Die Boudewijn van de Ijzer is me het kereltje wel. Sterk, dapper, zijn reputatie die hem in lijn brengt met zijn ijzeren imago.
Die Boudewijn van de Ijzer is me het kereltje wel. Sterk, dapper, zijn reputatie die hem in lijn brengt met zijn ijzeren imago. Ik bedoel maar dat er geen historische getuigenissen zijn van hoe onze eerste graaf er in werkelijkheid moet uitzien. Bij zijn eedaflegging aan de koning van Frankrijk (Karel de Kale) in het jaar 862 geraakt hij verliefd op zijn dochter Judith. De liefde is wederzijds. Judith is er zeker van dat haar vader de koning het daar niet mee eens zal zijn en dat leidt ertoe dat ze zich door haar minnaar laat overhalen om het Franse hof te verlaten en naar Harelbeke te vluchten. Daar worden ze door de bisschop van Doornik in het huwelijk verbonden, met veel pracht en praal en tot grote woede en frustratie van Karel de Kale.
Hun wittebroodsweken brengen ze door in het midden van de Westhoekbossen, meer bepaald in het kasteel van Rumbeke dat daardoor herinnerd zal blijven als ‘De Wieg van Vlaanderen’. Dat leer ik alvast van Jozef Denolf op zijn website over het betreffende kasteel. Het is trouwens perfect mogelijk dat Judith & Boudewijn hier in Rumbeke de start geven van het gravengeslacht van Vlaanderen.
‘Heb je van zijn leven!’, iets dergelijk moet hij zich ongetwijfeld hebben afgevraagd. Hij mobiliseert een leger van honderdduizend man om Vlaanderen een les te leren en helemaal te verwoesten. Boudewijn slaagt er in allerijl om een leger van vierentwintigduizend daartegenover te stellen.
De Vlamingen vermijden de open vlakte en verschansen zich in de bossen in de buurt van Arras, meer bepaald op de Sint-Elooisberg. Karel de Kale trekt er dan maar met heel zijn leger naartoe en dat is beslist geen verstandige zet. Het komt tot een confrontatie op die Sint-Elooisberg van Arras, toen nog Atrecht. De Fransen krijgen er zoveel klop als ze willen. Wie niet tijdig op de vlucht kan slaan wordt krijgsgevangen genomen. Boudewijns schoonvader raakt gewond maar kan zich redden door te vluchten. De Fransman geeft zichzelf amper de tijd om te herstellen en onderneemt al direct een nieuwe aanval. Niet alleen met de wapens maar nu ook met geloof. Karel de Kale wendt zich tot paus Nicolaas met de klacht dat zijn dochter (die toen al weduwe is van de koning van Engeland) door Boudewijn geschaakt werd. Die wordt prompt in de ban van de kerk geslagen.
Een volgende veldslag met opnieuw een sterk Frans leger eindigt bij Rijsel opnieuw in een optater voor de Fransman. Het begint er op te lijken dat hij beter zijn schoonzoon te vriend kan houden. Hij sluit uiteindelijk een wapenstilstand. Boudewijn vertrekt met zijn Judith naar Rome om die banvloek ongedaan te maken met de specifieke vraag of de paus zelfs niet zou willen bemiddelen om hen weer ‘on speaking terms’ te krijgen met zijn schoonvader. Die laatste zou niets meer winnen. Een sterke alliantie met de Vlamingen is meer dan nodig om de druk van de Noormannen uit Frankrijk weg te houden.
Boudewijn en Judith zijn nog maar amper teruggekeerd in Brugge als er zich hier gezanten van zijn schoonvader aanbieden met de vraag om vrede te sluiten. Het koppel reist onmiddellijk naar Frankrijk. De spons kan geveegd worden over de ontvoeringszaak op voorwaarde dat Boudewijn bereid is om trouw te zweren aan de troon van Frankrijk. Die belofte geldt ook voor zijn opvolgers. Dat heeft voor wat betreft Vlaanderen drie grote gevolgen: Vlaanderen breidt zich nu uit tot aan de Schelde en de Somme maar wordt nu een officieel leengoed van Frankrijk. De naam van forestier wordt vervangen door die van ‘graaf van Vlaanderen’, een titel voor Boudewijn van de Ijzer en al zijn nazaten. Daarnaast wordt de nieuwe graaf begiftigd met de relieken van de heilige Donaas (Donatius) van Reims die hij naar Vlaanderen laat overbrengen en voorlopig bewaart in de kerk van Torhout. Die Donaas was een paus die ooit geleefd had in de 4de eeuw.
Boudewijn kan zich nu concentreren op zijn graafschap van Vlaanderen. Hij laat op diverse plaatsen kastelen bouwen om zich te beschermen tegen de vijanden. Daarnaast schieten er een reeks van kapellen en kerken uit de grond. De voornaamste is ongetwijfeld die van Sint-Donaas. Het eerste gebouwtje is niet veel meer dan een koor. Van een voorkerk en zijbeuken is er nog lang geen sprake. De graaf zorgt voor een systeem van financiering (een prebende) waardoor hier twaalf kanunniken de diensten kunnen organiseren en het geloof van de Bruggelingen kunnen aanscherpen. De geestelijken beschikken over een gemeenschappelijke eetzaal en slaapkamer die paalt aan de kapittelkamer. De relieken van Donaas die tijdelijk bewaard werden in Torhout verhuizen nu naar het nieuw Sint-Donaaskerkje waar ze voortaan vereerd zullen worden.
Het jaar 880 is een slecht jaar voor het jonge Vlaanderen. De Noormannen teisteren het land met nieuwe invallen. In Brugge plegen ze verschrikkelijke verwoestingen. Ze vernielen de abdij van Eeckhoutte en breken die af tot aan de grond. De monniken die hier al zo veel goeds voor de gemeente hebben gedaan worden weggejaagd. Een aantal onder hen vindt een schuilplaats in de buurt van Amersham, gelegen op de weg van Oostkamp. Ter hoogte van een stenen brug waardoor die plek de naam van ‘Steenbrugge’ zal blijven houden. In 881 overlijdt Boudewijn van de Ijzer na een kwalitatieve bestuursperiode van zestien jaar. Zijn zoon Boudewijn II, bijgenaamd ‘de kaalhoofdige’ treedt in zijn voetsporen als een vrome en verstandige prins. Zijn kaalkop heeft hij natuurlijk te danken aan Judiths vader Karel de Kale die al in 877 overleed.
Boudewijn II laat de stad Brugge in het jaar 919 vergroten en met wallen en bolwerken versterken. Ik maak daar de kanttekening bij dat dit wil op de konto van zijn zoon Arnulf moet staan aangezien Boudewijn overleed in 918. Arnulf I zal Vlaanderen besturen tot aan zijn dood in 965, uitgezonderd tussen 958 en 961 wanneer zijn zoon Boudewijn de Jonge het bestuur overneemt tot aan zijn dood op 22 juli 961 waarna Arnulf de functie van graaf weer moet opnemen. De Bruggelingen willen niets liever dan de bloei van hun koophandel en verzoeken bij de graaf om twee jaarmarkten te mogen organiseren. Boudewijn de Jonge accepteert en schenkt Brugge in 958 twee jaarmarkten: die van januari en een tweede in de meimaand. Omdat er op dat moment amper sprake is van geld mogen de markten gebruik maken van ruilen.
Een beetje zoals we anno 2018 nog altijd spreken van een ruilbeurs. De markten waarvan sprake worden ingericht naast het Rasphuis (tuchthuis), op de plek waar in 1849 het gevangenhuis en het wachthuis ervan zullen prijken. De markten blijken in elk geval een groot succes. Heel veel kooplieden bieden zich te water en te land aan om zaken te komen doen en daardoor begint de commerce van langs om beter te draaien in het jonge Brugge. Voor zijn dood zal Boudewijn de Jonge nog de aanzet geven om de muren van Brugge te verhogen. Het is ook de junior die hier de weefambacht en andere nijverheidstakken introduceert.
Na de dood van zijn zoon Boudewijn promoveert Arnulf I de Sint-Donaaskerk tot een officieel kapittel met inbegrip van een proosdij. De geestelijken krijgen de autoriteit om voortaan zelf hun proost te kiezen. Ten einde financieel onafhankelijk te kunnen blijven schenkt hij aan de nieuwe proosdij van Sint-Donaas talrijke goederen, tienden en eigendomsrechten in de buurt van Brugge. Zo onder andere de kapel van Sint-Cristoffel tussen de Eiermarkt en de Grote Markt.
…
wordt vervolgd ….


