banner
mei 4, 2018
2151 Views

Hij zit lelijk in mijn rapen

Written by

Prullen: prulde, heb gepruld, o. w. Beuzelingen vertellen, schertsen, leugens verdichten om te lachen, ijdele praat verkopen. Hij is bezig met te prullen. Hij prult graag, maar ik hoor hem niet graag prullen. Hij verdriet mij met zijn prullen. Dat prullen verveelde haar. Hij prult wederom.

banner

Pruimbekken: pruimbaarden, monkelen. Zie eens hoe dat hij pruimbekt!

Prullen: prulde, heb gepruld, o. w. Beuzelingen vertellen, schertsen, leugens verdichten om te lachen, ijdele praat verkopen. Hij is bezig met te prullen. Hij prult graag, maar ik hoor hem niet graag prullen. Hij verdriet mij met zijn prullen. Dat prullen verveelde haar. Hij prult wederom.

Puilogen: puiloogde, heb gepuiloogd, wordt gezegd van iemand wiens ogen uitpuilen, hetzij toevallig en kortstondig, hetzij natuurlijk en gedurig. Puilogen van gramschap. Hij kreeg het kork van de wijn niet uit, hoewel hij trok dat hij puiloogde. – Op een puit treden dat hij ervan puiloogt. Hij heeft een dienstbode die puiloogt (die puilogig is). Puilogen van drinken, van wenen.

Pulken, pulkte, heb gepulkt, o. w. Pluisteren, peuteren, met de vinger of met een mesje, enz. aan iets roeren en poeren om het bij kleine stukjes af te scheiden. Aan de roof van een wonde pulken. Hij is alweer bezig met pulken. Aan het brood pulken om er stukjes van te peuzelen. In de neus pulken.

Pullemutse, Peluwmuts, slaapmuts van katoen of layette gebreid voor mannen. Hij trok zijn pulmmuts tot over de ooren. Blauwe of witte pulmmutsen, met een struisel aan de top. Vroeger droeg men veel de pulmmutsen, ook gedurende de dag: nu zijn ze bijna uitsluitend slaapmutsen geworden.

Pudekoud: zeer koud. Ik heb puidekoud, fr. j’ai tres froid. Het weer is puidekoud.

Raakrooien, raakrooide, heb geraakrooid, o. w. Ritsepeeuwen, krakelen, kijven en vechten. Ze zijn alweer al aan ’t raakrooien. Als man en wijf raakrooien. Die jongens zijn nooit samen of ze raakrooien. Dat wijf raakrooit (pruttelt en kijft) hele dagen.  In Brugge betekent het ook sukkelen, krasselen, een kranke gezondheid hebben; of ook armoedig leven, even de kost hebben, veel gebrek lijden. Dat vrouwke raakrooit. Hij heeft geheel zijn leven geraakrooid. Hij heeft liever te raakrooien dan dood te gaan. — Men zegt ook Rakerooien, Rakeroeien, met de klemtoon op ra. Enigen stellen hem op rooi, en spreken ra-krooien, of zelfs krakrooien.

Raap: in iemands rapen zitten; bezig zijn met ze te stelen, met er een deel van weg te roven. Figuurlijk: iemand onderkruipen, hem van een winst of voordeel beroven om er zelf het genot van te hebben, op een onrechtvaardige of tenminste trouweloze manier concurrentie aandoen. Die jonge geneesheer zit lelijk in de rapen van de oude.

Rapeling: Een appel, peer of ander fruit, dat, van de boom afgevallen, opgeraapt; wordt; anders valling genaamd. Een taart bakken van raaplingen. Een paander vol raaplingen. De worm zit in die raapling.. Dat rapeling is maar een note groot.

Radokkeren; radokkerde, heb of ben geradokkerd. Met een dof en daverend gerucht over iets voortschokken. Een rijdende wagen radokkert over de kalsijde. Hij radokkerde van de trappen (d. i. hij rolde er af, al botsende van de ene trap op den andere; ofwel hij kwam er haastig van afgelopen, met groot gerucht). Als de studie gedaan is, komen de scholieren van de trappen geradokkerd.

Ramulte: rumoer, gedruis, oproer. Die nieuwe maatregel verwekte een hele ramulte in de stad. Het volk maakte grote ramulte. Er was grote ramulte in huis voor een prulle van niets. Te midden van de ramulte kwam hij binnen.

Ramutselen; ramutselde, heb geramutseld; hetzelfde als schermutselen, fr. escarmoucher; kijven en twisten, ritsepeeuwen en gedruis maken. In het voorbijgaan hoorde ze ik ramutselen in de herberg. Het ramutselen van man en wijf.

Ramutselinge: het ramutselen, kijvagie en twist. Er was in het sterfhuis grote ramutselinge tussen de erfgenamen.

Rappetappen: rappetapte, gerappetapt; lappen en vermaken van kleren die min of meer afgedragen zijn. Een gerappetapte kazak. Ik ga die hoed nog een beetje doen rappetappen.

Rappetapper: een versleten kleed dat veel gelapt is geweest. Dat rappetappertje is wel genoeg om door de regen te gaan. Hij trok er met zijn rappetappertje naar toe.

Rattekasteel: een smalle lange kist of lade, aan beide uiteinden open, en van binnen verdeeld in tien a twintig cellen die met hooi en stroo gevuld zijn, om er de ratten te laten in nestelen; ook nestelaar genoemd. Men stelt het rattekasteel op den dilt of in de schuur; en dan, na enige weken, als een dondervlaag de verschrikte ratten in hun kasteel gedreven heeft, gaat men de twee openingen van het kasteel toesluiten, en men vernielt al het gespuis dat er in zit.

Oude West-Vlaamse woorden opgetekend door deken De Bo

Article Categories:
naar de bronnen van onze taal
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *