Veel van die vervolgingen vindt Lodewijk Allaeys neergeschreven in het ‘Martelaarsboek’ van Jan-Baptist van Bavegem. Wat er gebeurt in het kanton Haringe vindt hij wel de moeite waar om in zijn relaas te verwerken. De schrijver keert op zijn stappen terug en begint de historie bij de dood van E.H. Billiau, de onderpastoor van Krombeke in september van 1790. De man vindt zijn rustplaats bij de plaatselijke Calvarieberg. Na de plechtige lijkdienst komen zijn vrienden en de priesters van het omliggende bij elkaar in de pastorij van Krombeke om volgens het gebruik van de streek een maaltijd te nuttigen.
Aan tafel gaat het al snel over de ongelukkige tijden die ze met zijn allen doormaken en over de vieze praktijken van de jakobijnen van Robespierre in Frankrijk. Deken Peel van Steenvoorde, de oom van de overleden Billiau weet er heel wat over te vertellen en ze zijn het er met zijn allen over eens dat ze die Franse omwentelingen niet graag zouden zien gebeuren in ons land. De meeste geestelijken die elkaar hebben leren kennen in het seminarie van Ieper moeten niet veel weten van die Franse omwentelaars. Met uitzondering van één van hen die de jakobijnen verdedigt. Ze zullen eindelijk een einde maken aan de heersende misbruiken in Frankrijk en misschien wel in heel Europa. Ik heb het over een zekere priester Jossart, geboren in Hondschote dat onder het bisdom Ieper valt. Jossart is in 1790 actief als proost in Sint-Jan-ter-Biezen bij Watou.
Hij krijgt voor zijn steun aan de Franse revolutie hevige tegenwind bij zijn autoriteiten. Pastoor Asaert van Haringe geeft hem een flinke bolwassing, net zoals de gebroeders Reyphins welke figuurlijk op zijn kneukels kloppen met tegenargumenten. Allemaal ruzies die plaatsvinden tijdens die fameuze begrafenismaaltijd in Krombeke. Jossart ziet zich verplicht om het gezelschap te verlaten, een vernedering die hij maar moeilijk kan verkroppen. Zeven jaar later zal deze woordenwisseling het leven kosten aan drie geestelijken uit dit groepje.
Afrekening onder pastoors
Jossart verlaat Sint-Jan-ter-Biezen en trekt naar Frankrijk. Hij legt er de schismatieke eed af maar loopt in die tijd vooral verloren in dit chaotische en rebelse land. Hij trouwt met een vrouw die in echtscheiding leeft en keert met haar naar België terug, meer bepaald naar Brugge. Hij bekomt een functie als ‘geheimschrijver’ bij de Commissie van de Uitvoerende Macht onder het gebied van de prefect der Leie. Een van zijn voornaamste vrienden en handlangers is een hevige jakobijn uit Duinkerke, met name Leroux die in Poperinge de scepter zwaait als commissaris van de uitvoerende macht voor wat betreft het kanton Haringe. Jossart ziet zijn kans schoon om een oude rekening te vereffenen. Hij en Leroux beramen een plan om in één trek de priesters van alle zeven de parochies te laten oppakken.
Jossart wil wraak en Leroux koestert een gloeiende haat tegen alle bedienaars van de godsdienst. Jossart krijgt zijn superieur Barras zo ver om aanhoudingsbevelen tegen hen te laten ondertekenen. Tijdens de nacht van 11 april 1797 laat Leroux nu al de priesters van het kanton Haringe gevangennemen om hen daarna als booswichten naar Brugge over te kunnen brengen. Via alle mogelijke geoorloofde en ongeoorloofde kanalen weet hij waar ze zich schuilhouden en toch slaagt hij maar deels in zijn objectief. Veel geestelijken veranderen wel elke dag van verblijf, dat is meteen ook de reden waarom de pastoor en onderpastoor van Watou, de pastoors van Beveren-aan-den-IJzer en Stavele en de onderpastoors van Westvleteren en Proven niet kunnen opgepakt worden.
Zes van hen hebben het wel vlaggen. De pastoors Asaert van Roesbrugge-Haringe, Neudt van Proven, Hosdey van Krombeke met onderpastoor Reyphin van Stavele en nog twee andere geestelijken; Reyphins van Westvleteren en Flotteeuw van Beveren. Wanneer de brave parochianen de volgende morgen het oppakken van hun priesters vernemen is de verslagenheid groot. Ze verwensen hun vervolgers. Moest Leroux zulk schandalig werk verricht hebben dan zouden ze hem wel in stukken hebben gereten. Dat schrijft De Rache toch. Toch is het de persoonlijke haat van Jossart die erachter zit.
Bij aankomst van de gevangenen in Brugge laat hij hen schaamteloos voor zijn eigen persoon verschijnen. Hij is het die hen het vonnis van de rechtbank voorleest. Ze zullen eerst naar Rochefort gevoerd worden en van daar naar Cayenne, een overzees gebied in Frans Guyana. Neudt is een ziekelijke oude man die feitelijk met heel die kwestie niets te maken heeft. Jossart is nog zo schaamteloos om hem te vertellen dat hij eigenlijk niet opgepakt moest zijn, maar de pastoor ziet niet in waarom hij een ander lot dan zijn collega’s zou toebedeeld worden. Het was Leroux die een beetje overijverig was geweest.
Een einde in mineur voor Leroux
De vervolgingen van het duo Jossart & Leroux zullen pas eindigen wanneer Napoleon eerste consul van de republiek wordt en hij geen geloofsverzakers meer wil zijn in het bestuur van Frankrijk. Jossart kiest dan maar voor het protestantisme en krijgt een job bij de Ieperse rechtbank waar hij rechtover het huis van advocaat Reyphins gaat wonen, de broer van zijn twee slachtoffers. Als zijn vroegere leven in Ieper bekend raakt, oogst hij niets anders dan een algemene verachting en moet hij noodgedwongen naar Rijsel verhuizen.
Zijn kompaan Leroux zal tot in 1814 in Poperinge wonen. Veel schiet er van zijn grote muil niet meer over. Op zekere leeftijd doof, bind, kreupel en doodarm moet hij zich in leven zien te houden met de opbrengsten van de kleine kleerwinkel van zijn vrouw. Als het echtpaar zich nog verplicht ziet om krijgsvolk in huis te nemen gaan ze op de loop naar Duinkerke in welke stad hij zijn miserabel leven eindigt. Er is ook meer informatie beschikbaar over de verbannen geestelijken. De welbespraakte priester Asaert verblijft eerst in 26 gevangenissen en scheept op 1 augustus 1798 in op het fregat ‘la Bayonnaise’ met bestemming voor Guyana waar hij op 29 september aanmeert.
Uitgeput door lijden en ontbering krijgt hij de rode loop. Twee maanden later sterft hij in Conomama. De lichamelijke toestand van priester Hosdey, de pastoor van Krombeke is zo slecht dat hij zelfs niet kan inschepen voor Frans Guyana. De Fransen sturen hem dan maar naar het eiland Ré. Hier sterft Hosdey een pijnlijke marteldood op datum van 22 mei 1799. De broers Reyphins belanden ook al van de regen in de drop. De onderpastoor van Stavele sterft nog tijdens zijn overbrenging naar Guyana en hij krijgt zijn graf in de golven van de zee. De onderpastoor van Westvleteren kan na heel veel verwikkelingen via een Hollands schip uit Conomama ontsnappen en blijft in New-York wachten op betere tijden. Hij zal in 1802 naar Westvleteren kunnen terugkeren en in 1807 een aanstelling krijgen als pastoor van Roesbrugge, tot aan zijn overlijden in 1838.
Hier zong de grijze priester
De ongelukkige tijden voor de geestelijken en de gelovigen zullen duren tot aan de val van het regime in 1799 waarbij de ster van Napoleon stilaan aan het firmament verschijnt. De priesters in Vlaanderen mogen nu hier en daar al op publieke plaatsen hun missen lezen. Toch zullen de kerken nog gesloten blijven tot in 1802. Ondertussen wachten de parochianen met ongeduld de tijd af dat ze hun oude gebruiken weer zullen mogen opnemen. Hoe ze zich voelen staat meesterlijk neergeschreven in de eerste uitgave van ‘Biekorf’. De tekst gaat over de schoolkinderen van Oeren, ik citeer; ‘ze speelden bijzonder graag rond de kerk, een kerkje dat tot hun verbeelding sprak, het was als een geheimzinnig boek waar nog altijd het verhaal van de Franse tijd geschreven stond…..
Volgens de ‘knechten’ waren de Fransen stouteriken, en volgens de ‘meiskes’ gruwelijk wreed. Ze toonden dan een leegte op een stuk land aan de overzijde van de straat. En dan vertelden ze wat ze nog gehoord hadden van ‘Roose-Moeie’ en van ‘Fluppe-Noom’ hoe boer Geldhof vluchtelingen op zijn hof had verborgen. En hoe de Fransen hem in Douai hadden gevonnist. Hoe hij geblinddoekt had moeten knielen op zijn eigen land terwijl tien mannen hem door de kop schoten, en zonder gebed of uitvaart achterlieten. Tot enkele godvruchtige zielen ’s nachts en dievelings zijn bloedende lijk hadden opgeraapt en ter aarde bestelden op het gewijde kerkhof.’
Ik was onlangs nog toevallig in dat illuster kerkje van Oeren. Voor de vernissage van de schilderijen van een fijne vriend. Het stukje poëzie in Biekorf heeft het over de geesten die hier blijven hangen zijn in dat klein gebouwtje:
Hier zong de grijze priester,
hier bad zijn dorpsgenoot,
De kerk is nu gesloten,
de grijze priester dood.
Van mensenrechten is nog geen sprake
De straffeloosheid in die jaren 1794-1795 is schrikwekkend. De Fransen trekken een ferme streep door de rechterlijke macht van de magistraten der kasselrijen, steden en parochies en deponeren het hele land in een soort luchtledige toestand waarbij alleen maar willekeur en straffeloosheid heersen. Het oude hooggerechtshof pakte de zware gevallen gewoonlijk aan met een gamma aan bestraffingen die niet van de poes waren. Gevangenzetten, aan de schandpaal monteren, ophangen, onthoofden, radbraken, levend koken of begraven, vierendelen, verbranden, brandmerken, schandvlekken, het afkappen van oren, neus of vuist, het geselen op de pijnbank en de verbanningen.
Allaeys heeft het over wrede maar efficiënte straffen die er tenminste voor zorgden dat onze voorouders veel geruster konden leven dat in onze eeuw van licht en beschaving. Over mensenrechten heeft mijn schrijver blijkbaar nog nooit gehoord. Met de inval en de dwingelandij van de jakobijnen eindigen deze bestraffingen en dat zorgt vanaf 1794 in heel ons land alleen maar nog voor verwarring. Vlaanderen stroomt vol met plunderaars. Het gerecht ligt plat, er is niemand nog die de misdadigers achtervolgt of misdaden verhindert. Niet moeilijk dus dat het land volloopt met baanstropers die niets meer te vrezen hebben.
Een getuigenis verschenen in ‘Rond den Heerd’ maakt de toestand in onze streek duidelijk. ‘Donderdagnacht 20 november 1795 is een moorddadig feit bedreven in Lettenburg bij Oostkerke waar vijf of zes of meer moordenaars ingebroken hebben in de woning van Philippus van Eecke. Ze hebben hem en zijn 13-jarig dochtertje seffens met pistolen doodgeschoten. Ook zijn vrouw Joanna Laere werd neergeschoten en op vier of vijf plaatsen dodelijk gewond. Na een langdurige pijn en veel smarten is ze er toch van genezen. Daarna hebben de inbrekers 75 Franse kronen gestolen en veel van hun kleren, lijnwaad en menagiegoederen meegenomen.
Diezelfde moedwillige mensen braken ook binnen in de woning van Pieter Tanghe in Oostkerke en ze deden nog menigvuldige andere huisbraken. Moorden en diefstallen om reden dat men zich nu verschuilt achter de regering van de Franse republiek die aan zulke boosaardige mensen vrijheid geeft en geen justitie doet. Maar de volgende zomer heeft de republiek alsnog veel dieven gelicht en naar Ieper gevoerd en van daar naar Brugge en werd er justitie gedaan met de guillotine en andere manieren.’
–
Uit deel 10 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


