Plunderen. Het is een gemakkelijk woord om neer te pennen. We proberen ons in te leven wat die plunderingen effectief betekenen voor het Vlaamse volk dat zich gesetteld heeft en hard werkt om een voor die tijd menswaardige levensstandaard op te bouwen en hun bestaan nu bruusk verstoord ziet door die woeste en meedogenloze baardmannen van wie ze niet eens de taal begrijpen en die het gemunt hebben op hun leven en op hun schamele bezittingen.
Een ongegeneerde en verschrikkelijke terreur moet het geweest zijn. Plunderingen dus en de Noorse invasies herhalen zich zowat om de 5 jaar. De terreur houdt meer dan een eeuw aan. Beeld u dat eens in; tot aan 925 riskeren de bewoners, tot diep in het binnenland, van het ene moment op het andere slachtoffer te worden van de Vikingse roofmoorden. Karel de Grote probeert zich natuurlijk te wapenen tegen de drieste aanvallen. In 810 installeert hij te Gent een grote vloot die de kusten zou moeten beschermen.
In 811 komt hij poolshoogte nemen op het strand van Boulogne, bezoekt hij Wissant en zowat de hele kuststreek, waar hij versterkingen laat aanleggen en de defensie organiseert. Vooral de rijke abdijen zien zich bedreigd door het Noorse crapuul. Het valt niet te verwonderen dat de geestelijken ruim hun steentje bijdragen bij de verdedigingswerken van ‘Charlemagne’. Ingelram en Odoacer, de forestiers van Vlaanderen, organiseren zich zo goed en zo kwaad als ze kunnen, om de diefstallen van de Noormannen te verijdelen.
We zien het aan de heropbouw van meerdere kerken en vooral van bouwvallige forten die de Hunnen al enkele eeuwen geleden hadden verwoest. Hier en daar wordt tijdens de eerste jaren wel wat succes geboekt met die nieuwe Frankische verdedigingsmaatregelen. Beetje bij beetje echter, verwatert de defensie. Er is vooral niets te doen aan een nieuwe inval vanuit Friesland, waar de Deen Godfried met 200 schepen aanlegt en nog eens karrenvrachten Noormannen gedropt worden aan de Vlaamse kusten. Huizen en boerderijen worden in brand gestoken tot aan de oevers van de Seine.
De Franken in de noordelijke provincies voelen zich in de streek gelaten door hun eigen volk. Waar blijft de hulp? Hun eigen koning zoekt hulp en slaat zelf aan het onderhandelen met de Noormannen. Op een bepaald moment laat hij zelfs zomaar het hele platteland ten noorden van de heuvels van Terwaan over aan hen.
Ze mogen plunderen en verwoesten wat ze maar wensen. Naar hartenlust! Zolang ze de zuidelijke gebieden maar met rust laten. Vlaanderen wordt in de steek gelaten. Niets zal ooit nog hetzelfde zijn. Hier en nu vinden de Guldensporenslag van 1302 en de eeuwen lang aanslepende conflicten tussen Vlaanderen en Frankrijk hun oorsprong. In 842 spoelen de Noormannen via het Friese Katwijk de Morinische kustlijn binnen. De pagi Mempiscus en Flandrensis zullen het geweten hebben. Nieuwpoort, Zuydcoote, Mardyck, Sangatte, Wissant, Boulogne en Quentovic worden zwaar geteisterd en vernield.
Het gerucht van de barbaarse inval verspreidt zich als een lopend vuur naar het binnenland. De bevolking is dodelijk verschrikt en vlucht weg voor de dreigende ravages. Ze verlaten in paniek hun steden en hun kloosters. De kerken worden achtergelaten. Ze reppen zich met man en macht naar Sithiu, dat in de 7de eeuw nog Hebbingeham noemt en later zal omgedoopt worden in St.-Omer. Sithiu geldt in die dagen als een belangrijke versterking. Ze verschuilen zich hier met al hun kostbaarheden. De kerkschatten en de relieken van de heiligen worden angstig verborgen gehouden voor de grijpgrage handen.
Niet alles kan in veiligheid gebracht worden in St.-Omer. De geestelijken verstoppen hun overvloedige rijkdommen in uitgegraven depots onder de grond. In Villers-Plouich, in de buurt van Arras, wordt een galerie van 24 kamers uitgehakt in de stenen. In Bellinghem wordt een complex en verschillende verdiepingen tellend onderaards netwerk van gangen en overwelfde kamers aangelegd. In Hermies ontdekken spelende kinderen in 1840 een ondergrondse ruimte (l’énigme des muches) die bestaat uit acht straten en zowat achthonderd cellen.
De raids volgen elkaar op. In 845 steken de Noormannen de abdij van Sithiu in brand. Lodewijk de Duitser, kleinzoon van Karel de Grote onderhandelt koortsachtig met de Deense koning Erik om tot een vredesbestand te komen dat er uiteindelijk ook komt in 847 met het verdrag van Meerssen. De Frankische koningen proberen de Vikingen te paaien door hen grote grondgebieden in leen aan te bieden. Maar wat baat het allemaal?
Het gevaar komt vooral vanuit Nederland waar de Deense broers Harald en Rorik de scepter zwaaien. Na de dood van Harald verbreekt Rorik zijn overeenkomst en maakt hij goede vriendjes met zijn neef Godfred Haraldson. In 850 duiken hun troepen opnieuw op aan de mondingen van de Schelde en de Seine. De gouw van Mempiscus en de regio van Terwaan hebben het weer zweten. In 853 geeft Karel de Kale de opdracht om een inventaris op te maken van de aangerichte schade.
Adelard en Wala, de abten van Sithiu en Corbie, maken deel uit van het onderzoeksteam. Ze omschrijven de toestand in onze regio als volgt: ‘helaas, deze vuile oorlog heeft ons leger verwoest, er wonen noch amper mensen in onze steden en de schaarse achtergebleven inwoners hebben hun kracht en hun moed verloren.
Het krioelt van de vreemde snuiters die er voor hebben gezorgd dat de bevolking zo goed als uitgeroeid is. Het aantal in brand gestoken dorpen en steden is amper te tellen.’ In 856 wordt Parijs een tweede keer aangevallen door de Noormannen. Nieuwpoort krijgt opnieuw bezoek in het jaar 861 wanneer de reusachtige vloot van aanvoerder Weland er voor anker gaat. Een ooggetuige vertelt dat de zee bedekt is met schepen. Precies een woud van masten waar het krioelt van vervaarlijk uitziende mensen. Zeg maar roofdieren. De horde verspreidt zich over het land en volgt de loop van de Ijzer. Overdag houden ze zich schuil en ’s nachts trekken ze verder richting Sithiu waar de rijkdom hen toelacht. Onderweg steken ze de abdij van Wormhout in brand. In de vroege morgen van de zaterdag voor Sinksen bereiken ze hun doel. In het klooster zijn er maar vier geestelijken overgebleven.
Priester Worard is de oudste. Hij wordt bijgestaan door de diakens Winetbold en Gerwald en de jonge Reginhard. Samen wachten ze onverstoorbaar op de komst van de barbaren. Ze weigeren om te antwoorden op de vraag waar de kostbare relieken zich bevinden. Er komt foltering bij te pas. Maar ze blijven zwijgen. Worard en Reginhard worden doodgemarteld. De andere twee kunnen ontkomen. Het is de voorbode van nog meer geweld. Heel Morinië wordt het slachtoffer van brandstichtingen. Terwaan wordt met de grond gelijk gemaakt. Bisschop Humfrid ziet het niet meer zitten en wil er de brui aan geven maar paus Nicolas kan hem overtuigen om te blijven. St.-Valery, Amiens en St.-Quentin vallen ondertussen ook al ten prooi van de woestelingen.
Karel de Kale kan ze uiteindelijk tot staan brengen met de belofte van 3.000 zilveren ponden, maar nog voor dat het geld klaar is, eist Weland al 5.000 ponden. En ook hele kuddes vee en graan moeten ze hebben. In het eens zo machtige rijk van Karel de Grote, heerst een nooit geziene chaos en desorganisatie. En wees er maar gerust van dat de Noormannen dat in de gaten hebben. In 863 schenkt Karel de Grote Vlaanderen en Artesië aan zijn dochter Judith en wordt zijn schoonzoon Boudewijn met de Ijzeren Arm de leenheer van het nieuwe Vlaanderen. Hij krijgt de opdracht om te waken over Vlaanderen. Een bijna onmogelijke opdracht. Hier en daar bouwt hij versterkte burchten. Ook in Bergues en Dunkerque.
–
Uit deel 4 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


