banner
mei 15, 2018
2054 Views

Broêre Ceuningsvijver van Staden

Written by

Om de oorsprong van de prochie van Stade te vinden en is het niet noodig hoger op te klimmen in de tijdrekening, als tot het einde van de jaren achthonderd.

banner

De beschrijving van Staden

Om de oorsprong van de prochie van Staden te vinden en is het niet noodig hoger op te klimmen in de tijdrekening, als tot het einde van de jaren achthonderd. Men vindt immers in het Verheerlijkt Vlaanderen van Kaneunik Sanderus, een landkaart die nagemaakt is op deze die Boudewijn de IJzere, eerste Grave van Vlaanderen, tijdens zijn bestier deed verveerdigen. Welnu, Boudewijn, die eerste Grave, voldeed de Heere in ’t jaar 879, en op zijn kaart en vindt men Staden, Hooglede, West-Roosebeke en Oost-Nieuwkerke nog niet aangetekend.

’t Is nochtans het gevoelen van velen en M. Coomans zegt het ook dat er, ten tijde van deze grave, in dit gewest eenige huttekens stonden, en een heerbane lag, langst dewelke Boudewijn voorzeide , in ’t jaar 870, van Iper naar Cortemarcq zou gerede zijn, om aldaar een zekere Geeraart op zijn kasteel te bezoeken. Wat er van zij, het kan nooit niet lang meer geduurd hebben eer dit gewest, alsmede meer andere gewesten naar de Ijzer toe, bevolkt geweest hebben. Want, met de eerste Graven van Vlaanderen, ontmoeten wij te lande ook de eerste kasteleinheren.

Door deze bediedt men zekere edele opperleenheeren of Vassallen die, ter beloning van getrouwe diensten aan hun vorst bewezen in de oorlog en anderszins, zekere landen ten geschenke kregen als heerlijkheden; of die uitgezond werden naar het platteland, door de graven van Vlaanderen, met bevel van zekere sterkten te bouwen, beschikt ter verdediging van die plaatsen, tegen de invallen van noordse volkeren, welke men van tijd tot tijd al over zee, langs Nieuwpoort en de Ijzer in onze streken zag aanlanden, met opzet van buit te maken.

Deze eerste opperleenheren kozen bij voorkeur altijd de lege landen om hun kasteel of sterkte te bouwen, ten einde, bij middel van water, in hun verschansingen des te gemakkelijker hun te kunnen verdedigen. Ook vonde zij het goed van zo veel als het mogelijk was, die plaatsen te verkiezen alwaar reeds woningen te vinden waren, deels, om niet geheel in de eenzaamheid te leven, anderen deels, om beter en gemakkelijker de streke aan hun zorgen toevertrouwd, met behulp van gidsen of leidsmannen, te leren kennen en te doorlopen.

Zij en waren dan niet altijd de eerste die met hun gevolg of lijfknapen te lande, in een nog onbeschaafde streek, tenten neersloegen. ’t Schijnt van neen; want in die wijduitgestrekte bossen, die tot in de jaren 900 het oud Morinië overdekten, vond men hier en daar enige geslachten van Saksische afkomst, waaronder de enen nog heidenen, de andere reeds christenen, op hunne marken, zo zij zegden, samen woonden. Dat land of die plaats, alwaar dit volk hem had gevestigd, was afgetekend met zekere palen. Al dat binnen die palen lag wierd mark genoemd; van daar heeft men nu nog Marke, Marke, Langemark, Kortemark, Markeghem, Al hetgeen buiten die palen lag, neemde men Vrijland van daar zou men nu nog Vrijbusch, Vrijgeweed , enz. hebben.

De eersten die met dit volk kennis maakten en hetzelve tot de waren God zochten te bekeren, waren kluizenaars of eremieten, het meestendeel discipels van Sint Bavo. Deze rijke edelman, weduwnaar geworden zijnde, bekeerde tot de waarheid door het toedoen van Sint Amand, deelde zijn goederen aan de armen uit en vestigde hem te Gent in Sint Pieters klooster. Enige tijd na zijn bekering, bekwam hij van Sint Amand toelating om het kluizenaarsleven te omhelzen. Hij nam zijn eerste verblijf in de holte van een boom te midde van de Wijnendale bossen, in een woud genoemd Beilenbos, of beter gezegd, in het Bellebos. Sedert Bavo, zijn er menigvuldige kluizenaars opgekomen, die naderhand, zoo men leest, een kluis bouwde te Izegem, Ingelmunster, Dadizele, Roeselare, Wijnendale, Winkel-Sint-Elooi, Sinte-Anne bij Kortrijk, Jabbeke, Staden enz.

Als de eerste landvoogd dan op Stadens grond toekwam en daar zijn tenten opsloeg, vond hij er reeds enige huttekens staan, bij een waterput langst de Lobeek. Het waren woningen van hout en leem gemaakt en gedekt met riet en varmte. Daaronder vondt hij enige nieuw bekeerde christenen, in hun geloof versterkt en onderwezen door een eremijt, die, ter gedachtenis van hun doopsel, aan de nabijgelegen bron de naan gaven van de sint Jans put. Vissen en jagen, alsmede wat akkerbouw, was al hetgeen waarmede deze eerste bewoonders aldaar, onder het geleide en wijs beraad van de eremijt, tussen gebrek en weelde leefden. Zonder twijfel zouden deze vrijgeschapeu landslieden, niet lichtelijk een vreemdeling, tot hun komende met wapenstrijdig uitzicht voor hun meester aanvaard hebben. Niettemin, op de verzekerende uitleg van de eremijt, lieten zij hen nog al gemakkelijk gezeggen: des te meer, als zij hoorden dat hij kwam om hun een beter bestaan te verzekeren, en hen te beschudden tegen de plunderaars, voor dewelke hun voorouders dieper innewaarts de bossen gevlucht waren.

Men deed dan vriendschap met de heer, en deze beloofde hen, was ’t dat zij hem voor zulks erkende en benevens zijn lijfknapen een hand toestaken, tot het bouwen van zijn woning, te dienen als schild en borstweer, tegen allen hoegenaamde vijand. Zo gezeid zo gedaan: men bracht bouwstoffen bij, die men gemakkelijk vond bij de werken en in de tijd van enige weken, zag men de schouwen roken van het nieuw kasteel, dat bestond uit een bewalde mote van zeskantige vorm, bevattende twee lijnen zeventig roede lands, volgens onze maat, hebbende aan de zuidkant een optrekkende brug en betimmerd met huis, stallingen en andere heerlijke gerieven. Dat eeuwenoud herenverblijf, wat zuidwaarts van de sint Jansput tegen de Loobeek, doopte men met de naam van het ‘Goed van Loo’.

’t Was het verblijf van van de heer van die plaats, tot in de dertiende eeuw. Ik zeg van die plaats, om dieswille dat men alhier geen dorp, noch gehucht noch prochie en vond; maar enige onbeduidende woningen de naam dragende van Staden.

Van waar mag dan deze naam komen? Hier over heeft men niets dan gissingen. Enigen zeggen dat het woord Staden voortkomt van staan of standplaats, omdat de reizigers van Brugge op Ieper en Rijsel, daar hun standplaats verkozen. Anderen beweren dat dit woord niet anders en beduidt als ’t geen men er over ouds door te kennen gaf: te weten, een oude landmaat, zoals de Fransen eertijds plachten, en, voor hen, de Romeinen. Deze maat had een lengte van 600 tot 625 stappen; twintig staden gingen er in een franse ure. Doch volgens de plaatsen en tijde hebben er staden geweest van verschillige lengten. Wat er van zij, het woord Staden, bij Meier, Stade, ook in ’t meervoud, moet oorspronkelijk iets anders betekend hebben als statie of standplaats.

Hetgeen deze laatste denkwijze nog komt versterken, ’t is dat er in noord Duitsland ook een stedeke genoemd wordt Stade in ’t enkelvoud. Of was de eerste heer van die plaats misschien oorspronkelijk van het Duitse Stade, en kan hij bij geval om zijn naam te vereeuwigen, hem ook al niet gegeven hebben aan een nieuwe Staden! Wie is er zeker van? ’t Is genoeg en zovele dat al de oudste handschriften die wij doorbladerd hebben Stade schrijven en niet Staên.

Is het niet klaar bewezen dat de eerste landvoogden hun naam gaven aan de plaatsen alwaar zij huisvest kozen, altijd is het zeker dat zij, op de tijd waarvan wij spreken, alleen een eigen naam of toenaam droegen, en dat, tot in de jaren 1200, alle andere personen die onder hun gebied stonden, nog niet anders hun gelijken kenden, als bij doop- of voornaam, gevolgd van de naam van hun meester. Dus zei men alsdan Pieter, Jan, Passchier, Pieternelle, van zulk of zulk een heer, Ook, zo het gemakkelijk is om vatten, kon zulk een wijze van onderscheiding, in een aangroeiende bevolking, niet langer bestaan zonder dolingen en verwarringen in de gemeente te weeg te brengen.

Om daaruit te geraken, werd men genoodzaakt allenkskens bij de doopnaam , een toenaam of lapnaam te voegen, die zo ’t hedendaags nog het gebruik is, meest gehaald werd uit het bedrijf, ambacht, hoedanigheid of handel van deze welke men beduiden wilde. Was de persoon een boomzager men noemde men hem de Zagher; was hij een vatmaker, hij kreeg de name van de Kuyper of Cuvelier, zat hij op wild uit, men noemde hem de Jager, of men gaf hem de naam van hetgeen hij meest vong , zoo als de Wulf, de Vos, Reinaert, de Visch, Snoeck, Everaert, Valcke, de Raeve.

Anderen hielden de naam van hun bedrijf, gelijk de Backer, de Smet, de Meulenaere of de Meulemeester; ja zelfs van hun gelaat of wezen, zoo als de Witte, de Zwarte. Eindelijk, van de plaatsen alwaar zij geboren waren: van de Berghe, van Damme, van de Bussche ; of ter oorzaak van de rang of de plaatse die zij eens bekleedden, bleven zij: de Konink, de Keyzer, de Grave, de Deken, de Sodt, enz.

Het en is niet te verwonderen dat men onder al deze persoonlijkheden zo veel namen ontmoet van dieren; trouwens ’t was toen een tijd dat wild, vis en vogels gemeen waren, en het meeste deel onder ’t volk alhier verlust was op jacht, visserij en vogelrij.

In de beginne joeg eenieder vrij en vrank zo ver als hij het wild vervolgen kon; doch welhaast hielden de opperleenheeren dit recht voor hen alleen. Bij gebrek van fusiken, die maar uitgevonden en werden in de jaren 1300, gebruikte men kruisbogen, lancién en spiesen tegen de vierpotige dieren: het vogelgedierte ving men meest met valken. Deze vogels, die men nu best kent onder de naam van bruwieren en stekvogels, werden toen jong en tam opgekweekt, door een lijfknaap die men Valkenier of Valkaert noemde. Hij leerde hen, bij middel van een valse vogel die hij t’apportje smeet, verlekkerd worden op een stuk spek, hetwelk zij kregen iederen keer dat zij dat lokaas voor hen geworpen, terugbrachten. Deze sporrewaans, eens ten vollen geleerd zijnde, volgden de edele vrouwen die meest verliefd waren op dergelijke jacht. Daags voor de jacht, ’n kregen zij geen eten, en bleven verblind door een leêren mutsken, tot op de ogenblik dat men de een of de andere wilde vogel deed opvliegen; toen ontmomde men een valk, wierp dezelve om hoog in de lucht, en welhaast bracht zij haar prooi in de klauwen voor haar meesters voeten: dan kreeg de uitgehongerde beesten haar gewoonlijk spek, naar hetwelk zij watertandde.

Wat het vissen betreft, daartoe had men gelegenheid zoveel als men lustte, aangezien dat er overal tussen Brugge en. Ieper stilstaande waters lagen, die krioelde van snoek, paling en tinken. Meestal die waters welke men vijvers noemde zijn nu meers geworden en maar enkel bij name meer bekend gebleven. Zo spreekt men nu nog van de houdsvijver, de kasteelvijver, Broêre Ceuningsvijver, en van verschillende andere eertijds in ’t Vrijbusch gelegen, die wij verder zullen melden. De eenigste vijver die nu nog bestaat in de omstreken, is de Blankaart, meer west van ’t voormalige gelegen.

Uit ‘Staden Eertijds en hedendaags’ van K. De Ceuninck uit 1872 –

Article Categories:
van onder het stof gehaald
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *