkel in de verte hoorde ik af en toe een paar schoten. In de voormiddag hadden we iets gehoord over een nakende wapenstilstand. Terwijl ik daaraan dacht, besefte ik plots hoe gevaarlijk ik daar liep als schietschijf voor de vijand. Ik werd nerveus en porde het paard aan om sneller te gaan. Maar na een moment kwam ik plots met paard en kar op een strook kalsijdeweg, met als gevolg een knetterend geluid van de hoeven van het paard en het ijzeren beslag van de karrewielen. Meteen barstte van de overkant de hel los. Er werd geschoten en teruggeschoten van onze kant. De kogels floten vlak boven me en het paard stormde vooruit met de kar die geweldig op en neer botste op de straatstenen. Met veel moeite kon ik de teugels in de hand houden en er scheen geen einde te komen aan dat stuk kalsijdeweg.

Eindelijk geraakte ik weer op een veldweg en na een poos viel het mitrailleren stil. Hoe ik zelf noch het paard niet werd getroffen, heb’ ik altijd als een wonder aangezien. Meermaals had ik zulke schietpartijen meegemaakt, maar dan zaten we in een loopgraaf of achter een beschutting. Lekkend van het zweet kwam ik bij de eerste linie aan. Maar daar stelde ik ontsteld vast, dat ik een paar zakken met broden onderweg verloren had, doordat het achterberd van de kar, door het geweldig daveren op de straatstenen, was opengeslagen. Dat moest in de laatste honderden meters gebeurd zijn en met een paar man zijn we ze dan gaan zoeken en hebben ze teruggevonden.

Enkele dagen later was het werkelijk zover. ’s Morgens kwam onze luitenant het zeggen in de schuilplaats waar we zaten. ‘Jongens, ’t is gedaan!’ zei hij … ‘om 11 uur is het Wapenstilstand … wees nu voorzichtig, dat er niets meer gebeurt, want er wordt nog geschoten!’ We konden het haast niet geloven! Maar de vreugde en de ontorering beschrijven toen om 11 uur over al de linies de klaroenen bliezen, was onmogelijk. Ons regiment trok doe dag door Gent, waar het zwart was van het volk.

De oorlog was nu voorbij, maar van demobilisatie was er nog geen sprake voor ons. Ons regiment trok, na enkele dagen rust, naar Keulen, voor de bezetting van het Roergebied. Daar heb ik ontzettend veel ellende gezien onder de gewone mensen. Groot en klein die kwam bedelen om een stuk brood. Voor hun Duitse marken konden ze niets krijgen. Maar daar heb ik ook gezien hoe sommige Belgische soldaten onzinnige baldadigheden pleegden op weerloze burgers en op laffe wijze hun ellende uitbuitten. Daar stelde ik vast dat er in alle legers bandieten zijn. Nadat ik acht maanden die toestanden had meegemaakt, werd ik op 26 juli 1919 gedemobiliseerd. Na onderweg nog een dag bij familie in Brussel te hebben doorgebracht, kwam ik op 28 juli eindelijk weer thuis. Tot daar het verhaal van mijn vader.

Nabeschouwing
Ik was bijna zeven jaar geworden, toen mijn vader uit de bezetting van het Rijngebied terug thuiskwam. Vanaf de dag dat hij vertrokken was, in het begin van de oorlog, was ik bij mijn grootouders, langs moeders zijde, die toen in de herberg ‘St. Jozef’ te Stavele woonden, ondergebracht. Bijna vijf jaren lang hadden ze angstvallig voor me gezorgd, terwijl mijn moeder uit werken ging. Dag en nacht waren zij bij mij, tijdens de vele bange momenten van alarm en beschieting. Niet te verwonderen dat ik zeer aan hen gehecht was.

Die thuiskomst van mijn vader zal ik mij altijd blijven herinneren. Die man in soldatenkleren, die wij daar in de Dorpsstraat zagen aankomen en mijn moeder die er naartoe liep, terwijl mijn grootouders met mij volgden. De blijdschap bij hen van het weerzien. Ik stond er eerder verlegen bij, want ik was eigenlijk de enige die de man niet kende. Ik had een gevoel van weemoed omdat ik besefte dat ik nu niet langer bij mijn grootouders zou mogen blijven. Maar met de feestvreugde van die dag ging dat nogal vlug over.

Maar de feestvreugde kon echter niet lang blijven duren. Zoals alle afgedankte soldaten, stond ook mijn vader, van de ene dag op de andere, weer in het vroegere gezinsleven. Daar was de eerste bekommernis, zo spoedig mogelijk ergens aan werk te geraken, want van werklozensteun of sociale voorzieningen was er in die jaren nog geen sprake. Maar waar was er op dat ogenblik werk te vinden? Het kan sarcastisch klinken maar de plaats waar enkelen van het dorp, waaronder ook mijn vader naartoe trokken, was terug naar de frontstreek, waar ze amper een jaar voordien nog in gevechtstellingen lagen …

Iedere dag vertrokken ze samen, van ’s morgens vijf uur met de fiets. Ploeterend door de modder van stukgeschoten wegen, deels over passerellen door verzopen land, naar de streek van Steenstraate, Bikschote of Merkem. Daar gingen ze puin ruimen of delfwerken verrichten voor het begin van de wederopbouw. Na tien uren zwaar zwoegen keerden ze dan, nat en beslijkt, langs dezelfde ellendige wegen terug naar huis. Zo was dat iedere dag, zes dagen in de week, in de winter 1919-1920.

De beloning voor de vijf mooiste jaren van hun jong leven, die ze hadden geofferd, was zeer klein. Maar de ontgoocheling en de bitterheid was bij velen des te groter. Dat waren de naweeën van die oorlog, waarover nog veel te vertellen is. Maar dat is een ander verhaal.

Romain Depuydt in ‘De Ijzerbode’ van 1992

Article Categories:
vergeten geschiedenis
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *