De naam ‘franchise’ betekent ‘vrijstelling’, vrijdom van belasting. De vrije stad Valenciennes staat ook bekend als ‘Frankeville’. De Vrijlaten van het Brugse Vrije staan in het Latijn omschreven als ‘franco natus’, zeg maar vrijgeboren. Er is ook nog het verschil in haardracht tussen de Franken en de Laten. De onderworpen Germanen zien zich verplicht om hun haar kort te knippen. Zo kan er op het eerste zich al een onderscheid gemaakt worden met hun vrije rasgenoten. De term ‘Franken’ wordt voort nog omschreven als ‘Francigenus’ die vermoedelijk kan omschreven worden als ‘vrijgeborene’.
De naam ‘Franken’ wordt voor het eerst genoemd naar aanleiding van een aanval op het legioen ‘Sexta Gallicana’ te Mainz. De datum staat niet helemaal vast maar zeker niet vroeger dan het jaar 241. De aanval komt er na een hele periode van rondzwerven in Gallië. In het jaar 277 komt de naam ‘Franken’ al frequent voor aan de Neder-Rijn. Vermoedelijk is de naam ontstaan in de buurt van Keulen. Deze grote grensstad is in het bezit van de Romeinen en die laten de lokale Germanen mits enkele voorwaarden toe om de markt in Keulen te bezoeken.
Zo moeten ze ongewapend zijn, dienen ze hun toegang te betalen en zich laten begeleiden door een gewapende Romeinse begeleider. Een mix van Germaanse stammen wordt er door de Saksen verdreven en verhuist naar het eiland van de Bataven waar ze na het nodige bloedvergieten hun thuis vinden. Dat gebeurt allemaal tussen de jaren 280 en 310. Met dat eiland van de Bataven worden grote delen van Nederland bedoeld en onbewust moet ik denken aan de dialectische omschrijving van ‘vechten’ als zijnde ‘batavieren’.
De Franken en de Saksen werken in latere tijden naar verluidt goed samen en deze wetenschap mag niet onderschat worden. Tussen 252 en 260 plunderen de Franken de Gallische kusten tot in Spanje en Afrika. Tarragona kan er van meespreken.
Van een stabiel Romeins rijk is er dan al lang geen sprake meer. Postumus, de keizer van Gallië, streeft tussen 258 en 268 naar een onafhankelijk Gallo-Germaans keizerrijk. In zijn strijd krijgt hij de hulp van de Franken. Dat Postumus zelf een zuivere Germaan is en zijn carrière opgebouwd heeft in het Romeins leger, toont aan dat de zogezegde Romeinen dan al een amalgaam zijn van diverse rassen en zeker niet alleen maar Italianen. Na Postumus’ dood ontstaat er een grote wanorde in Gallië. In 275-276 komt er een grote inval van Germanen.
Gallië valt zo goed als helemaal in Duitse handen. Nog voor het jaar 280 herovert keizer Probus de 60 civitates van Gallië, doodt daarbij 40.000 Germanen en wordt de rest tot aan de overkant van de Neckar en de Elbe verjaagd. Achteraf bezetten de Romeinen Keulen, Tongeren en Maastricht als strategische plaatsen. Vreemd genoeg zijn hun eigen legioenen daar niet echt te betrouwen. Zowat alle vroegere Germaanse volkeren hebben hun plaats gevonden in het machtig Romeins leger.
Velen van hen hebben het tot officier geschopt. De tienduizenden gesneuvelde Germanen hebben dat feitelijk te danken aan hun rasgenoten. Tot aan de jaren 300 blijft het gemengde Romeinse leger geplaagd met de oorspronkelijke Franken. De lijst van veldslagen is eindeloos, de gevechten strekken zich uit van het westen tot het oosten en van het zuiden tot het noorden. De aanhoudende strijd tegen de Franken zorgt ervoor dat veel inwijkelingen er de dupe van worden en hun vrije status verliezen.
Dat is het geval in Trier waar keizer Maximianus tijdens het jaar 293 de lokaal gevestigde Franken gevangen zet. Rond 343 doet zich hetzelfde scenario voor in het gebied van de Serviërs. Keizer Constantius degradeert de lokale Germanen tot de horige status. Dat geschiedt in Amiens, Beauvais, Troyes en Langres. Tezelfdertijd worden er Alamannen, Longobarden en vooral Sarmaten aangevoerd om de ontvolking tegen te gaan. Druppels op een hete plaat. Tegen dan is het zogezegd ‘Romeinse’ rijk volledig geïnfiltreerd door Germaanse kolonies en winnen die zowat elke dag aan invloed in het grote ‘rijk’.
Rond het jaar 300 reikt Germania Superior tot aan Lyon. Germania Inferior heeft al heel wat aan territorium ingeboet en probeert dat verlies in te boeten door overnames in het zuiden. De Franken in het latere Nederland hebben zich via een staatsgreep meester gemaakt van het noorden en beschouwen zich daar al als een onafhankelijke Frankische staat. En de druk op de Romeinse ketel blijft aanhouden. Keizer Constantijn krijgt in 306 te maken met plunderende Franken aan de kust van Spanje en Gallië waar ook de Saksen zich in mengen.
In 370 worden Saksische zeerovers die Brittannia bedreigen verslagen door keizer Theodosius. Toch zijn alle militaire overwinningen en consolidaties door de Romeinen altijd van tijdelijke aard en blijven de aanvalsgolven aan de kusten en de Rijn maar doorgaan. De noordelijke verdedigingslinie van de Romeinen in Gallië loopt in 297 al over Bonen, Cassel, Doornik, Bavay en Tongeren. Het is de tijd van Diocletianus. Meteen een schoon bewijs dat alles ten noorden al niet langer Romeins grondgebied is.
De streek van het latere Vlaanderen en Nederland is dan al bewoond door de ‘verbondenen’, zoals de Frankische vorsten te Xanten en Nijmegen. Belgica I en zijn hoofdstad Trier bestrijken dan het gebied van de Moezel en Boven-Maas. Belgica II met hoofdstad Reims omvatten dan o.a. de gebieden van de Remi, Suessiones, Veromandui, Atrebates, de Nervii, de Tornaconses, de Belvaci, Morini, Bononensis en de Menapii. De Morinen en de Menapiërs zijn natuurlijk van belang voor de Westhoek.
Ook de regio’s van Boulogne en Doornik spelen hun rol. Met een grens die loopt van Boulogne en Cassel tot Doornik lijkt het duidelijk dat er noordelijk van dit gebied al geen Menapiërs meer wonen. Historicus Claerebout ziet daarvan een bewijs bij de herinrichting van de bisdommen in de jaren 400. De vroegere pagi en volksgrenzen zijn niet meer zoals ze vroeger waren. De oude civitas Tornacensium (Doornik), het gebied van de Menapiërs, omvatte al sinds jaar en dag vijf gouwen.
Vier daarvan; Tornacensis (Doornik), Cortoriacensis (Kortrijk), Flandrensis (Vlaanderen) en Gandensis (Gent) hangen voortaan af van het bisdom van Noyon. Terwijl de vijfde gouw, de pagus Mempiscus nu afhangt van Terwaan en van de Morinen.
Ik vind het best boeiende geschiedenis. Oude middeleeuwse akten leren me nog wat meer. Onze contreien moeten ingedeeld geweest zijn in twee gebieden met hun eigen bevolkingsgroepen. De ‘pago Mempisco sive Gandense’ laat veronderstellen dat het gebied tot aan Gent nog in handen is van de Menapiërs. Daarnaast is er sprake van de ‘pagus Terwanense infra Mempiscam’ die dus slaat op het gedeelte dat door Terwaan gecontroleerd wordt. Er wordt hierbij ook gesproken van de ‘pagus Flandrensis’ die hier voorgesteld wordt als een smal kustgebied dat loopt van Brugge tot Duinkerke.
Het gebied ten noorden van Brugge is dan in de handen van de Friezen gevallen en ressorteert daardoor nu onder het bisdom van Utrecht. De pagus Flandrensis kan op dat moment in de tijd het oude grondgebied van de Marsacii zijn waarover Plinius het enkele eeuwen geleden had. De Marcacii heten voor ons de Marezaten. De Latijnse naam Mosa laat een link vermoeden met de streek van de Moezel. Nog even het frame van de tijd preciseren. Keizer Constantijn is de man die in 313 een einde maakt aan de Romeinse vervolgingen en er voor zorgt dat de nieuwe christelijke religie nu ongestoord zijn intrede doet in al zijn gebieden.
Door zijn toedoen wordt Gallië heringedeeld conform de nieuwe toestand. Gallië is voortaan een prefectuur met 17 provincies. Constantijn kan zich twee decennia lang alleenheerser noemen van het grote Romeinse rijk. Na zijn dood zal de macht gedeeld worden door zijn zoon Constantinus en zijn jongere broer Constans die het westelijke rijk vanaf 333 gaat besturen.
Dit is een fragment uit Boek 7 van De Kronieken van de Westhoek


