Het was gisteren precies drie maand geleden dat ik begonnen ben met het schrijven van mijn ‘Kroniek van Brugge’. De voorbije dagen kwam alvast onderstaande tekst uit mijn pen gevloeid. Figuurlijk dan toch. Mijn pc heeft ook zijn rechten.
Het was gisteren precies drie maand geleden dat ik begonnen ben met het schrijven van mijn ‘Kroniek van Brugge’. De voorbije dagen kwam alvast onderstaande tekst uit mijn pen gevloeid. Figuurlijk dan toch. Mijn pc heeft ook zijn rechten.
–
8 februari 1340. De kogel is door de kerk. De steun van Artevelde is te aanlokkelijk om er niet op in te gaan. In een officieel manifest geeft de Engelse koning aan dat hij de rechten van het Frans volk wil herstellen. Hij verandert zijn eigen wapenschild door een deel van de Franse lelies te vervangen door Engelse luipaarden. Edward roept de Fransen op om hem als wettige soeverein te erkennen. De steun van Vlaanderen krijgt hij nu automatisch. Een aanvallend en verdedigend verbond. Het geweten van Artevelde is gerustgesteld, hij blijft trouw aan de koning van Frankrijk, al is dat dan een nieuw exemplaar.
Het lijkt wel duidelijk dat de architect van deze constructie niemand anders is geweest dan de Gentenaar Jacob van Artevelde. Een Europees bondgenootschap tussen de gemeenten onder de leiding van één enkele koning, zijn strategie is zonneklaar. Op 29 maart 1340 bevestigt het parlement in Westminster de deal. De Engelse gezagsdragers zweren in de aanwezigheid van delegaties van de Vlaamse gemeenten om het verbond te respecteren. Als onderpand zullen de graven van Derby en Salisbury zich aanbieden in Vlaanderen. De Engelse koningin Philippina logeert trouwens nog altijd in de Gentse Sint-Pietersabdij waar ze vaak bezocht wordt door de echtgenote van Artevelde en de ‘juffers’ van Gent. Het gaat er heel gemoedelijk aan toe.
De constructie om Edward III zichzelf te laten uitroepen tot koning van Frankrijk heeft natuurlijk een zuiver theoretisch karakter om de ziel van de Vlaming te stillen. Filips van Valois bekijkt het opzet natuurlijk vanuit zijn standpunt. Hij is en blijft de gezalfde koning van Frankrijk en de rest is bullshit. Zo eenvoudig komt het er voor hem wel op neer. Hij probeert nog wel te onderhandelen met Vlaanderen maar komt uiteindelijk weer met zijn gebruikelijke strafmaatregel. De bisschop van Senlis en de abt van Sint-Denijs arriveren binnen de kortste tijd in Doornik om in opdracht van Filips van Valois de banvloek over Vlaanderen uit te spreken.
Nog diezelfde avond verzamelen de Franse ridders Mathieu de Trie en Godemar du Pary die zich ook in Doornik ophouden een militie van duizend gewapende mannen en driehonderd voetboogschutters om zich heen en vallen ze de grenzen van Vlaanderen binnen. Met het krieken van de dag verschijnen ze in de voorgeborchten van Kortrijk, na de nodige schermutselingen volgen ze de loop van de Leie tot aan Waasten. De Fransen plunderen alles wat ze op hun drieste raid tegen het lijf lopen. Hele kuddes koeien die op de Vlaamse weiden grazen gaan met de mannen terug mee naar Doornik. Er is sprake van twintigduizend stuks ossen, schapen en varkens.
De gemakkelijke raid richting Kortrijk inspireert beide de Trie & du Pary om nog meer strooppartijen op stapel te zetten. Dit keer zijn de oevers van de Schelde het doelwit. De gebieden tussen Doornik en Oudenaarde. Ter hoogte van Berchem lopen de Fransen tegen de lamp. Ze worden eensklaps verrast door een talrijke troep Gentenaars aangevoerd door Jacob van Artevelde en hun andere hoofdmannen. De Fransen kunnen zich echter in allerijl verwijderen. Voor de Vlamingen is het duidelijk dat de vijand gebruik maakt van Doornik om Vlaanderen met al hun invallen te teisteren.
Van Artevelde wil de Franse angel uit Doornik verwijderen. Acht dagen voor Pasen 1340 slaan de Vlaamse gemeentetroepen hun tenten op rond deze stad. Ze bezetten meteen de dorpen Chin en Ramegnies. Als de Vlaamse gemeenten hun krachten bundelen en de hulp krijgen van de Engelse troepen van Edward III dan moet het volgens Artevelde zeker mogelijk zijn om zich meester te maken van Doornik. Er is een boodschapper onderweg naar Ieper waar de graven van Suffolk en Salisbury zich momenteel bevinden.
Met de vraag of ze onverwijld ter hulp willen komen. De burgerij van Ieper had zich in die weken al naarstig bewapend. Burggraaf Gerard van Oultre en de schepenen Jacob de Vriede en Nikolaas de Dickebie leiden de Ieperse milities die de Engelsen zullen bijstaan. Onderweg houden ze halt in Armentières om af te rekenen met een bende Genuezen die de omgeving daar teisteren met allerhande plunderingen. De Italianen verdedigen zich hardnekkig maar kunnen niet op tegen de numerieke meerderheid van de Ieperlingen met de Engelsen. Armentières wordt dan ook stormenderhand overgeleverd aan de Vlamingen.
Die overwinning maakt hen echter overmoedig. Een overmoed die noodlottige gevolgen zal kennen. In plaats van de linkerkant van de Leie richting Kortrijk te volgen waar er niets te vrezen valt, kiezen ze voor de aanval op Rijsel die in hun ogen even gemakkelijk zal vallen als Armentières. Dat blijkt echter een fatale misrekening. In de buurt van de abdij van Marquette vallen ze in een hinderlaag van vijfhonderd gewapende mannen en ene deel voetboogschutters die plots vanuit de hagen op hen toeschieten. De terugtocht voor de Vlamingen is direct onmogelijk. De bloedige confrontatie valt uit in het voordeel van de Fransen. Een van de twee Ieperse schepenen wordt gedood en de andere gevangengenomen. De graaf van Salisbury deelt hetzelfde lot en wordt overgevoerd naar het Châtelet te Parijs.
Jacob van Artevelde moet zich dood gevloekt hebben als hij het nieuws van de nederlaag bij Marquette verneemt. Dat kon nooit de bedoeling geweest zijn. Zijn opzet om Doornik te veroveren mag hij nu wel vergeten. Hij positioneert een garnizoen Gentenaars in het kasteel van Helkijn om op zijn minst de uitvallen van Mathieu de Trie en Godemar du Pary te beletten en keert zelf terug naar Gent. Hier moet hij dringend overleg plegen met de andere steden hoe er beroep kan ingediend worden tegen de uitgesproken excommunicatie. Koning Edward III moedigt de Vlamingen aan die nu plots voor gesloten kerken staan.
‘Laat u niet ontmoedigen’, geeft hij aan, ‘bij mijn terugkeer naar Vlaanderen zal ik voldoende geestelijken meebrengen die opnieuw de mis zullen zingen, of de paus dat nu al dan niet goedvindt.’ Tijdens zijn verblijf in Engeland vergeet Edward III niet om zijn beloftes waar te maken. Als zelfverklaarde koning van Frankrijk herstelt hij al de oude vertrouwde privileges van de steden en vult die aan met nieuwe en gunstiger bepalingen. Hij doet afstand van de kasselrijen van Rijsel, Douai, Orchies en Béthune en van het graafschap Artesië en belooft nog eens extra om de regio van Doornik weer aan Vlaanderen te hechten. Daarnaast bereidt hij zich koortsachtig voor om de Fransen van Filips van Valois aan te vallen.
De Fransen hebben ondertussen ook niet stilgezeten. Terwijl Artevelde zich opmaakte om Doornik in te nemen en Edward zich in Engeland bevond leek het Filips van Valois een geschikt moment om Henegouwen in te nemen en hen te straffen voor hun oproerigheid. De Fransen mobiliseren bij Kamerijk, soldaten van over het hele Franse grondgebied met de voornaamste edelen aan het hoofd. Zelfs de oudste zoon van de koning is van de partij. De graaf van Henegouwen slaat alarm en krijgt de bijstand van de hertog van Brabant, de graaf van Gelderland, de graaf van Namen. Ook Jacob van Artevelde doet zijn deel. Het Henegouws leger groeit aan tot meer dan zestigduizend eenheden. Voldoende om de Fransen te doen wijken. Valois laat zijn troepen een achterwaartse beweging maken waardoor het hier in Henegouwen niet tot vechten komt.
De Franse koning heeft diep in zijn schatkist moeten grabbelen om een Genuese oorlogsvloot te huren en met deze schepen start hij nu een campagne om de Noordzee tussen Vlaanderen en Engeland te destabiliseren. De Italianen beginnen aan een reeks van plundertochten langs de Engelse en de Vlaamse kusten. Deze acties gebeuren in afwachting van de komst van de Engelse armada. Filips van Valois wil daar tijdig op anticiperen en verenigt zijn eigen vloot. Maar liefst vijfendertigduizend zeelieden onder de leiding van de prominente edelen Hugo Quiéret, Nicolas Béhuchet en Pierre Flotte. Dertig Genuese galeien gehoorzamen aan de bevelen van de Italiaanse roverhoofdman Barbavera. En surplus wachten er nog honderdveertig oorlogsschepen voor de havens van Kales en Normandië. Kleine en grote schepen samengeteld meer dan achthonderd zeilen.
8 juni 1340. Die te duchten Franse vloot meldt zich aan voor de haven van Sluis. Nicolas Béhuchet posteert een groot deel van zijn mannen op het eiland van Cadzand waar ze al de woningen in brand steken en er de landbouwers om het leven brengen. De burgerij van Brugge, onder het bevel van Jan Breydel en Jan Schynckele komen maar net op tijd om bij te springen in Sluis. In de verte kunnen ze van daar de brandende puinhopen van Cadzand gadeslaan terwijl de Fransen daar hun schepen met ijzeren kettingen verankeren en zo de doorgang van het Zwin onmogelijk maken. De koning van Engeland mag zich bij zijn aankomst aan een warm onthaal verwachten.
22 juni 1340. De Engelsen weten al sinds 10 juni wat hen in Cadzand te wachten staat. De afvaart die gepland stond voor 12 juni verhuist naar 22 juni. De tijd die nodig was om de vloot uit te breiden. Edward III aarzelt niet. Hij heeft beloofd dat hij naar Vlaanderen zou komen en zijn beloftes aan Artevelde na te komen. Op de vroege morgen van de 23ste zien de Engelsen al het silhouet van de Vlaamse kust opdoemen. De schepen blijven even ter plekke terwijl Reinald van Cobham en enkele andere ridders te Blankenberge aan land gaan om via de duinen te situatie ter plekke te verkennen.
Ze ontdekken aan de weilanden van Sinte-Anna de Franse vloot die zich in slagorde geschaard heeft tussen de twee zeearmen van het Zwin. Cobbard komt er eveneens in contact met de Vlaamse gezagsdragers die de Engelsen binnen de vierentwintig uur de bijstand beloven van tweehonderd eigen schepen. Edward III heeft beslist om de hele vloot vlak voor de zonsopgang van 24 juni in positie te brengen voor het Blankenbergse strand. Het is laag tijd en dus voorlopig niet mogelijk om het Zwin binnen te varen, vooral nu de wind plots gedraaid is.
Tussen de Fransen en de Genuezen bestaat er ondertussen een grondig meningsverschil rond de positie van de Franse vloot. De bekwame vlootleider Barbavera vindt de locatie maar riskant voor de Fransen, hun schepen hebben onvoldoende plaats om te draaien en te keren en hij drukt hen op het hart dat ze hun posities beter zouden innemen voor de inham en in volle zee in plaats van zichzelf daar zo op te sluiten. Béhuchet veegt het advies aan zijn laarzen waarop Barbavera de bui al ziet hangen en zich terugtrekt. Als de Fransen het advies van een doorwinterde specialist naast zich neerleggen dan vragen ze om problemen.
De Genuezen kiezen hun posities wel degelijk op volle zee. De chauvinistische Fransen moeten nu maar hun eigen boontjes doppen. Het duurt niet eens lang voor de Engelse vloot komt aanzeilen. Het is al haast middag als de zeeslag losbarst. Edward III heeft nog een eitje te pellen met die van Genua. Barbavera munt uit door zijn dapperheid en opent de slag met de verovering van het schip waar Edward III meevecht met zijn mannen. Daarbij krijgt hij een pijl in zijn bil, maar hij vecht stoer verder. De Engelsen slagen erin om de scheve situatie recht te zetten. Met dan aan de onverschrokken inzet van mannen als Robrecht van Artesië, Hendrik van Vlaanderen en Walter van Mauny. De Engelse overmacht is zo groot dat Barbavera zijn vloot noodgedwongen moet terugtrekken van voor het Zwin.
In het Zwin zelf wachten de Fransen met ongeduld om de confrontatie met de Engelse vijand aan te gaan. Terwijl het opkomende tijd de Engelsen naar hen toe brengt maken de Fransen zich nog vrolijk om de nederlaag van die zogezegde specialist Barbavera. Vooral Béhuchet bezondigt zich hieraan. Hij zou nu zelf al de eer kunnen opstrijken van de overwinning. Met vier keer meer strijders en een veel grotere vloot aan Franse kant zou dat wel moeten lukken. Hij laat de kettingen breken die hen al een hele tijd in slagorde hadden laten staan. En dan wordt het tijd voor de echte confrontatie met de Engelsen. Het wordt een verschrikkelijke en uiterst bloederige clash.
De Fransen blijken al snel heel onhandige manoeuvres uit te voeren met hun schepen. Barbavera krijgt al direct gelijk, de te kleine ruimte zorgt voor een totaal gebrek aan flexibiliteit en draaikracht. De Engelsen openen met het veroveren van twee grote schepen die ooit nog aan hen hebben toebehoord, volgestouwd met wol met bestemming Vlaanderen. De bemanning probeert zich te redden door naar het strand te vluchten maar wordt er genadeloos vermoord door de Vlaamse gemeentetroepen die van alle kanten naar Sluis gekomen zijn om de Engelsen te steunen. De Brugse gezagsdragers komen trouwens hun afspraak na om tweehonderd schepen mee in de strijd te werpen.
Het is de voorbije nacht een drukte vanjewelste geweest in Brugge. Terwijl de Fransen hun handen vol hebben met de Engelse aanvallen horen ze nu plots overal het geluid van de Vlaamse blaashoorns opdoemen. Sommige vaartuigen zijn via de binnenwateren uit Brugge gekomen, andere verschijnen uit de haven van Sluis zelf of uit naburige baaien. Het is uiteindelijk de assistentie van de schepen van Artevelde die beslist over de nederlaag van de Fransen. Nicolas Béhuchet, in feite de schatbewaarder van de Franse koning, valt in vijandelijke handen. Als revanche voor de baldadigheden die zijn mannen hebben aangericht tijdens de verwoesting van Cadzand wordt de betweter nu opgeknoopt aan de mast van zijn eigen schip. Zijn collega Hugo Quiéret overleeft de zeeslag evenmin.
De hele Franse vloot is verwoest, de zee kleurt rood van het bloed van dertigduizend afgemaakte Fransen. De Franse historici beweren achteraf dat er ‘maar’ tienduizend waren. De waarheid moet ergens in het midden liggen, hoe dan ook een verschrikkelijke waarheid voor Filips van Valois. De winnaars blijven de daaropvolgende nacht op hun schepen. Door de verwonding van de koning kan hij zijn schip niet verlaten en is het de koningin die vanuit Gent naar Sluis komt om haar man geluk te wensen met zijn overwinning. Ze wordt daarbij begeleid door Thomas van Vaernewyck en Jan Uutenhove.
Het nieuws van de zege verspreidt zich natuurlijk als een lopend vuur. Jacob van Artevelde verneemt de mare in Valenciennes waar hij in het gezelschap vertoeft van de hertog van Brabant en de graaf van Henegouwen. Na een imponerende speech op de grote markt daar, trekken de heren richting Gent. Op 30 juni is Artevelde al te vinden in Aardenburg waar Edward III, min of meer hersteld van zijn wonde op bedevaart is gegaan. Edward III en zijn hele hofhouding wonen er een mis bij en hij dankt er God voor de behaalde overwinning. Artevelde en de zijnen vergezellen de Engelse koning nu naar Brugge waar de bondgenoten op hem wachten met de vraag of de Engelsen nu werk willen maken om de Fransen uit hun landen te verdrijven zodat ze kunnen bezit nemen van Doornik en Artesië.
De geallieerden stellen een legerkorps van honderdduizend man ter beschikking, de helft aan te voeren door Edward persoonlijk en de rest toevertrouwd aan Robrecht van Artesië. Edward gaat akkoord. Op 9 juli 1340 verstuurt hij vanuit Brugge brieven aan het Engelse parlement om hen op de hoogte te brengen van de afgesloten overeenkomst. Hij zet zich nu op weg naar Gent om te zweren dat hij de overeenkomst zal gaan naleven.
15 juli 1340. De kracht die Vlaanderen op dat moment etaleert kan men zeker zien aan de snelheid waarmee de steden zich kunnen mobiliseren. Op vijf dagen slagen de Vlaamse gemeenten er in om maar liefst veertigduizend strijders op de been te brengen. Iedereen wil gratis ten strijde trekken om de vaderlandse zaak vooruit te helpen. De burgers van Gent en Brugge verlaten hun steden en gaan in op de oproep van hun hoofdmannen. Een deel verhuist in de richting van Oudenaarde, de rest naar het zuiden van West-Vlaanderen waar de gemeentelijke troepen van Ieper, Veurne, Poperinge, Cassel en Sint-Winoksbergen zorgen voor voldoende versterking.
….
Nog niet verschenen in boekvorm


